Vorige zomer kwam ze binnen als stagiaire, maar inmiddels mag ze zich procesoperator noemen van een pilot-installatie. En als het aan haar ligt, is Gaby op ’t Holt over ruim twee jaar meewerkend voorvrouw van de fabriek die BioBTX in Delfzijl gaat bouwen. Dit jaar is Gaby finalist van de verkiezing van de Techniekheld van het Jaar. Op 22 juni tijdens het iLinqs-festival is de bekendmaking.

Dat is het voordeel als je jong bij een starter in dienst komt. Je kunt meegroeien met het bedrijf zelf. En dat ziet de twintigjarige Gaby op ’t Holt zeker zitten. Nu zit ze aan de knoppen van een proefinstallatie die als model dient voor de fabriek die vanaf dit jaar wordt gebouwd op Chemie Park Delfzijl. Daar gaat BioBTX afvalplastic omzetten in de chemische bouwstenen benzeen, tolueen en xyleen (BTX). De eerste fase van de fabriek moet al in 2024 draaien en in 2027 moet de volledige fabriek operationeel zijn. Een investering van in totaal tachtig miljoen euro. Uiteindelijk wil het bedrijf elk jaar 50.000 ton plastic verwerken. En daar wil Gaby op ’t Holt graag aan meewerken.  

Hoe kwam je op het idee in de techniek te gaan werken? 

 ‘Ik ben eigenlijk nooit een meisje-meisje geweest. En ik heb altijd graag met mijn handen willen werken. Ik ging ook wel eens met mijn vader mee, die ook operator is. Toen een dansopleiding er niet inzat en ook de fotografie-opleiding geen plaats meer had, leek de MBO-opleiding voor procesoperator me wel wat. Dat bleek meteen de beste keus van mijn leven.’ 

Niet iets waar veel jonge meiden aan denken, toch? 

 ‘Dat klopt. Ik kwam een klas met bijna alleen maar jongens terecht. Slechts één ander meisje. Ik had het vanaf het begin af aan erg naar mijn zin. Ik heb ook het gevoel dat heel veel andere vrouwen het leuk zouden vinden, maar dat het van huis uit niet echt wordt gestimuleerd. Dat is best jammer. Er was zelfs een leraar die zei dat het niet voor mij was weggelegd. Dat gaf me alleen maar extra motivatie. Ik dacht: “nu ga ik bewijzen dat ik het wel kan”. Dat het me is gelukt kan ook een voorbeeld zijn voor andere vrouwen. Daar wil ik me heel graag sterk voor maken’ Toch ging het bijna nog mis met afstuderen. ‘Ik liep een paar maanden stage bij een kartonfabriek. Op het moment van afstuderen kreeg ik te horen dat mijn stage werd afgebroken. Ik weet nog steeds niet waarom. Sowieso een reden die buiten mij om ging. Iets tussen school en het bedrijf. Daardoor liep ik bijna een jaar vertraging op.’ 

Maar toen kwam BioBTX?

‘Ja, ik kon meteen op gesprek komen. Ze hadden nog nooit een stagiair gehad, maar het was een heel leuk gesprek. Tijdens mijn studie dacht ik dat het mechanische gedeelte me meer trok. Maar toen ik hier kwam, bleek ik juist de chemische richting ook erg interessant te vinden. Tegen het einde van mijn stage einde zomer afgelopen jaar, gaf ik aan dat ik graag wilde blijven. Dat kon gelukkig. Ik ben nu de enige procesoperator hier. Dus ik zit hier aan de knoppen. Ik voel me helemaal op mijn plaats. Rijbewijs? Nee, die heb ik nog niet. Dus ik bestuur eerder een chemische installatie dan een auto.’  

En nu?

‘Ik heb geleerd om telkens één stap vooruit te kijken. In 2024 neemt BioBTX de eerste fase van de fabriek in Delfzijl in gebruik. Ik zou dan graag meewerkend voorvrouw willen zijn. Leidinggeven trekt me zeker, maar ik wil vooral ook met mijn handen blijven werken.’

iLinqs 2022

De industrie en andere technische sectoren hebben veel techniekhelden nodig. Zeker nu transitie en digitalisering steeds om meer en andere expertise vragen. Industrielinqs wil daarom helden uit de techniek in het zonnetje zetten. Tijdens iLinqs, Festival van de Industrie wordt op 22 juni in Rotterdam de winnaar bekend gemaakt.

