TEHO Ropes Europe en BioBTX werken samen om afgedankte landvasten die voor de scheepvaart worden gebruikt, te recyclen. BioBTX gaat er in Delfzijl hoogwaardige drop-in chemicaliën van maken, waarmee nieuwe hoogwaardige kunststoffen kunnen worden gemaakt.

TEHO Ropes Europe is leverancier van synthetische landvasten, staalkabels en afmeerapparatuur. Het bedrijf wil haar klanten de mogelijkheid bieden hun landvasten die aan het einde van hun levensduur zijn, te recyclen. De mogelijkheden daarvoor zijn op dit moment beperkt. De lijnen bestaan vaak uit verschillende soorten polymeren, wat het lastig maakt om ze te recyclen.

BioBTX heeft een technologie ontwikkeld om chemische bouwstenen te produceren uit gerecyclede materialen en hernieuwbare bronnen. Het bedrijf verwacht in het derde kwartaal van 2024 haar eerste fabriek op commerciële schaal in gebruik te kunnen nemen. De fabriek – PETRA Circular Chemicals Plant – wordt gebouwd op Chemiepark Delfzijl, en kan een breed scala aan hernieuwbare en gerecyclede materialen verwerken. Ook meertouwen blijken een geschikte grondstof voor de plant te zijn.

Het streven is voorlopig om 1.000 ton afgedankte landvasten te verwerken in de BioBTX-fabriek, als een van de eerste gecontracteerde grondstoffen. Beide partijen gaan samenwerken om het volume meertouwen verder omhoog te brengen.

Momentum. Daar draait het bij kansen en veranderingen vaak om. Zo lijkt 2022 zomaar een belangrijk jaar voor waterstof. De eerste belangrijke vergunningen worden afgegeven en er staan verschillende investeringsbeslissingen gepland voor de bouw van groene waterstoffabrieken.

Ook in de media draait het om momentum. Al jarenlang is innovatie een belangrijk vehikel om te overleven. Papier krijgt een andere rol, digitaal verkennen we steeds meer mogelijkheden en evenementen worden steeds meer tv-shows.

De coronatijd heeft alles versneld. Voor 2020 werd me regelmatig gevraagd wat Industrielinqs met webinars ging doen. Het antwoord bleef ik schuldig. Maar nadat we vanaf 17 maart 2020 met ons allen op Teams, Zoom en meer stortten, was er ineens een veel groter bereik. Een momentum voor online talkshows. Inmiddels hebben we er meer dan twintig edities van Industrielinqs LIVE op zitten en er staan verschillende op de rol.

Het is nu het moment om weer naar onze papieren magazines te kijken. Medio 2020 hebben we iMaintain en Utilities samengevoegd tot het magazine Industrielinqs. Vanaf 2022 verschijnen onze twee magazines Industrielinqs en Petrochem om en om. Abonnees van het ene blad krijgen ook het andere. Minimaal tien edities en de Industrielinqs catalogus.

De inhoud van beide bladen groeide al naar elkaar toe. Haast synchroon aan de industrie en de energiesector. Staal, chemie, food, papier, energie worden steeds meer onderdeel van een geïntegreerd systeem. Onderwerpen als transitie, veiligheid, werkgelegenheid, investeringsklimaat zijn steeds meer cross-sectoraal.

Natuurlijk zal de nadruk van Petrochem op de chemische keten liggen en in Industrielinqs zal iets meer nadruk liggen op onderhoud en transitie. Maar samen kleuren ze een geïntegreerd industrieel palet in.

Uiteindelijk draait het bij Industrielinqs om wat zestien jaar geleden al in de naam is ingegeven: linken leggen in de industrie. In welke vorm en met welk medium dan ook, willen we dat blijven doen. We grijpen elk momentum aan om dat nog beter te kunnen doen. Hopelijk doet u ook mee in deze transitie.

Je kunt er momenteel niet omheen (en terecht). Het wordt wel het grootste probleem van deze tijd genoemd en ten tijde van het schrijven van deze column is de top in Glasgow gaande. Natuurlijk heb ik het over de klimaatproblematiek. Inmiddels al omgedoopt tot klimaatcrisis, want het is wel duidelijk dat er geen tijd meer te verliezen is. We moeten allemaal ons steentje bijdragen, maar weet u wat dat precies moet zijn?

Alternatief opwekken

Zelf ben ik recentelijk verhuisd, vanwege een nieuwe baan. Een uitgesproken kans om, naast de al geplande verbouwingen in het kader van comfort en onderhoud, ook investeringen te doen om het energieverbruik te reduceren en mijn verantwoordelijkheid in het klimaatprobleem te nemen. Dat is nodig, want de woning is uit de jaren dertig van de vorige eeuw, dus gebouwd in een periode waarin men zich totaal niet realiseerde dat we als mens invloed op het klimaat hebben. Eigenlijk erg vergelijkbaar met de situatie waar een groot deel van de chemische industrie ook in verkeert. De fabrieken zijn niet bepaald ontworpen voor een klimaatneutrale energiehuishouding en toch willen we allemaal iets doen om de status van energieneutraliteit te bereiken. Maar hoe die te bereiken? Dat is de uitdaging.

