In het eerste kwartaal van 2022 was de uitstoot van broeikasgassen 11 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2021. Dat komt vooral doordat een kwart minder aardgas is verbruikt. Dit melden het CBS en RIVM/Emissieregistratie op basis van de voorlopige kwartaalcijfers over de broeikasgassenuitstoot conform de richtlijnen van de IPCC.

In de elektriciteitssector, de landbouwsector, de industrie en de gebouwde omgeving verminderden de CO2-emissies. Dat komt vooral doordat minder aardgas is verbruikt. De hoge aardgasprijzen speelden een rol, maar ook was het eerste kwartaal van 2022 relatief warmer dan hetzelfde kwartaal in 2021. Dit laatste heeft vooral een dempend effect op het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving.

Energiecentrales

De elektriciteitssector heeft door een productiedaling 14 procent minder broeikasgassen uitgestoten. Ondanks het feit dat er meer steenkolen zijn verstookt in plaats van aardgas. Ook de toename van de productie uit hernieuwbare bronnen droeg bij aan de lagere uitstoot. De lagere elektriciteitsproductie ging gepaard met minder elektriciteitsverbruik, dat onder andere veroorzaakt werd door de hogere energieprijzen.

Nationale uitstoot

Het CBS berekent ook de uitstoot van CO2 door alle Nederlandse economische activiteiten volgens de nationale rekeningen. Hierbij wordt in vergelijking met de uitstoot volgens de IPCC-definities ook de CO2-uitstoot van de internationale lucht- en zeevaart en de uitstoot door verbranding uit biomassa meegenomen.

De CO2-uitstoot door de Nederlandse economie was in het eerste kwartaal 9,9 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2021, terwijl het bruto binnenlands product (bbp) in diezelfde periode met 7 procent groeide. Voor vrijwel alle sectoren van de economie geldt dat de productie fors hoger lag, terwijl de CO2-emissies lager waren.

Luchtvaart

De transportsector vormt hierop de grootste uitzondering. Deze sector heeft 13,5 procent meer CO2 uitgestoten dan een jaar eerder, de toegevoegde waarde groeide met 15,7 procent. De toename van de emissies is vooral toe te schrijven aan het gedeeltelijke herstel van de luchtvaart. De CO2-emissies van de Nederlandse luchtvaart waren 49 procent hoger dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Ook de emissies door de binnenvaart waren hoger, ruim 13 procent ten opzichte van het eerste kwartaal van 2021. De zeevaart stootte in het eerste kwartaal minder uit dan een jaar eerder.

De CO2-emissies in de Rotterdamse haven zijn voor het eerst sinds 2016 weer gestegen. In 2021 lag de uitstoot één megaton hoger dan in 2020, een stijging van 4,4 procent.

De stijging van de CO2-uistoot werd voornamelijk veroorzaakt door de twee kolencentrales op de Maasvlakte, die samen 2,4 megaton meer uitstootten. Dit is een toename van tachtig procent. Een van de kolencentrales was in 2020 uit productie en is in 2021 weer gaan draaien. De andere kolencentrale had in 2021 bijna 20 procent meer productie dan het jaar ervoor.

Daar tegenover stond een daling van 1,5 megaton bij de uitstoot van de drie gascentrales. Een daling van veertig procent. Door de sterk gestegen gasprijzen in de loop van 2021 werd opwekking met kolen goedkoper.

CO2-reductie

De Rotterdamse haven heeft een ambitieus CO2-reductieprogramma. Lopende projecten op het gebied van onder andere CO2-afvang en -opslag, elektrificatie, waterstof en de productie van schone brandstoffen kunnen samen voor een CO2-reductie van in totaal 23 Megaton CO2 in en buiten de haven zorgen. Dat is 35 procent van de totale Nederlandse doelstelling voor 2030. Deze veelal complexe projecten vergen een lange voorbereidingstijd en faciliterende wet- en regelgeving.

Neerwaartse trend

De verwachting is dat de toename van de uitstoot in 2021 tijdelijk is en de komende jaren de neerwaartse trend weer te zien zal zijn. Enerzijds als gevolg van realisatie van deze projecten, anderzijds omdat van 2022 tot en met 2024 de Nederlandse kolencentrales op niet meer dan 35 procent van hun capaciteit mogen draaien.