Techniekhelden zijn technici die onmisbaar zijn voor het bedrijf of die iets bijzonders doen of hebben gedaan met grote impact. Heeft u een collega die u in het zonnetje wilt zetten? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl

 

 

 

Nordsol is begonnen met de bouw van haar bio-LNG-installatie. Deze komt op het terrein van Renewi in Amsterdam te staan. Shell gaat het bio-LNG aan haar klanten verkopen.

Met de ontwikkeling van deze productielocatie in Amsterdam Westpoort wordt de weg vrijgemaakt voor de eerste Nederlandse bio-LNG. Renewi haalt in heel Nederland organisch afval op, zoals producten van supermarkten die over de datum zijn. Vervolgens bewerkt Renewi het afval en zet het in vergisters om in biogas. De nieuwe bio-LNG-installatie, eigendom van Nordsol, verwerkt het biogas tot bio-LNG. Shell verkoopt deze bio-LNG bij haar LNG-tankstations.

CO2-reductie

Omdat bio-LNG wordt gemaakt van organisch afval, stoot deze brandstof bij gebruik veel minder CO2 uit dan conventionele diesel. Renewi, Nordsol en Shell verwachten daarom dat bio-LNG in de komende jaren een belangrijke rol gaat spelen in de verduurzaming van het zware weg- en watertransport.

Ook het productieproces zorgt voor CO2-reductie. Biogas bestaat uit ongeveer 60 procent methaan en 40 procent koolstofdioxide (CO2). Technologie van Nordsol maakt het mogelijk om zuiver methaan efficiënt van biogas te scheiden en te vervloeien tot bio-LNG. Het CO2-bijproduct wordt hergebruikt in de industrie. Dit proces leidt tot een volledig CO2-neutrale brandstof.

2021

De installatie kan al over een jaar operationeel zijn, doordat gestandaardiseerde modules elders worden gebouwd en op het terrein van Renewi op elkaar worden aangesloten. Per jaar kan de installatie straks 3.4 kiloton bio-LNG produceren. Dat staat gelijk aan zo’n 13 miljoen CO2- neutrale kilometers van een gemiddelde vrachtwagen.

Connie Paasse is sinds 4 november de nieuwe directeur van de Green Chemistry Campus in Bergen op Zoom. De Green Chemistry Campus is de een incubator die een totaaloplossing biedt voor innovatieve biobased ondernemers die opereren op het snijvlak van agro en chemie. Paasse gaat richting geven aan de strategie om dit verder uit te bouwen en te versnellen.

Voordat ze aan het werk ging in Bergen op Zoom was Paasse plantmanager bij BP Chembel in Vlaanderen. In haar loopbaan heeft ze zowel gewerkt met petrochemische als met hernieuwbare grondstoffen. Haar ervaring met het leiden van organisaties, het opzetten en uitvoeren van business strategieën en met de inzet van nieuwe technologie voor de duurzame benutting met grondstoffen maakt haar volgens de raad van commissarissen en aandeelhouders van de Campus bij uitstek geschikt om de Campus samen met het team de komende jaren verder uit te bouwen.

Nadat de vorige directeur Petra Koenders afgelopen juni wethouder werd van de gemeente Bergen op Zoom, hebben business development manager Marcel Ernes en manager operations Arjan Oostvogels samen het interim directeurschap vervuld. Paasse neemt de leiding nu van hen over.

 

ExxonMobil en Synthetic Genomics hebben deze maand een nieuwe fase aangekondigd in hun gezamenlijke onderzoeksprogramma naar algen als biobrandstof. Daarmee moet het technisch mogelijk worden om in 2025 dagelijks tienduizend vaten algenbiobrandstof te produceren.

Tijdens de nieuwe onderzoeksfase zullen de twee bedrijven veldonderzoek doen waarbij natuurlijk voorkomende algen in verschillende vijvers in Californië zullen worden gekweekt. Zodoende krijgt men meer inzicht in fundamentele technische parameters, waaronder viscositeit en doorstroming, iets wat in een laboratoriumopzet minder goed kan worden nagebootst. De resultaten van dit onderzoek zijn belangrijk om vast te stellen hoe de technologie kan worden opgeschaald ten behoeve van een potentiële commerciële toepassing.