In mijn persoonlijke situatie heb ik meerdere opties tegen elkaar afgewogen. De makkelijkste optie is het beperken van het energieverbruik door bijvoorbeeld isoleren, dubbel glas en betere apparatuur zoals verwarmingsketel. Want wat je niet aan energie hoeft te gebruiken, hoeft ook niet te worden opgewekt. Dit geldt natuurlijk ook voor de procesinstallaties in de industrie. Het vervangen van verouderde grote energieverbruikers door modernere zuinigere installaties is haast een must. Dit vraagt natuurlijk wel flinke investeringen en de terugverdientijd is vaak (te) lang. Maar daarmee alleen kom je er niet. Dus is ook de optie voor het alternatief opwekken van energie een logische stap. Zonnepanelen op het dak dan maar. Iets met aardwarmte misschien? Een windmolen in de tuin komt er toch echt niet! En kernenergie heb ik maar achterwege gelaten…

Restenergie

Voor de industrie is dit een lastigere optie, omdat het opwekken van energie een eigen tak van sport is. Toch zijn er ook bedrijven die hun opslagtanks hebben voorzien van zonnepaneel-folie. En wat te doen met de daken van de controlekamers, kantoren en lege ruimtes rondom de fabrieksinstallaties? Hoewel het misschien niet veel lijkt, is dit toch een geval van alle beetjes helpen.

Maar de zon schijnt niet ’s nachts en ook waait het niet altijd als je meer energie nodig hebt. Opslag dan maar? Maar hoe dan? Een batterij? Of toch waterstof? Methaan en ammoniak worden tegenwoordig ook al als optie genoemd. Maar hoe te kiezen tussen al deze opties? Daar zit het grote probleem. Want elke optie heeft zijn voor- en zijn nadelen. Waterstof produceren met een overschot aan elektriciteit op zonnige dagen zou handig kunnen zijn, omdat er mogelijk een landelijk netwerk wordt gerealiseerd. Maar zou u mijn buurman willen zijn, als u weet dat er een waterstofgenerator en -opslag achter de heg komt te staan? En dat landelijke netwerk is ook niet zeker. De overheid heeft hierin nog niet beslist.

Voor de industrie zit hier misschien nog wat onontgonnen ruimte. Want het gebruik van restenergie elders in de installatie of bij een naastgelegen installatie is ons niet vreemd. Denk aan de Verbund-sites. Toch wordt er nog genoeg energie door de schoorsteen of via andere reststromen uitgestoten. Misschien goed om daar ook nog eens te kijken of er iets bruikbaars mee kan worden gedaan. Is het mogelijk deze energie in het landelijke netwerk te steken? Wat dat landelijke netwerk ook moge zijn, elektra of iets anders.

Verantwoordelijkheid pakken

Zo ziet u dat er voldoende uitdagingen en onzekerheden zijn. Er is geen totaaloplossing. De overheid gaat de uiteindelijke richting ook niet bepalen en wat voor de een werkt, past bij de ander totaal niet. Toch moeten we allemaal onze bijdrage leveren. Wat is uw bijdrage? Laten we als industrie niet wachten op andere bedrijven, sectoren of overheden en zelf onze verantwoordelijkheid pakken. Gelukkig lopen er al veel initiatieven in de industrie, maar of het voldoende is? Dat mag u zelf bepalen.

 

Chris Aldewereld is ingenieur Scheikundige Technologie en werkzaam als HSE-specialist. Aldewereld@gmail.com

Nederland sluit zich alsnog aan bij de coalitie van landen die op korte termijn willen stoppen met directe overheidssteun voor internationale fossiele energieprojecten. In Glasgow heeft Nederland hiertoe een verklaring getekend, zo schrijft staatssecretaris Vijlbrief (Financiën) aan de Tweede Kamer. Vorige week gaf het demissonaire kabinet nog aan niet te tekenen en dat deze kwestie aan een volgend kabinet is, wat tot protest in de Kamer en bij verschillende milieuorganisaties leidde.

De ondertekening betekent dat het kabinet in 2022 zal werken aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energiesector. Dit geldt in het bijzonder voor de exportkredietverzekering (ekv). Het streven is dit voor eind 2022 te implementeren. Ook hoopt het kabinet dat zoveel mogelijk andere landen de verklaring ook willen ondertekenen, om een gelijk speelveld te behouden voor Nederlandse bedrijven en hun buitenlandse concurrenten.