Hoewel het opslaan en recirculeren van CO2 vaak in één adem worden genoemd, zijn het twee heel andere takken van sport. Beide opties zijn noodzakelijk om de CO2-uitstoot terug te dringen en de energie- en grondstoffen­transitie vlot te laten verlopen. Volgens Earl Goetheer van TNO en Peter Moser van RWE moeten toegevoegde waarde en energie­verbruik wel in balans zijn om de businesscase en de levenscyclusanalyse sluitend te krijgen.

Soms kunnen ontwikkelingen die al lang gaande zijn ineens in een versnelling komen. Want waar CCUS-expert Earl Goetheer van TNO tijdens de European Industry & Energy Summit begin december nog hoopvol meldde dat de ondertekening van het Rotterdamse CCS-project Porthos in 2022 zou plaatsvinden, kwamen de betrokken partijen voor het einde van 2021 al met het verlossende woord. Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell gaan definitief in zee met Porthos voor het transport en de opslag van CO2. De bedrijven gaan vanaf 2024 samen jaarlijks 2,5 miljoen ton CO2 van hun installaties in Rotterdam afvangen.

De snelheid waarmee het project nu van de grond komt, heeft veel te maken met de zorgen die de Europese Unie en het nieuwe Nederlandse kabinet hebben uitgesproken rondom klimaatverandering. In het regeerakkoord is voorlopig 35 miljard euro vrijgemaakt voor vergroening van de industrie. CCUS is daar een niet te missen onderdeel van. Of zoals Goetheer het beschrijft: ‘Het is onderdeel van het team dat nodig is om de CO2-emissies met de helft terug te dringen in 2030 en zelfs geheel te stoppen in 2050.’

‘Beide vormen, CCU en CCUS, zijn nodig om echt alle CO2 uit het systeem te halen.’

Earl Goetheer, expert carbon capture & utilisation TNO

Goetheer somt de andere teamleden nog even op: ‘Hernieuwbare, biologische grondstoffen, elektrificatie, proces efficiency en circulaire grondstoffen zijn allemaal belangrijke spelers in de transitie. Je kunt niet zomaar één van de vijf opties wegnemen zonder dat het hele team instort. CCS mag van de vijf in vele ogen de minst aantrekkelijke zijn, maar is wel noodzakelijk om snel CO2-uitstoot te beperken. En het afvangen en ondergronds opslaan van kooldioxide is ook niet nieuw. De Noren doen het al sinds 1996 in het offshore Sleipner-veld. Waar men een ondergrondse waterhoudende laag gebruikt om inmiddels twintig megaton CO2 op te slaan.’

Businesscase

Dat de ontwikkelingen nu sneller gaan, heeft natuurlijk veel te maken met de ingrepen van de Europese en rijksoverheid in het energiesysteem. Het Emission Trade Scheme (ETS) was ooit al ingericht om de CO2-uitstoot terug te dringen, maar de prijzen van twintig euro per ton uitstoot zette de industrie nog niet in beweging. ‘Inmiddels zien we prijzen van rond de tachtig euro per ton en dat maakt een hoop projecten een stuk interessanter’, zegt Goetheer. ‘De bij het Porthos-project betrokken partijen berekenden namelijk dat het afvangen, transporteren en offshore opslaan van de CO2 van een aantal Rotterdamse fabrieken zo’n vijftig euro per ton zal kosten. De huidige ETS-prijzen dekken de investering dus al en de verwachting is dat de prijzen alleen nog maar zullen stijgen.’

Nederland is overigens verre van de enige met CCS-ambities. De meeste landen rond de Noordzee hebben wel plannen klaarliggen voor een vorm van afvang en opslag. Zo meldden de Noorse kranten onlangs nog een investering van 2,1 miljard euro in CCS bij een cementfabriek en een afvalenergiecentrale. ‘Het verschil tussen de projecten in zowel Nederland als Noorwegen zit met name in de keuze voor afvang vóór of na verbranding. De oorsprong van de CO2 in het Noorse Sleipnerveld is aardgas dat voordat het aan land werd gebracht werd gescheiden in blauwe waterstof en CO2. De CO2 die van de fabrieken komt, zal vanaf de schoorsteen worden afgevangen, dus na verbranding. Deze vorm van CO2-afvang is een stuk minder eenvoudig en efficiënt en dus duurder dan de variant voor verbranding. In Rotterdam kiest men dan ook voor de variant waarbij eerst blauwe waterstof wordt gemaakt uit aardgas om de CO2 vervolgens op te slaan. Bijkomend voordeel is dat men op dezelfde manier de productiegassen die vaak overblijven bij petrochemische processen kan decarboniseren.’