Doorbraak

ExxonMobil en Synthetic Genomics werken sinds 2009 samen aan onderzoek en ontwikkeling van olie uit algen voor een hernieuwbare brandstof met minder CO2-emissies, als alternatief voor brandstoffen van vandaag. In 2017 kondigden zij al een doorbraak aan in hun algenonderzoek. Dit onderzoek resulteerde in een gemodificeerde algenstam waarmee het oliegehalte kon worden verdubbeld zonder dat de algengroei aanzienlijk werd belemmerd – één van de grootste uitdagingen naar een commerciële schaalbaarheid.

De wereldwijde vraag naar transportgerelateerde energie zal tot en met 2040 naar verwachting met ongeveer 25 procent toenemen. Het versneld verlagen van de uitstoot van de transportsector zal een cruciale rol spelen bij het verlagen van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.

 

 

Er zijn kansrijke biobased alternatieven voor een aantal omstreden polair aprotische oplosmiddelen. Dat blijkt uit een rapport van Wageningen Food & Biobased Research in opdracht van het RIVM.

De onderzoekers maakten een brede scan van nieuwe, marktrijpe biobased chemicals. Daarbij is specifiek ingezoomd op vervangers voor de polair aprotische oplosmiddelen NMP, DMAc en DM. Dit zijn stoffen waarvan het gebruik in de toekomst mogelijk wettelijk wordt beperkt in de EU. DMAc, kwam vorig jaar nog zeer negatief in het nieuws vanwege het vermeend veroorzaken van fertiliteitsproblemen bij vrouwelijke medewerkers van een chemiefabriek.

Industriële partners

In de studie is de technische haalbaarheid en beschikbaarheid van grondstoffen onderzocht en is gekeken of er al commerciële productie mogelijk is. Daan van Es, senior onderzoeker bij Wageningen Food & Biobased Research geeft aan dat verder onderzoek nodig is, om uitspraak te kunnen doen over effectiviteit, duurzaamheid en toxiciteit van de beoogde vervangers.

Een vervolgprogramma, waarin meerdere potentiële vervangers gemaakt en getest worden, zou daarom een belangrijk zijn. Van Es: ‘Het liefst zouden we met verschillende industriële partners de beoogde vervangers voor toxische stoffen in hun oplosmiddelen willen onderzoeken. Denk aan producenten van verven en industriële schoonmaakmiddelen maar ook producenten van biobased stoffen zelf.’

Tolueen en NMP

In het EU-BBI-project ‘Resolve’ ontwikkelt Wageningen Food & Biobased Research op dit moment al veilige alternatieven voor de op grote schaal gebruikte stoffen tolueen en NMP. ‘Resolve’ richt zich op het ontwikkelen van alternatieven met een totaal andere chemische structuur, zodat de chemische groepen die tolueen en NMP toxisch maken, worden vermeden. Bovendien zijn de alternatieven duurzaam, omdat ze worden gemaakt uit koolhydraatrijke reststromen zoals suikerbietenpulp.

De drie finalisten van de Plant Manager of the Year 2017 verkiezing zijn al even bekend. Tijd om deze drie mannen wat beter voor te stellen. Vandaag: Roelof van Wijk van Avebe in Foxhol.

Roelof van Wijk is locatiemanager van Avebe in Foxhol. Met zijn team heeft hij deze locatie weer op de kaart weten te zetten nadat het zelfs op de nominatie had gestaan om te worden gesloten. Een tijd lang is er daardoor minder in de locatie geïnvesteerd, was er minder aandacht vanuit het hoofdkantoor en was het bedrijf erg naar binnen gericht.

Avebe is een coöperatie van zetmeelaardappeltelers. Uit deze aardappels wordt zetmeel en eiwit gewonnen en bewerkt op productielocaties in Nederland, Duitsland en Zweden. ‘Avebe richt zich bij de vermarkting vooral op food, maar ook industriële applicaties en diervoeding zijn nog altijd relevante markten’, zegt Van Wijk. ‘Op onze locatie in Foxhol produceren wij zetmeelderivaten voor industriële toepassingen. Je ziet dus geen aardappelen op de locatie, het is een chemische plant die valt onder BRZO wet- en regelgeving.’