De gemeente waarin ik woon vroeg burgers mee te denken over hoe een aantal wijken van het aardgas zouden kunnen. Nu hebben de ambtenaren goed nagedacht over welke wijken ze als eerste willen aanpakken: een wijk met veel huurwoningen in de lagere prijsklasse, een middenklasse wijk en eentje waar een gemiddeld huis niet onder de zeven ton van de hand gaat. Opvallend is dat de gemeente naast elektrificatie, stadsverwarming en zonneboilers ook hybride warmtepompen en duurzame gassen overweegt. Helemaal van het gas af wil men dus niet.De keuze voor deze drie wijken legt de grootste pijnpunten van de energietransitie bloot: de lastenverdeling. Want waar de duurdere huizen waarschijnlijk een absoluut hogere energierekening hebben, ervaren de huurders hun relatief lagere kosten als zwaardere last. En dus gaat de discussie niet alleen over efficiency en inpasbaarheid, maar ook over sociale gelijkheid.

Je kunt gemakkelijk parallellen trekken tussen de energietransitie op woonwijkniveau en de industriële transitie. Ook de industrie kent partijen met zulke kapitaalsintensieve assets dat hogere energiekosten niet direct het sein voor sluiten of verhuizen zijn. Terwijl er ook genoeg partijen zijn die nu al in de marges werken en waar de hoge gasprijs net de druppel kan zijn. In dat licht lijkt van het gas af de meest voor de hand liggende keuze, ware het niet dat alternatieven nog een stukje duurder zijn. Elektrificatie vraagt om miljardeninvesteringen in duurzame opwekcapaciteit en infrastructuur en ook biobased is niet altijd goedkoper en onomstreden.

De harde realiteit is dat het leeuwendeel van de elektriciteit nog steeds van gascentrales komt, en die rekenen hoge gasprijzen gewoon door in de stroomprijs. De drie kolencentrales zijn momenteel de enige energiebronnen die echt een goed rendement draaien, maar dat is wat betreft emissies ook niet wenselijk.

De roep om politiek leiderschap wordt dan ook steeds groter. Het eindpunt van de energietransitie is bekend, de route er naartoe is echter nog onzeker. Van het gas afgaan kan een verstandige keuze zijn, maar breng dan ook in beeld wie buiten de boot valt. Want welke keuze de nieuwe leiders ook maken: ze moeten draagvlak houden. Anders kan het nog een hele vervelende reis worden richting een CO2-neutrale samenleving.

Als alles meezit, produceert een nieuwe fabriek op de Axelse Vlakte in Zeeland begin 2024 ethanol uit suikerbieten. Een mijlpaal voor IST Green Chemicals, dat al vele jaren aan de realisering van deze eerste fabriek werkt. Tegelijkertijd is het ook slechts een tussenstap. ‘We willen uiteindelijk complexere moleculen uit de bieten maken, bijvoorbeeld melkzuur of citroenzuur, om de chemie te vergroenen’, zegt Hans van Klink van IST.

Het plan steekt prachtig in elkaar. Zeeuwse boeren telen om de vier of vijf jaar suikerbieten omdat de vruchtwisseling en het diepe wortelen goed is voor de grond. Zij krijgen een stabiel verdienmodel als IST Green Chemicals de bieten in een kleinschalige fabriek op de Axelse Vlakte omzet in ethanol voor biobrandstoffen. En hoewel het proces weinig warmte nodig heeft, kan de fabriek heet water en stoom afnemen van buurman Victor Goes Green op hetzelfde industrieterrein. Een andere buurman, Sustainable Fuel Plant, kan het residu uit het proces vergisten tot biogas. En tot slot is het de bedoeling om het water uit het proces terug te leveren aan de lokale land- of glastuinbouw. Immers, Zeeuws-Vlaanderen heeft in bepaalde periodes een tekort aan zoet water.

Volop synergie en een mooie business case zou je zeggen, en toch kleeft er een lastig punt aan het project: de suikerbiet wordt gezien als een voedselgewas. Dat levert discussies op met overheden en financiers. ‘Natuurlijk kunnen we niet de hele behoefte aan energie uit landbouw halen’, weet Cees van Loon, directeur R&D bij IST. ‘Dan heb je vier keer de aarde nodig. Dus we gaan niet alle auto’s op bio-ethanol laten rijden. Maar de suikerbiet is wel een uitstekende kandidaat om grondstoffen voor de chemie te leveren, en daarbij gaat het om veel kleinere volumes. Dat is ons uiteindelijke doel. De suikerbiet moet daarom gezien worden als een industrie- of energiegewas. Er zit zoveel potentie in.’

Hans van Klink (IST): ‘Het ultieme doel is dat overal waar suikerbieten kunnen worden geteeld, minstens één fabriek komt te staan.’