co2

In Niederaussem (Duitsland) zoekt RWE de meest waardevolle toepassing van het kooldioxide molecuul.(c) RWE

Natuurlijk heeft niet ieder proces de luxe om blauwe waterstof te kunnen inzetten. Net als de Noren, verbrandt ook het Nederlandse AVR koolstofrijke afvalstromen om er elektriciteit en warmte van te maken. Ook hier vangt men na die verbranding de CO2 in de rookgassen af om dit vervolgens naar tuinders in de nabije omgeving te brengen. ‘Normaal gesproken zou AVR in de winter geen afzet meer hebben’, zegt Goetheer. ‘De groeiperiode is immers voorbij, maar momenteel is er zelfs een tekort aan CO2 in de markt. En dus gaat de CO2 nu naar industriële afnemers.’

‘Bepaalde vormen van biomassa kunnen de nodige energie leveren om de tekorten waar nodig op te vullen.’

Peter Moser, hoofd emissiereductietechnologie RWE

Grondstof

Die laatste toepassing is een voorbeeld van carbon capture and utilization, ofwel CO2 niet opslaan, maar gebruiken als grondstof. Hoewel CCU vaak voor het gemak wordt gecombineerd met CCS (CCUS), zijn het volgens Goetheer twee andere takken van sport. ‘Ook hier geldt dat beide vormen nodig zijn om echt alle CO2 uit het systeem te halen. Nu is CO2 voor de tuinbouwsector nog redelijk eenvoudig. Er chemische grondstoffen van maken, is echter best complex en energie-intensief. CO2 bestaat namelijk voor 73 procent uit zuurstof, is vaak niet puur en ook niet gratis. Wie op een economisch en ecologisch verantwoorde manier CO2 wil hergebruiken, moet dan ook rekening houden met een aantal vuistregels. De eerste is dat je niet zou moeten streven naar volledige CO2-reductie. Er is namelijk heel veel energie nodig om ook dat laatste beetje aan te pakken. Streef bovendien naar een zo hoog mogelijke moleculaire massa. En houd waar mogelijk de functionaliteit van het molecuul intact. Probeer ook niet tegen de wetten van de thermodynamica in te gaan en laat de levenscyclusanalyse leidend zijn voor de keuzes die je maakt.’

In de hiërarchie die uit de vuistregels van Goetheer komt bovendrijven hebben koolwaterstoffen de meeste waarde, maar de productie ervan gaat wel gepaard met veel energie. Wat dat aangaat zijn chemische bouwstenen als mierenzuur interessanter omdat niet alle zuurstof eruit hoeft te worden gereduceerd. De kunst is dus de balans te vinden tussen toegevoegde waarde en energiekosten.

Negatieve emissies

Die hiërarchie moet Peter Moser, hoofd emissiereductie technologie van RWE, als muziek in de oren klinken. De Duitse energiegigant krijgt in de nabije toekomst een andere rol in het industriële landschap. Circulaire CO2 is daarbij een belangrijk element. Gezien de beperkte toegang van de Duitse vestigingen tot offshore opslaglocaties, focust RWE zich sowieso meer op CCU. ‘Als we dat slim doen, kunnen we zelfs negatieve emissies bereiken’, zegt Moser. ‘RWE heeft al ervaring met de inzet van biomassa voor de opwekking van energie en warmte. Hoewel we ook veel geld steken in duurzame energiebronnen als zonne- en windenergie, heeft het energiesysteem nog steeds basislast nodig. Je moet immers capaciteit achter de hand hebben als de zon niet schijnt en de wind niet, of niet hard genoeg waait. Een deel van die dunkelflaute is op te vangen met waterkracht of batterijen, maar zelfs als we alles optimaal kunnen inzetten, is dat niet genoeg om de huidige vraag af te dekken. Laat staan als de vraag toeneemt. Bepaalde vormen van biomassa kunnen de nodige energie leveren om de tekorten waar nodig op te vullen. De CO2 die we afvangen aan de schoorsteen kunnen we vervolgens gebruiken als basis voor diverse chemische bouwstenen of transportbrandstoffen voor bijvoorbeeld de luchtvaart.’