Vertrouwen

Van Wijk is er trots op dat zijn site de afgelopen jaren stappen heeft gemaakt. ‘Doordat de locatie ooit op de nominatie stond om te worden gesloten waren er op allerlei gebieden achterstanden. We zijn begonnen om vanuit veiligheid te gaan bouwen en procesveiligheidsrisico’s echt op te lossen. Door zaken te laten zien, werd hiermee een basis gelegd voor vertrouwen. Daarnaast ben ik gaan verbinden met de omgeving. Toen ik hier in 2012 kwam werken, was de relatie met de bewoners van Foxhol ernstig verstoord. Het vertrouwen in Avebe was laag, doordat we zo naar binnen waren gericht.’

De verkiezing van de Plant Manager of the Year wordt jaarlijks georganiseerd en is een initiatief van het Petrochem Platform, de VNCI en Votob in samenwerking met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam. De verkiezing draagt bij aan een positief imago van de Nederlandse procesindustrie door de inspanning en prestaties van plantmanagers te benoemen en te waarderen. Een jury, internetstemmers en de bezoekers van het congres Deltavisie bepalen op 8 juni de winnaar.

‘Ik heb veel gepraat met de afvaardiging van het dorpsbelang en kreeg zo boven water waar hun bezorgdheid zat. Dat konden we meenemen in onze besluiten over de ontwikkeling van de locatie. Op die manier bouw je een relatie op.’

Ook intern was het tijd voor verbinding. Van Wijk: ‘Het management kwam en ging. Veel medewerkers werken hier al lang en hebben alles een keer voorbij zien komen. We hebben daarom veel met de medewerkers gepraat. Vooral voorbeeldgedrag was en is een belangrijk element om invloed uit te oefenen op de medewerkers en locatie. Het is heel gemakkelijk om je hoofd te laten hangen, omdat er niet wordt geïnvesteerd in de locatie. Maar als je dat doet, ontstaat een negatieve sfeer. Ik heb juist gesproken over de kansen die we hebben, de eigen verantwoordelijkheid en eigen inbreng. Wij hebben zelf invloed op wat er op onze site gebeurt.’

De aanpak heeft effect, want het gaat een stuk beter in Foxhol. ‘Er is nu een positieve vibe’, zegt Van Wijk. Mensen kijken vooruit en hebben weer vertrouwen in de toekomst. Op dit moment worden er veel pilots op onze site gedaan met bijvoorbeeld alternatieve ploegenroosters, industrie 4.0 en programma’s over waarden en normen. Met al die zaken lopen we nu voorop, omdat we open staan voor nieuwe zaken.’

Relatiebeheer

Avebe richt zich vooral op eiwit en voeding. Hierdoor zijn er geen uitbreidingsplannen voor de locatie Foxhol. Voor Van Wijk reden om de locatie te richten op stabiliteit en winstgevendheid. ‘We willen dat de site nog efficiënter, beter en plezieriger wordt, zodat we een relevante bijdrage kunnen blijven leveren voor Avebe’. Dit schept mogelijkheden om delen locatie te ontwikkelen voor andere doeleinden.

Als Van Wijk de nieuwe Plant Manager of the Year wordt dan wil hij zich sterk maken voor relatiebeheer met omwonenden. ‘De maatschappij is tegenwoordig zo open dat je je buren goed moet betrekken in je plannen, je ontwikkelingen en alles wat speelt. In 2014 hebben we het hele dorp van negenhonderd inwoners uitgenodigd voor een tour over de locatie. Tweehonderd mensen gingen op de uitnodiging in en hebben we alles laten zien. Dat brengt betrokkenheid en het zorgt voor wederzijds begrip. En vlak ook niet uit wat het met medewerkers doet. Voor hen was het echt een moment om hun werk en trots te delen. Foxhol staat weer op de kaart.’

Roelof van Wijk neemt het in de finale op tegen Henk Veldink van Hexion en Emre Kaya van Organik Kimya.