Van Loon is blij dat de financiering nu rond gaat komen voor deze eerste fabriek in Zeeland, die tweeduizend ton bieten per dag gaat verwerken. De investering voor een Greenfield fabriek komt op 100 miljoen euro. ‘Dit bedrag is met alles erop en eraan. Dus het land, de infrastructuur, een biogasplant, de waterzuivering en alle andere bijkomende faciliteiten. Maar door de synergie op de Axelse Vlakte zal het investeringsbedrag beduidend lager uitvallen.’

Gummiballen

Het gebruik van suikerbieten was overigens niet alleen bij het rondmaken van de financiering een uitdaging. Ook bij de ontwikkeling van het productieproces leverde het gewas meerdere malen moeilijkheden op. ‘Dat krijg je als je met een natuurproduct werkt’, zegt Hans van Klink, directeur Project Development lachend. ‘In de proeffabriek hadden we in het begin bijvoorbeeld dat de bietenmoes in de fermentor enorm ging schuimen. En we hebben ook meegemaakt dat de installatie helemaal vastliep omdat de brij ging geleren.’

Daarbij komt nog dat de ene suikerbiet de andere niet is. ‘We hebben een keer slechte bieten gehad. Dat leken net gummiballen, we konden ze niet verwerken. En afhankelijk van het ras kun je de biet wel of niet lang bewaren. Rotte bieten stinken trouwens enorm, kan ik je uit ervaring vertellen. Maar goed, soms heb je in februari al slechtere bieten en een andere keer kun je doorgaan tot in april. Dus als het een beetje tegenzit en je sommige proeven niet snel genoeg kunt doen, dan moet je een half jaar wachten voor je weer verder kunt met tests gedurende het ontwikkeltraject.’

Hooguit drie jaar

Het duurde daardoor wat langer dan verwacht voordat IST de bouw van de eerste fabriek kon aankondigen. Van Klink: ‘Al rond 2005 begonnen onze Zwitserse collega’s met de ontwikkeling van het Betaprocess en zelf raakten wij er vanaf 2011 bij betrokken. In 2015 begonnen we met de optimalisatie van het proces in een proeffabriek op de testlocatie van ACRRES, het praktijkcentrum van Wageningen UR in Lelystad. We deden dat onder de projectnaam Chembeet. Toen dachten we nog: over twee, hooguit drie jaar staat de eerste fabriek er.’

bio-ethanol

(c) IST Green Chemicals

Na Chembeet volgde het In Nije DEI-project. ‘Daarin toonden we aan dat opschaling van het concept mogelijk was. We werkten aan een nog hogere efficiency en realiseerden een stabiel, en robuust proces. Ook werkten we de businesscase verder uit, want: hoe groot moet je nou zo’n fabriek maken? Zo groot als de huidige suikerfabrieken of kan het op veel kleinere schaal? Verrassend genoeg zijn we op modellen uitgekomen die beduidend kleiner zijn. We gaan in een cirkel rond de fabriek met korte afstanden te werk. Daarmee reduceren we vooral veel transport en daarmee uitstoot van schadelijke stoffen. We hebben de business case gemaakt op tweehonderd dagen bieten en daarnaast 110 dagen maiskorrels in de maanden dat er geen bieten zijn.’

Op basis van al dit voorwerk kan IST nu de eerste pre-commerciële fabriek gaan bouwen. Eind 2023 of begin 2024 moet deze operationeel zijn. ‘We beginnen met het aanvragen van de vergunningen en zo rollen we verder om de engineering op te pakken. We hopen begin volgend jaar met de final engineering aan de slag te kunnen. Deze fabriek moet een blauwdruk worden voor veel meer fabrieken. Het ultieme doel is dat overal waar suikerbieten kunnen worden geteeld, minstens één fabriek komt te staan.’

Samenwerking

Bij deze eerste fabriek wil IST voldoende ruimte overhouden om meer R&D en productontwikkeling te kunnen doen. Van Klink: ‘We zien ethanol als het laaghangende fruit, en als een tussenstap. Het is op dit moment het gemakkelijkst om ethanol voor biobrandstoffen te maken, maar we willen ook ethanol aan de chemische industrie leveren. Dat is de volgende stap.  Iedereen verbaast zich erover dat we nu al een heel erg zuivere ethanol produceren. Een andere belangrijke stap is om complexere moleculen te maken, zoals melkzuur of citroenzuur. We hebben fermenteerbare suikers en daar kunnen we natuurlijk veel meer mee. We gaan op zoek naar bedrijven waarmee we kunnen samenwerken om die keten verder uit te werken.’

Van Klink: ‘Dit concept is iets voor de toekomst, voor onze kinderen en kleinkinderen, om CO2-reductie te behalen.’