Chemische basisproducten

De mooie plannen van Moser worden gestaafd door een groot aantal onderzoeksprojecten waar RWE bij betrokken is. Het bedrijf heeft zelfs een eigen CCU Campus in Niederaussem. Daar zoekt men de meest waardevolle toepassing van het kooldioxide molecuul. Het meest eenvoudig is nog altijd om CO2 in te zetten voor de groei van planten of direct als procesgas voor de industrie. Maar de hogere toegevoegde waarde ligt bij de chemische industrie, met name polyurethaan of in energieopslag in koolwaterstoffen.

Neem bijvoorbeeld Align-CCUS, dat CO2 van bruinkoolcentrales opvangt en omzet in onder andere Dimethyl Ether (DME), een synthetische brandstof die een duurzaam alternatief is voor diesel. Bijkomend voordeel is dat bij de verbranding geen stikstof ontstaat en DME geen zwavel bevat. Een ander consortium van bedrijven en onderzoeksinstellingen kijkt onder de naam Take-Off naar de inzet van CO2 en waterstof voor de productie van sustainable aviation fuel (SAF).

c02

Met rioolslib als basis wil RWE samen met BP een keten inrichten waar alle energie en grondstoffen van de biomassa wordt gebruikt. (c) Adobestock

Ook aan de chemiekant is RWE betrokken bij een aantal interessante projecten. Zo bekijkt het bedrijf in het Ocean-project of het mogelijk is op elektrochemische wijze oxaalzuur te produceren uit CO2. Door oxidatie en reductiereacties te combineren denkt men het stroomverbruik te kunnen temperen.

Terwijl de onderzoekers in het Loter.CO2M-project proberen de productie van methanol uit CO2 te vereenvoudigen. De geproduceerde methanol is basis voor een scala aan basischemicaliën.

Methanol of alcohol heeft overigens ook veel belangstelling als transportbrandstof. Nu al wordt bio-ethanol aan benzine en diesel toegevoegd, maar kan met enige aanpassingen ook puur worden gebruikt als transportbrandstof. RWE rondde het MefCO2 project al af en biedt ook onderdak aan het EcoFuel-project dat de C3 en C4 alcoholen meeneemt in het onderzoek.

Alle onderzoeken komen ongeveer samen in het project NRW-Revier-Power-to-BioJetFuel, waar RWE momenteel de haalbaarheid van bestudeert. Met rioolslib als basis wil RWE samen met BP een keten inrichten waar alle energie en grondstoffen van de biomassa wordt gebruikt. Het slib kan worden verbrand of via hogetemperatuurconversie worden omgezet in biogas. De kooldioxide die bij de verbranding wordt afgevangen kan samen met waterstof uit elektrolyse weer worden omgezet in synthetische vliegtuigbrandstof. De demonstratiefabriek zou jaarlijks tienduizend ton product moeten produceren.

De kolencentrale van Onyx Power in Rotterdam krijgt subsidie om vrijwillig en volledig te sluiten. Het gaat om maximaal 212,5 miljoen euro subsidie. Zodra aan alle voorwaarden zijn voldaan, moet de centrale binnen twee maanden stoppen met kolen en binnen drie jaar zijn ontmanteld.

Met het uitfaseren van de kolencentrale wordt de energievoorziening in Nederland schoner. De Onyx-centrale stoot nu nog jaarlijks zo’n 3 megaton CO2-uit. De resterende drie Nederlandse kolencentrales blijven de komende jaren overigens nog wel nodig om stroom te leveren als er veel vraag naar is, bijvoorbeeld in periodes van weinig wind en zon.

Aan de subsidie zijn een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet Onyx Power een adequaat sociaal plan vaststellen en steun geven aan werknemers die hun baan verliezen. Ook moet de Europese Commissie uitsluitsel geven dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Zodra aan deze voorwaarden is voldaan, krijgt de centrale twee maanden de tijd om definitief te stoppen met de elektriciteitsproductie met kolen. Vervolgens duurt de ontmanteling van de centrale maximaal drie jaar.

Publieke opinie

Onyx Power is een dochter van het Amerikaanse Riverstone. Dit investeringsbedrijf nam de kolencentrale eind 2019 over van Engie. De centrale op de Maasvlakte heeft een vermogen van 731 MW en is pas sinds 2015 in bedrijf. Bij het plannen van de centrale – op verzoek van minister Laurens Jan Brinkhorst – wogen diversificatie van het energieaanbod, lage energieprijzen en leveringszekerheid zwaarder dan de nadelen voor het milieu. Sindsdien is de publieke opinie behoorlijk verschoven.