Onderzoekers van Wageningen University & Research hebben samen met olie- en gasmaatschappij Total een nieuw proces ontwikkeld om langs biotechnologische weg organische zuren te produceren. De ontdekking van het micro-organisme Monascus ruber bleek de cruciale stap in het nieuwe proces. Deze schimmel is zeer geschikt voor de productie van organische zuren in grootschalige industriële fermentatieprocessen. De polymelkzuren die voortkomen uit het proces zijn bovendien biologisch afbreekbaar en hebben interessante nieuwe eigenschappen.

‘Total nam contact met ons op omdat zij zeer geïnteresseerd zijn in de duurzame productie van chemicaliën, waaronder organische zuren uit biomassa’, aldus professor Gerrit Eggink, accountmanager in het bilaterale project. ‘Deze zuren kunnen worden gebruikt als bouwstenen voor polymeren als polymelkzuur. Het nadeel van de micro-organismen die momenteel hiervoor worden ingezet, is dat ze groeien bij hoge pH-waarden. Hierdoor is de opwerking van organische zuren kostbaar en ontstaat er restafval, zoals gips. Total vroeg ons om een micro-organisme op te sporen dat groeit bij lage pH-waarden en tegelijkertijd bestand is tegen hoge concentraties organische zuren.’

In het lab in Wageningen brachten onderzoekers van Food & Biobased Research het genoom en de metabole routes van een aantal kansrijke micro-organismen in kaart. Uiteindelijk sprong de Monascus ruber schimmel er uit, vanwege de groeisnelheid bij hoge zuurconcentraties, genetische toegankelijkheid, patenteerbaarheid en veiligheid. De onderzoekers zijn erin geslaagd de schimmel bij een zeer lage pH-waarde te laten groeien, terwijl het organische zuren produceert en tolereert tot zeer hoge concentraties per liter.

Prettige bijkomstigheid is dat de Monascus ruber een food-grade schimmel is die wordt toegepast bij de productie van rode rijst. De schimmel staat als veilig geregistreerd, waardoor de weg naar verdere ontwikkeling open ligt. De labresultaten worden binnenkort op pilotschaal getest bij Total in de VS.

Transities naar duurzame processen en installaties hebben pilotfaciliteiten nodig. Daarvoor is een paar jaar geleden Plant One Rotterdam in het leven geroepen. Inmiddels heeft de hal op het Huntsman-terrein in de Rotterdamse haven verschillende opstellingen staan van uiteenlopende partners uit de industrie. Iedere twee maanden gaat Petrochem een paar interessante innovaties belichten van zijn nieuwe content partner. 

Gabriël Tschin, directeur van Plant One Rotterdam is trots op de verschillende testopstellingen, die langzamerhand een keten vormen van verschillende op duurzaamheid gerichte innovaties. Pyrolyse, recycling van kunststoffen, CO2-capture en hergebruik en zelfs de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van elektrolyse worden bij Plant One uitvoerig onderzocht. En ook wordt gekeken naar onderlinge versterkingen. Doordat het bedrijf verschillende vergunningen bezit en een hands-on mentaliteit de boventoon voert, kan snel resultaat worden geboekt.

Upcycling

Zo is bijvoorbeeld technostarter Ioniqa neergestreken bij Plant One Rotterdam. Hier wordt nu, in de nabije omgeving van onder andere PET-producent Indorama, gebouwd aan een scale-up installatie van 1.000 liter.  Met het proces van Ioniqa wordt het PET Polyester uit afvalstromen zoals PET-flessen, tapijten en kleding opgelost en weer afgebroken tot een kleurloze grondstof. Het is de hoogste graad van upcycling die we nu kennen: van lage kwaliteit restmaterialen opnieuw naar de hoogste kwaliteit basismaterialen. Het innovatieve en energiezuinige proces is gebaseerd op chemische circulaire recycling met slimme, magnetische vloeistoffen. De effectiviteit voor terugwinning van PET polyester is al bewezen. En wat nu kan met polyester uit ruwe olie als grondstof, kan op korte termijn mogelijk ook uit ander materialen. In de Magnetic Smart Process Technologie schuilt de belofte voor ook nog andere eindeloos terug te winnen materialen, in de nabije toekomst.