Kunnen we over nog eens tien jaar ook andere fabrieken van IST verwachten? Van Klink lacht: ‘Dat hopen we toch echt eerder voor elkaar te hebben. Als we de eerste fabriek eenmaal hebben, bereiken we dat redelijk snel. Via het ‘In Nije DEI’-project hebben we al een samenwerking met Rodenburg Biopolymeren. Samen onderzoeken we of de vezels uit het residu van de fermentatie te gebruiken zijn voor het maken van polymeren. We willen er een zo hoogwaardig mogelijk product van maken. Rodenburg gaat met de vezels aan de slag zodra we het materiaal uit de fabriek kunnen leveren.’

IST heeft veel bemoedigende reacties gekregen nadat het nieuws van de eerste fabriek op de Axelse Vlakte naar buiten kwam. Er gingen dan ook vele jaren van volhouden en doorzetten aan vooraf. ‘Tsja, we begonnen ergens mee en zagen telkens betere resultaten en we kregen op allerlei manieren toch wel support’, zegt Van Klink. ‘Bovendien is dit concept iets voor de toekomst, voor onze kinderen en kleinkinderen, om CO2-reductie te behalen. Dit verhaal past daar gewoon in. Er zijn zoveel initiatieven voor de langere termijn. Wij kunnen hiermee op korte termijn beginnen met het vergroenen van de chemie.’

Proces in het kort

IST Green Chemicals verwerkt een suikerbiet in zijn geheel door de cellen van de suikerbiet via vacuümextrusie tot explosie te brengen. Doordat de celwanden open springen, komen de suikers bloot te liggen, waarna micro-organismen er direct mee aan de slag kunnen. Op deze manier verloopt de fermentatie sneller en efficiënter. Het resultaat is een hoger rendement ten opzichte van de klassieke methode die de bieten eerst tot witsuiker of diksap verwerkt. Bovendien vindt het proces plaats onder lage druk en bij lage temperaturen, waardoor het minder energie kost. De bieten gaan het proces in op de buitentemperatuur. Ze worden vermoesd en verwarmd naar vijftig tot zestig graden Celsius. Bij de vacuümextrusie koelt de moes af en is dan op fermentatietemperatuur. In het hele traject is dus alleen in het begin een beetje warmte nodig. De productiekosten zijn door al deze factoren 35 procent lager.
Gebruiken we in 2050 nog veel koeien en andere dieren voor onze voedselvoorziening? Is er dan nog verse koolstof – fossiel of plantaardig – nodig voor de productie van onze materialen? En is onze energievoorziening dan eindelijk volledig gedecarboniseerd?

Ik vraag bewust nog niet af of het mogelijk is, want technisch zal er dan veel kunnen. In Petrochem schetst Marcus Remmers, chief technology officer van DSM, een beeld dat mij op dat vlak positief stemt. Er zijn ontwikkelingen in de biotechnologie en elektrochemie die echt veelbelovend zijn. Koren op de molen voor een technologie-optimist.

Even wegdromen. Momenteel zijn er grote vorderingen in laboratoria en zelfs al daarbuiten op het gebied van cellulaire landbouw. Die moet producten mogelijk maken die heel dicht in de buurt komen van, of zelfs identiek zijn aan dierlijke voedingsmiddelen en materialen. Kweekvlees bijvoorbeeld. Met het genetisch materiaal van een beperkt aantal dieren is het straks waarschijnlijk mogelijk om de hele wereldbevolking van vlees te voorzien. Ik zou er alvast voor tekenen als omnivoor. Ik vind vlees lekker, maar ben me ook bewust van de nadelen van de huidige vleesconsumptie. Vlees eten zonder dat er dieren voor worden doodgemaakt? Ik teken er direct voor. Ook als het me wat extra kost.

‘Wellicht is een volledige circulaire chemische industrie mogelijk, als de ultieme kringloop wordt gesloten: massaal hergebruik van CO2 en CO.’

Optelsom

En ook dromen over de toekomstige chemie. De eerste fabrieken die CO2 als grondstof omzetten in koolwaterstoffen zijn er al. Je hebt daar wel heel veel energie voor nodig en zeer geconcentreerde bronnen van CO2 en – het liefst groene – waterstof. Ook worden de eerst stappen gezet met koolmonoxide (CO) uit de staalindustrie. Om in de toekomst kunststoffen te maken, zijn fossiele bronnen sowieso niet meer nodig. Een groot deel van de chemische bouwstenen kan worden teruggewonnen uit afvalplastics. Misschien is er tijdelijk een aanvulling nodig met koolwaterstoffen uit biomassa. Maar op den duur is wellicht een volledige circulaire chemische industrie mogelijk, als de ultieme kringloop wordt gesloten: massaal hergebruik van CO2 en CO.