De broeikasgasuitstoot is weer bijna op hetzelfde niveau als voor de coronapandemie. In het tweede kwartaal van 2021 ligt de uitstoot elf procent hoger dan hetzelfde kwartaal vorig jaar. Dit komt door hoger aardgasverbruik in de industrie en gebouwde omgeving en dat er weer meer activiteit is in de transportsector. Dit melden het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het RIVM.

De industrie heeft in het tweede kwartaal van dit jaar ongeveer 14 procent meer geproduceerd dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Hiervoor was meer energie (voornamelijk aardgasverbruik) nodig en mede daardoor lagen de emissies door de industrie ongeveer 13 procent hoger dan een jaar eerder.

De transportsector (inclusief luchtvaart) heeft 23,5 procent meer CO2 uitgestoten dan een jaar eerder. Dit komt onder meer door het gedeeltelijke herstel van de luchtvaart. Vorig jaar lag de luchtvaart immers bijna plat door de lockdown. In vergelijking met twee jaar geleden was de uitstoot door de luchtvaart nog ongeveer de helft lager.

Elektriciteitssector

In het tweede kwartaal van 2021 heeft de elektriciteitssector nauwelijks meer uitgestoten dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder (2 procent). Deze ontwikkeling is vrijwel gelijk aan die van de elektriciteitsproductie. De aardgascentrales hebben wel minder geproduceerd vanwege de stijgende gasprijzen op de wereldmarkt, maar dit is deels gecompenseerd door de hogere elektriciteitsproductie door de kolencentrales.

Koud

Net als een kwartaal eerder hebben huishoudens in het tweede kwartaal meer gas verbruikt dan in hetzelfde kwartaal van 2020. Dit kwam voornamelijk door het koudere weer. Hierdoor is de uitstoot door de gebouwde omgeving (huishoudens en kantoren) zo’n 34 procent hoger dan in het tweede kwartaal van 2020.

Het was niet alleen kouder, maar ook minder zonnig dan hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Hierdoor had de landbouw meer elektriciteit nodig voor de belichting van kassen. De glastuinbouw haalt zijn elektriciteit voor een groot deel uit de inzet van aardgas voor eigen warmtekrachtinstallaties (wkk), waardoor ook de landbouw meer broeikasgassen uitstootte (7 procent).

Nu de coronapandemie op haar laatste benen loopt, komt de klimaatcrisis weer op het voorplan. Dat het een echte crisis is, werd de laatste maanden steeds duidelijker door extreem weer zowat overal ter wereld: verschroeiende droogte en bosbranden in de Verenigde Staten, Canada en Siberië, extreme regenval en overstromingen in Europa en China. Alhoewel droogte en regenval tegengestelde fenomenen zijn, worden ze toch beide veroorzaakt door de opwarming van de aarde: die leidt namelijk tot een sterke toename van extreem weer in alle richtingen.

Titanic

Begin augustus bracht het IPCC haar zesde klimaatrapport uit. Volgens het rapport is de aarde door menselijk handelen al 1,1 graad opgewarmd. Die opwarming kan deze eeuw verder oplopen tot 5 graden en dat is een regelrecht catastrofescenario. Het IPCC heeft door geduldig onderzoek nagenoeg alle onzekerheden over de klimaatverandering uit de weg geruimd. Waar we uitkomen blijft echter de grote vraag, want er rest één onzekerheid en dat is het gedrag van de mensheid en de hoeveelheid broeikasgassen die deze nog zal uitstoten.

Wat betreft die uitstoot werden er tot nog toe vooral veel rapporten geschreven met grootse plannen, maar in de praktijk is er vooral aangemodderd en gebeurde er op het terrein heel weinig. Er werd vooral creatief gerekend en gecommuniceerd, om de anderen en misschien ook zichzelf iets wijs te maken. De papieren beloften en duurzaamheidsrapporten blijken een soort theater: voor het bedrijf een handig communicatiemiddel, voor het communicatiebureau een broodwinning zoals een ander. Samen de kluit belazeren door de indruk te geven dat er wat gebeurt. Zoals Greta Thunberg terecht opmerkte is dit soort “activiteit” zeer negatief, nog erger dan geen actie eigenlijk. Het is zoals het orkest op de Titanic dat slaapliedjes speelde zodat iedereen rustig bleef. Pas toen het schip ernstig slagzij maakte, brak de paniek uit, maar was het al te laat voor actie.