Op een soortgelijke wijze wordt met verschillende technostarters, maar ook bijvoorbeeld grote energie-, technologie- en chemiebedrijven samengewerkt. Zelf investeert Plant one Rotterdam ook in verschillende installaties, bijvoorbeeld op het gebied van pyrolyse.

De biogebaseerde nieuwe kunststof PEF, waarmee het bedrijf uitgebreid in het nieuws kwam, is niet de enige troef voor technologiebedrijf Avantium. Inmiddels wordt binnen verschillende projecten aan nieuwe innovaties gewerkt. Een daarvan is het Zambezi-project. Daarbinnen wordt aan een bioraffinaderij gewerkt die houtsnippers omzet in voedingsmiddelen, chemische bouwstenen en brandstof. Het Zambezi-project staat in de finale van de Enlightenmentz of the Year verkiezing in de categorie project. De winnaars worden tijdens het Duurzaam Geproduceerd congres op 20 januari bekend gemaakt.

Een Project Enlightenment is een industriële investering met duidelijke verduurzamende doelstellingen. Door te investeren in een nieuwe installatie wordt bijvoorbeeld structureel veel water of energie bespaard of komt een grote CO2-reductie tot stand. Het project kan ook de footprint verlagen door gebruik van duurzamere grondstoffen.

Wie zit er achter?
Het Amsterdamse technologiebedrijf Avantium, ook bekend als de ontwikkelaar van PEF als bio-alternatief voor de kunststof PET.

Wat is Zambezi?
Binnen het project Zambezi wordt een bioraffinaderij ontworpen die onder andere zuivere glucose gaat maken uit houtsnippers. De raffinaderij krijgt drie productstromen. Het is de verwachting dat de installatie straks voor een derde lignine oplevert, dat vooralsnog in energie zal worden omgezet. Overigens wordt veel onderzoek gedaan naar omzetting van lignine naar hoogwaardigere producten. Een ander derde deel van de opbrengst van de bioraffinaderij zal bestaan uit verschillende suikers, met verschillende toepassingsmogelijkheden waaronder kunststoffen.

En een derde deel wordt dus zuivere glucose. Gert-Jan Gruter (Chief Technology Officer van Avantium): ‘Het product is dusdanig zuiver dat het zelfs geschikt zou kunnen zijn voor de voedingsmiddelenindustrie. Zoetstoffen en bindmiddelen uit hout dus! Twee studenten van de diëtetiekopleiding van de Hanzehogeschool in Groningen hebben marktonderzoek gedaan en kwamen tot de conclusie dat veel bedrijven uit de foodsector zeker geïnteresseerd zijn in deze nieuwe ingrediënten. Er wordt hier en daar nog wel kritisch gereageerd. Er zouden furanen zoals furfural en HMF zitten in glucose uit houtachtige biomassa. Maar dat gebeurt alleen bij hydrolyseprocessen die onder hogere temperaturen plaatshebben. Wij hebben juist een proces op kamertemperatuur ontwikkeld. Geweldig toch dat we zowel energie, grondstoffen voor de chemie als ingrediënten voor de voedingsmiddelenindustrie kunnen produceren uit agro- en houtafval. Dan heb je ook geen discussie meer over het gebruik van zetmeel voor chemie.’

Hoe staat het er voor met Zambezi?
Inmiddels wordt een proefinstallatie gebouwd op het Limburgse chemieterrein Chemelot. De volgende fase na de proefopstelling is de bouw van een volwaardige fabriek. Hiervoor lijkt volop interesse. Zowel Amsterdam als de Eemsdelta zijn zeer geïnteresseerd in de komst van een dergelijke bioraffinaderij. Voordeel is dat de technologie die door Avantium wordt ontwikkeld, is gebaseerd op een proces dat al een eeuw oud is. Gruter: ‘Omdat we voortborduren op een bestaand proces, het aantal stappen minder is en de belangrijkste producten bestaande bulkprodukten zijn, verwacht ik dat er veel eerder een business case is.’

De Bergius-technologie werd vanaf 1916 ontwikkeld en vanaf 1935 commercieel toegepast voor de productie van zuivere glucose. De technologie werd gaandeweg minder populair doordat het zeer energie-intensief is. Gruter: ‘Dat hebben we met een aantal aanpassingen aangepakt, waardoor de technologie momenteel weer zeer interessant is. Het leuke is dat een dergelijke raffinaderij gewoon in Nederland gebouwd kan worden, gevoed met lokale grondstoffen. We hebben al eens met Staatsbosbeheer berekend hoeveel wij nodig hebben en hoeveel organisch afval er jaarlijks uit de bossen komt. Dat komt aardig met elkaar overeen.’