Het lijkt minder een kwestie van kunnen dan van kiezen. Er kan veel, maar waar kiezen we voor? Volgens de Franse filosoof Sartre staat bij alles onze keuze centraal. Zelfs geboren worden, ziet hij als een keuze. Natuurlijk kunnen we over dat laatste discussiëren. En zeker ook over onze keuzevrijheid. Maar geven we ons niet te vaak over aan het idee dat we nergens invloed op hebben? Misschien hebben we als individu weinig invloed. Maar als bedrijf, land, continent, samenleving zijn er natuurlijk meer mogelijkheden. Nu al liggen er veel meer vleesvervangers in de schappen van supermarkten dan een paar jaar terug. Dat is een optelsom van heel veel keuzes.

Biodiversiteit

Durven we als samenleving de transitie ook echt aan? Durven we ook echt te innoveren? Volgens de Vlaamse denker Jef Staes bevindt de hele samenleving zich momenteel in de chaotische overgangstijd van het 2D- naar het 3D-tijdperk. De overgang zal niet zonder slag of stoot gaan. De mensen die in het oude tijdperk aan het roer staan, zullen niet zonder slag of stoot de macht overdragen aan een nieuwe generatie mensen die veel beter geschikt is om met de nieuwe mogelijkheden om te gaan. Staes in een eerder interview: ‘Termen als fake news zijn middelen van de oude generatie om vernieuwing te blokkeren.’

Ik heb het Jef nog niet gevraagd, maar de huidige boerenprotesten zouden ook zo maar uitingen kunnen zijn van het oude tijdperk. Willen we over dertig jaar nog steeds een leefbare wereld hebben, dan kunnen we niet op de oude manier doorgaan. Dan zullen we bijvoorbeeld stapsgewijs veel efficiënter met de beschikbare grond om moeten gaan. Alleen met innovatie en transitie kunnen we het hoofd bieden aan de uitdagen op het gebied van klimaat, biodiversiteit en een groeiende wereldbevolking. Daar moeten we iedereen in meenemen, ook diegenen die dat nu nog niet zien zitten en misschien oude gebruiken nog moeten loslaten. Te beginnen bij onszelf. Die keuze hebben we alvast.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter: @wimraaijen

Groene luchtvaart komt steeds wat dichterbij. Afgelopen tijd zijn een aantal projecten gelanceerd voor de ontwikkeling van duurzame kerosine. Ook is de bouw van fabrieken aangekondigd. Daarbovenop liet KLM weten een eerste passagiersvlucht te hebben gemaakt met bijmenging van vijfhonderd liter duurzame synthetische kerosine. Het brengt een groene luchtvaart dichterbij, maar toch zijn we er nog lang niet. De productie van duurzame kerosine is nog lang niet genoeg om de uiteindelijke klimaatdoelen te bereiken.

KLM vloog in januari van Schiphol naar Madrid, deels op synthetische kerosine. In het passagierstoestel was vijfhonderd liter bijgemengd. Shell produceerde deze groene kerosine in haar onderzoekscentrum in Amsterdam op basis van CO2, water en hernieuwbare energie uit zon en wind.

Vijfhonderd liter is niet veel, het vliegtuig kan ervan naar de startbaan taxiën en misschien nog een deel van de start van doen. Deze vlucht laat vooral zien dat bijmengen met duurzame synthetische kerosine kan. Het dient tegelijkertijd ook als inspiratie voor overheden om beleid te maken op het gebied van duurzame vliegtuigbrandstoffen (sustainable aviation fuel, SAF). Denk bijvoorbeeld aan een bijmengverplichting. Dat is de manier om het aandeel van SAF in de kerosinepool te doen groeien. Het is namelijk twee tot drie keer zo duur als fossiele kerosine.

Te weinig fabrieken

Ondertussen lopen er wereldwijd verschillende projecten voor de productie van SAF. In Delfzijl in Nederland willen SkyNRG, KLM, SHV en Schiphol de eerste Europese productiefaciliteit voor duurzame kerosine bouwen in Delfzijl. In deze fabriek willen ze groene waterstof combineren met afval- en reststromen, zoals gebruikt frituurvet, om 100.000 ton duurzame vliegtuigbrandstof en 15.000 ton bioLPG per jaar te produceren. Het frituurvet wordt verwerkt met het zogeheten HEFA-proces, waarbij esters en vetzuren met waterstof worden omgezet.

Wie kijkt naar andere SAF-projecten ziet dat SkyNRG bij bijna allemaal is betrokken. Tien jaar geleden begon dit bedrijf als handelaar in duurzame kerosine. In 2016 zag SkyNRG dat er te weinig SAF werd gemaakt en schoof ze ook meer naar de projectontwikkelaarsrol toe. ‘Fabrieken die duurzame brandstoffen kunnen maken, richtten zich nu vooral op het wegtransport’, legt Oskar Meijerink (senior project lead van SkyNRG) uit. ‘Denk aan ethanol. Het wegtransport heeft een bijmengverplichting, de luchtvaart niet. Om meer fabrieken te realiseren in de wereld, zijn we projecten voor de productie van SAF gaan opzetten.’ Met als eerste resultaat de fabriek in Delfzijl die nu in de laatste fase van het ontwerp is en waarvan de bouw voor begin 2022 gepland staat.