Ontkenning

De grote olie majors hebben de laatste decennia miljarden uitgegeven aan de beïnvloeding van de publieke opinie tegen klimaatmaatregelen. Er is zeer doelbewust desinformatie verspreid, onzekerheden in de klimaatmodellen werden uitvergroot en ontkenners van de klimaatverandering werden financieel ondersteund. Dit is in 2019 door Naomi Oreskes van Harvard University en anderen aangetoond in hun rapport “America misled: how the fossil industry deliberately misled Americans about climate change”. Aan iedereen vertellen dat klimaatverandering fictie is, terwijl je eigen wetenschappers het omgekeerde beweren, dat is immoreel en je betaalt er vroeg of laat de prijs voor. Er zit een vloedgolf aan gerechtelijke acties tegen big oil aan te komen.

De oliemaatschappijen vervuilden immers niet enkel de lucht, ze vervuilden ook het informatielandschap. Ze wisten heel goed dat hun product schade aanrichtte en hebben doelbewust de maatschappij belogen. Hun doelstelling was duidelijk: vermijden dat er actie komt, zodat alles kan blijven zoals het is. We hebben op die manier al dertig jaar tijd verloren sinds het eerste klimaatrapport van het IPCC in 1990. Kostbare tijd die we nu duur betalen, want het moet nu allemaal in hoog tempo veranderen en de fossiele investeringen zullen snel waardeloos worden. Het is onbegrijpelijk dat er nog steeds geld wordt uitgegeven aan olie- en gasexploratie terwijl de meeste olie en gas gewoon in de grond moet blijven zitten. De oliemaatschappijen leven dus nog steeds in een staat van ontkenning.

Schouders eronder

Het nieuwste IPCC-rapport is niet deprimerend, integendeel, het is hoopgevend. Het rapport stelt dat we onze toekomst nog in handen hebben. Als we de uitstoot snel naar nul brengen, kunnen we de opwarming nog beperken tot minder dan 2 graden. Maar dan moeten we nu wel doortastend handelen, want de leefbaarheid van de aarde staat op het spel. De hele fossiele sector moet deel van de oplossing worden in plaats van de kern van het probleem. Van obstructie naar constructie, want de hand moet nu echt aan de ploeg. De pandemie heeft ons geleerd dat we grote uitdagingen aankunnen, als we er maar onze schouders onder zetten. Genoeg getreuzeld en geleuterd, hoog tijd voor echte klimaatactie.

 

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

Blauwe waterstof is niet altijd een milieuvriendelijker oplossing, concluderen onderzoekers van Cornell en Stanford University. De energie die nodig is voor koolstofafvang en -opslag verhoogt het gebruik van aardgas en dat verhoogt het risico op methaanemissies. Verrassend genoeg is de voetafdruk van blauwe waterstof meer dan twintig procent groter dan het verbranden van aardgas of steenkool voor warmte en zo’n zestig procent groter dan het verbranden van dieselolie voor warmte. Niet iedereen is het overigens eens met de uitgangspunten van de Amerikanen.

Waterstof wordt vaak gezien als een belangrijke energiedrager in een toekomstige koolstofarme wereld. Momenteel wordt de meeste waterstof geproduceerd door steamreforming van methaan (grijze waterstof) waarbij de kooldioxide de lucht in gaat. Door de koolstof ondergronds op te slaan voorkomt men dat het broeikasgas in de atmosfeer terecht komt. Veel partijen hebben dan ook plannen om deze zogenaamde blauwe waterstof in te zetten als vervanger voor aardgas of grijze waterstof.

Broeikasgas

Onderzoekers van de Cornell en Stanford University toetsten de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van blauwe waterstof en kwamen tot de conclusie dat het afvangen en ondergronds opslaan van CO2 negatief uitpakt voor blauwe waterstof. De onderzoekers hielden rekening met de uitstoot van zowel kooldioxide als onverbrande methaan.

Met name de methaanuitstoot doet volgens de onderzoekers blauwe waterstof de das om. Zij gingen er vanuit dat maar liefst 3,5 procent van het totale aardgasverbruik in de atmosfeer terecht komt. En methaan is een veel sterker broeikasgas dan CO2.  Met die aannames was de totale kooldioxide-equivalentemissie voor blauwe waterstof slechts 9 tot 12 procent lager dan voor grijze waterstof. Het verschil zit met name in het feit dat er ook energie nodig is om CO2 af te vangen en op te slaan.