Waarom moet Avantium met het Zambezi-project de Project Enlightenmentz winnen?
Avantium lijkt met het Zambezi-project korte metten te maken met de spagaat waarin de chemie zich kan bevinden als het gaat om de inzet van biomassa. Het mag niet ten koste gaan van de beschikbaarheid van voedsel. Hier worden juist voedingsmiddelen, ofwel zuivere glucose, toegevoegd vanuit reststromen. Afval wordt dus voedsel! Als dat geen Cradle2cradle is?

De Enlightenmentz of the Year verkiezing is in het leven geroepen door uitgeverij Industrielinqs en is bedoeld om producten en processen die de groene industriële revolutie kunnen veroorzaken een duwtje in de rug te geven. De verkiezing kent drie categorieën: process, project en social. In januari stellen we de finalisten een voor een aan u voor. Kijk hier voor een overzicht van alle finalisten. De winnaars worden bepaald door een jury (verdeelt 60 punten), de bezoekers van het Duurzaam Geproduceerd congres (20 punten) en internetstemmen (20 punten). Vanaf 13 januari kan er via internet worden gestemd.

Op de Green Chemistry Campus, op het terrein van SABIC in Bergen op Zoom, werken ondernemers, overheden en kennisinstellingen aan biobased innovaties op het snijvlak van agro en chemie. De afgelopen vijf jaar zijn mooie resultaten geboekt. Om het succes verder uit te bouwen, slaan bedrijven, lokale overheden en de provincie Noord-Brabant de handen ineen met nieuwe investeringen en nieuwe samenwerkingen.

Vanuit samenwerking worden bijvoorbeeld vanuit reststromen van de landbouwsector vezels, eiwitten en suikers gehaald die met behulp van nieuwe technologieën worden verwerkt in hoogwaardige biobased materialen, chemicaliën en coatings. Zo wordt op het terrein van SABIC afval, afkomstig van onder andere voedselverwerkende bedrijven uit de directe omgeving, als grondstof benut.

Voor dergelijke onderzoeksprogramma’s zijn vier zaken van belang: toegang tot grondstoffen, faciliteiten, markttoegang en financiering. Op basis van de opgedane ervaring in de afgelopen vijf jaar en gesprekken met ondernemers, overheid en onderwijs breidt de Campus haar aanbod uit. Zo komt op de Campus een demoruimte en op termijn aanvullende huisvesting en laboratoriumruimte. Ook wordt de samenwerking met Chemelot (materiaalontwikkeling) geïntensiveerd.

Een andere ontwikkeling is dat de Campus met de hulp van industriële partijen uit de regio ondernemers gaat scouten en coachen op het gebied van marktgerichte biobased toepassingen en -technologie. Bedrijven kunnen daarnaast instappen in een toenemend aantal thematische clusters waaronder biobased aromaten, kleurstoffen, vezels, bioplastics, verpakkingen en bouwproducten. Hierin werken bedrijven, onderzoeks- en onderwijsinstellingen samen volgens het principe van open innovatie.

De opschaling van de Campus past in een breed gedragen ambitie van lokale en regionale overheden om ondernemers een wereldwijd uniek biobased ecosysteem te bieden in de driehoek van Zeeland, Noord-Brabant en Zuid-Holland: de Biobased Delta. Zo investeert aandeelhouder Provincie Noord-Brabant ook de komende jaren in de Campus en in de hele Biobased Delta. Naast de provincie dragen ook gemeente Bergen op Zoom en NV REWIN West-Brabant en de gemeenten Steenbergen en Moerdijk bij aan het biobased ecosysteem.

(Hoofdfoto: Ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst door vlnr Annemarie Vrijenhoek – De Vries (gemeente Bergen op Zoom & NV Indumij), Bert Pauli (provincie Noord-Brabant), Peter van den Dorpel (Green Chemistry Campus), Leon Kalle (SABIC) en Henk Rosman (NV REWIN West-Brabant))