Aandacht

Die ene fabriek is niet voldoende, legt Meijerink uit. ‘We hebben meer fabrieken nodig om de luchtvaart te verduurzamen, op andere plekken, met andere technieken en met andere partners. Andere partijen doen dat natuurlijk ook. En dat is goed.’ SkyNRG is zelf betrokken bij zo’n vijftien projecten wereldwijd in verschillende stadia van ontwikkeling.

De laatste anderhalf jaar is er veel veranderd in de aandacht voor SAF en de intentie van overheden in Europa om een bijmengverplichting voor de luchtvaart in te stellen. Die gaat er waarschijnlijk komen. Dat zal ervoor zorgen dat de vraag naar duurzame kerosine structureler wordt. Maar daar moet dan wel aan kunnen worden voldaan.

Technieken

Het produceren van SAF kan met verschillende technologieën. Qua technieken zijn er zo’n negen interessante routes die in drie grotere categorieën zijn in te delen. De eerste categorie is SAF geproduceerd uit afvaloliën en vetten. Deze ‘HEFA’-route is het verst ontwikkeld en is al commercieel beschikbaar. In 2011 maakte KLM als eerste ter wereld een commerciële vlucht met deze brandstof bijgemengd in de tank.

De tweede categorie maakt gebruik van biomassareststromen. Kerosine op basis van deze reststromen is nog niet commercieel beschikbaar. Projecten op dit gebied bevinden zich vaak nog in ontwikkeling, waarbij sommige nu richting de industriële demofase gaan. De derde route is op basis van CO2 en waterstof, de zogenoemde power-to-liquids, e-fuels of synthetische kerosine.

Power-to-liquids

In die categorie zijn afgelopen weken een paar projecten gelanceerd in Nederland. Een daarvan is start-up Synkero, dat een commerciële fabriek in de haven van Amsterdam wil bouwen. Het is een samenwerking van Port of Amsterdam, Royal Schiphol Group, KLM en SkyNRG. Meijerink: ‘Dit project heeft als doel om zogenaamde ‘unavoidable’ CO2 van bedrijven uit het havengebied op te vangen en met groene waterstof om te zetten naar duurzame kerosine. In Rotterdam willen we (met andere partners, red.) een demonstratiefabriek neerzetten waarbij CO2 uit de lucht als grondstof dient.’

Voor een ander project, Take-Off genaamd, kende de Europese Unie onlangs een subsidie van vijf miljoen euro toe. Dit consortium, onder leiding van TNO, wil een innovatief proces opleveren dat SAF produceert tegen lagere kosten en met een hogere energie-efficiëntie in vergelijking met andere power-to-liquids-alternatieven. Take-Off wil daarvoor CO2 uit industriële rookgassen afvangen en die laten reageren met groene waterstof. Dit produceert lichte olefinen die vervolgens chemisch worden omgezet tot SAF.

Locatie

Welke technologie wordt gebruikt voor het maken van SAF hangt voor een groot deel af van de locatie van de fabriek. Een plek waar veel groene waterstof beschikbaar is, is bijvoorbeeld handig voor de power-to-liquids-routes. Je kunt je daarom afvragen of Amsterdam de meest handige plek is voor de Synkero-fabriek.

Meijerink: ‘Dat is zeker waar. Maar wij zien dit als een ontwikkelingstraject, met als eerste een ten opzichte van de industrie kleinschalige commerciële fabriek. Dan is het fijn om dat in de buurt te ontwikkelen met partners die je kent en waar partners en overheden overtuigd zijn van deze ontwikkeling. De opschaling kan in Amsterdam plaatsvinden als de opschaling van duurzame elektriciteit heel vlot gaat. Maar Synkero richt zich nu eerst op deze eerste stap.’

Certificeren

Wie het lukt om SAF te produceren, is er nog niet. De brandstof en het productieproces moeten dan nog worden gecertificeerd voor de SAF mag worden bijgemengd in een vliegtuig. Honderd procent vliegen op SAF is zelfs nog niet toegestaan. Er mag, afhankelijk van de productiemethode, tot maximaal vijftig procent worden bijgemengd. Deze specificaties en de certificering worden vastgesteld door ASTM. In het geval van de HEFA- of power-to-liquids-routes zitten er geen aromaten in de brandstof, die wel nodig zijn in het eindproduct.