Meer uitstoot dan bij steenkool of gas

Opvallende conclusie van de wetenschappers was dat de broeikasgasvoetafdruk van blauwe waterstof meer dan twintig procent groter is dan de verbranding van aardgas of steenkool voor warmte. En ongeveer zestig procent groter dan de verbranding van dieselolie voor warmte.

Ook bij lagere methaanemissies van 1,54 procent zijn volgens de auteurs van het onderzoek de broeikasgasemissies van blauwe waterstof nog steeds groter dan die van het gewoon verbranden van aardgas. en slechts 18 tot 25 procent kleiner dan die van grijze waterstof.

Reacties

Inmiddels hebben meerdere wetenschappers gereageerd op het onderzoek. Zo vindt men de aannames van 3,5 procent methaanemissies aan de hoge kant. Ook vraagt men zich af of de onderzoekers wel de laatste technieken hebben meegenomen voor pre combustion CO2-afvang. Men is het wel eens met de onderzoekers dat overheden scherp moeten blijven op het effect van blauwe waterstof voor de totale broeikasgasemissies.

Consultancy bedrijf Roland Berger doet voor Tata Steel en FNV een onafhankelijk haalbaarheidsonderzoek naar de beste manier om de staalproductie te verduurzamen. Tata Steel wil in 2030 veertig procent minder CO2 uitstoten.

Het onderzoek betreft twee routes. De eerste is het afvangen en opslaan van een deel van de CO2 die vrijkomt uit de restgassen van hoogovens. Uit de restgassen produceert Tata Steel ook blauwe waterstof. In een tweede stap zou dan moeten worden overgaan van de hoogoven naar DRI-technologie. Deze directe reductie technologie kan ijzer maken op basis van aardgas of waterstof, uitgevoerd in combinatie met een of meer vlamboogovens.

De tweede route is direct de hoogovens uitfaseren en overstappen naar de DRI- technologie. De staalproductie is dan niet langer op basis van kolen, maar in eerste instantie op basis van aardgas. Als er voldoende groene waterstof beschikbaar is kan het bedrijf daarop overstappen.

Het haalbaarheidsonderzoek weegt een aantal criteria mee. Denk daarbij aan technische haalbaarheid, vermogen om aan de klimaatdoelen voor 2030 te voldoen, economische haalbaarheid, maatschappelijk draagvlak, impact op de milieubelasting en op de omgeving, werkgelegenheid en toekomstbestendigheid.

De verwachting is dat begin september een tussentijds beeld kan worden geschetst. De ambitie is dat dit haalbaarheidsonderzoek afgerond is in het najaar van 2021.

Caprolactamproducent Fibrant stoot sinds woensdag jaarlijks 0,6 megaton CO2-equivalenten minder uit. Dit staat gelijk aan 341.000 personenauto’s. Het Ministerie van EZK hielp Fibrant, als onderdeel van de Urgenda-maatregelen. Met een renteloze lening van 30 miljoen euro maakte ze de verduurzaming van het productieproces versneld mogelijk.

Fibrant, gelegen op de Chemelot site in Sittard-Geleen, is producent van Caprolactam, de grondstof voor nylon. Bij de productie van een kilo Caprolactam komt in Europa gemiddeld 6,5 kilo CO2-equivalentenvrij, waaronder lachgas. Het opwarmend effect van lachgas is 298 keer zo groot als dat van koolstofdioxide. Fibrant investeerde, in samenwerking met voormalig eigenaar DSM, 42 miljoen Euro om de lachgas uitstoot met 75 procent te beperken. Met een carbon footprint van 3,3 kilo CO2-equivalenten behoort Fibrant naar eigen zeggen nu tot de beste van Europa.

Fibrant is onderdeel van industrieterrein Chemelot en versterkt met de reductie de hoofddoelen van de Chemelot-strategie: de meest duurzame, veilige en competitieve materialen- en chemiesite van Europa te worden. De 0,6 megaton aan CO2-equivalenten die Fibrant minder uitstoot, is 10 procent van de totale Chemelot-emissie, 30 procent van de Chemelot-ambitie tot 2030 en ruim 4 procent van de opgave van de totale Nederlandse industrie tot 2030.

Lees later meer over dit project op onze website.

De broeikasgasemissies daalden ten opzichte van 2019 met 8 procent naar 166 megaton CO2-equivalent in 2020. Dat is 24,5 procent lager dan in 1990 en benadert de Urgenda-doelstelling, een broeikasgasreductie van minimaal 25 procent (1990–2020). Dit blijkt uit een eerste raming van het CBS en de RIVM/Emissieregistratie over de broeikasgasuitstoot in 2020.

De grootste daling van de broeikasgasuitstoot in het afgelopen jaar was te zien in de elektriciteitssector, namelijk 21 procent ten opzichte van 2019. Deze daling hangt samen met het afgenomen steenkoolverbruik. Dit heeft diverse oorzaken. Ten eerste is de Hemwegcentrale in Amsterdam eind 2019 gesloten en lag de Riverstone-centrale op de Maasvlakte bijna heel 2020 stil vanwege storingen.

Ten tweede hadden de kolencentrales te maken met hogere kolen- en CO2-prijzen. Die leverden een concurrentienadeel op ten opzichte van aardgascentrales die juist profiteerden van lagere gasprijzen en die schoner kunnen produceren.

Ten derde werd de vraag naar elektriciteit in toenemende mate opgevangen door hernieuwbare bronnen, zoals wind en zon. Ten slotte nam vanwege de coronacrisis de totale vraag naar elektriciteit af, in Nederland en de buurlanden.

Industrie

In de industrie bleven de emissies op ongeveer hetzelfde niveau als in 2019. De olieraffinaderijen produceerden minder dan in 2019, als gevolg van de verminderde vraag naar olieproducten in binnen- en buitenland. Bij andere CO2-intensieve bedrijfstakken binnen de industrie was de daling minder sterk of bleven de emissies gelijk. Dat hier geen emissiedaling ten opzichte van 2019 is te zien vanwege de lagere productie, komt onder meer doordat de petrochemie in 2019 al een relatief lagere uitstoot had vanwege veel groot onderhoud in dat jaar.

Overige sectoren

In de sectoren landbouw en gebouwde omgeving daalde de broeikasgasuitstoot licht. De winter van 2020 was zacht, maar ongeveer vergelijkbaar met die van 2019. De emissies in de gebouwde omgeving zijn daardoor maar iets gedaald. Bij de landbouw bestaat een groot deel van de CO2-emissies uit de inzet van aardgas in warmtekrachtinstallaties in de glastuinbouw voor de productie van warmte, elektriciteit en ook CO2-bemesting voor planten in de kas. Deze installaties verbruikten ongeveer evenveel aardgas als in 2019. Het overgrote deel van de uitstoot door de landbouw bestaat echter uit de overige broeikasgassen methaan en lachgas. Ook hier is niet veel veranderd ten opzichte van 2019.

Sterke daling CO2-emissies in vierde kwartaal 2020

De CO2-emissies conform IPCC-richtlijnen daalden in het vierde kwartaal van 2020 met 9 procent ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019. Daarmee zet de daling in de eerste twee kwartalen van 2020 door, nadat de emissies in het derde kwartaal vrijwel gelijk waren gebleven.

De daling in het vierde kwartaal komt voor een belangrijk deel door het lagere steenkoolverbruik in de elektriciteitssector en het geringere aantal vervoersbewegingen vanwege de coronacrisis. De CO2-emissies door de industrie bleven ongeveer gelijk ten opzichte van het vierde kwartaal in 2019.

De CO2-uitstoot als gevolg van alle Nederlandse economische activiteiten, waarbij ook rekening wordt gehouden met de emissies van de zeevaart, luchtvaart en de emissies van biomassa, was in het vierde kwartaal zelfs 10 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2019. De emissies daalden veel sterker dan het bruto binnenlands product (bbp), dat afnam met 2,9 procent.

De impact van de coronacrisis op de CO2-uitstoot van alle Nederlandse activiteiten is met name zichtbaar in de transportsector. Deze sector heeft in het vierde kwartaal 25 procent minder CO2 uitgestoten dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder. De CO2-uitstoot van de luchtvaart was zelfs 45 procent lager. Het aantal luchtvaartpassagiers was dan ook fors lager dan een jaar eerder. De emissies van huishoudens lagen 9 procent lager dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder, met name door een sterke afname van het autogebruik.