‘We zien wel dat nieuwe motoren en vliegtuigen deze aromaten een stuk minder nodig hebben en we zien ook leveranciers van motoren en vliegtuigbouwers werken aan testen op honderd procent duurzame kerosine’, zegt Meijerink. ‘De verwachting is daarom ook dat in de komende tientallen jaren de bijmengingslimiet mogelijk niet meer nodig is. Het is nu ook nog geen probleem, want we zijn nog lang niet bij die vijftig procent bijmenging. De Nederlandse luchtvaartsector heeft zelf gezegd dat ze vanaf 2030 veertien procent wil bijmengen. Zo zijn er ook in andere landen in Europa plannen. Toch is het belangrijk dat we op termijn volledig kunnen verduurzamen, dus is het goed dat er onderzoek plaatsvindt naar de mogelijkheden om op honderd procent SAF te kunnen vliegen.’

Langzaam maar zeker kruipen we uit het dal van de coronacrisis. Die vooruitgang danken we aan de wetenschap die ons met vaccins de wapens geeft om het virus te verslaan. Dat we dit gevecht zullen winnen is vrijwel zeker, de enige onzekerheid is hoe lang dit gevecht nog duurt. Ik ben vooral benieuwd naar wat er daarna gebeurt: gaat de wereld ‘back to normal’, of misschien zelfs in overdrive: alle remmen los? Of zal onze wereld blijvend veranderd zijn, in positieve of in negatieve zin?

Door het virus zijn sommige dingen in zeer korte tijd sterk veranderd. Wat me geweldig opvalt, is hoe gewoon het geworden is om een online vergadering of overleg te houden. Zeker, videoconferencing kon voor de pandemie ook al, maar het was allesbehalve ingeburgerd. Het ging vaak mis en de kwaliteit was ondermaats. Dankzij het virus is dat heel snel verbeterd. Dat is niet het resultaat van nieuwe technologie, maar van de simpele noodzaak tot versnelde uitrol en perfectionering van een bestaande technologie. Het virus heeft die evolutie versneld: de nood creëert de oplossing.

‘Het beleid moet een algemene koolstoftax opleggen, voor iedereen en zonder uitzonderingen, als drijvende kracht achter alle mogelijke oplossingen voor het klimaatprobleem.’

Sleutelfactor

Deze crisis laten we dus straks achter ons, maar de volgende crisis loert al om de hoek. De klimaatcrisis is allesbehalve opgelost en daar bestaat jammer genoeg geen vaccin voor. Of toch: in feite zijn de meeste technologieën voor de oplossing van de klimaatcrisis reeds beschikbaar. Ze worden alleen niet grootschalig uitgerold omdat er in wezen geen vraag naar en behoefte aan is. Zodra die behoefte dringend en dwingend wordt, zal de nood de oplossing creëren, net zoals bij het virus.

Het recept is simpel: plak een prijs op de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen en de markt doet de rest. Dat markmechanisme moet worden gecreëerd door een algemene koolstoftax. Ik heb er al vaak voor gepleit en ik stel tot mijn genoegen vast dat dit idee ondertussen gemeengoed is geworden.

De sleutelfactor vormt hierbij het beleid, de politiek. Die moet een algemene koolstoftax opleggen, voor iedereen en zonder uitzonderingen. Als drijvende kracht achter alle mogelijke oplossingen voor het klimaatprobleem. De nodige schaal van verandering is enorm en zonder marktmechanisme gaat het niet gebeuren.

Doortastend ingrijpen

Dat politici in actie kunnen schieten hebben we al gemerkt. De dadendrang om het virus krachtdadig te bestrijden was enorm. Dat had vooral met de dynamiek van deze crisis te maken. De exponentiële groei van een virus levert een typische J-curve op. Je ziet het eerst langzaam groeien en dan gaat het plots razendsnel de hoogte in. De kunst is om voor dat kritische punt in te grijpen, want daarna heb je het niet meer onder controle. Die dynamiek werd rampzalig gedemonstreerd in Italië en Spanje, wat de leerschool vormde voor de rest van Europa. Jammer genoeg verschilt de dynamiek van de klimaatopwarming erg van de dynamiek van een virusinfectie. De klimaatopwarming is eerder lineair. Het wordt heel langzaam maar zeker warmer, bijna onzichtbaar. Het is duidelijk dat we eigenlijk vroeger hadden moeten ingrijpen. Het is nog niet te laat, maar het wordt wel dringend om doortastend in te grijpen. Iedereen kan zelf vaststellen dat de klimaatverandering niet ergens in de verre toekomst ligt, maar reeds hier en nu grote problemen veroorzaakt.

Oplossing

Het Europese beleid heeft het begrepen en zet sterk in op de ‘green deal’. Een opsteker was ook de nieuwe president van de VS, die prompt na zijn beëdiging zijn land weer in lijn bracht met de rest van de wereld. Ik ben dan ook hoopvol gestemd. Straks kan alles weer vooruit en dan kunnen we echt beginnen bouwen aan een duurzame wereld. Het wordt niet gemakkelijk maar het is perfect mogelijk. Alle elementen van de oplossing zijn reeds voorhanden. We moeten het gewoon doen. Niet praten, maar doen. Net zoals een jaar geleden.

 

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!