RWE zet een belangrijke stap voor de bouw van een fabriek voor groene waterstof  met een vermogen van vijftig megawatt in de Eemshaven. Daarvoor verstrekte de Provincie Groningen afgelopen woensdag 29 december een milieuvergunning.

Eind 2020 presenteerde energiebedrijf RWE al plannen voor een industriële waterstofketen in de Eemsdelta. Naast haar energiecentrale in Eemshaven wil ze groene waterstof produceren als grondstof voor nabijgelegen chemische industrie.

CO2

Zo heeft de energiereus een intentieverklaring getekend voor de toekomstige levering aan BioMCN in Delfzijl. Sinds een paar jaar produceert BioMCN extra methanol door een reststroom waterstof aan pure CO2 verbinden. Daarmee slaagde het bedrijf als eerste in Nederland om op industriële schaal CO2 als grondstof in te zetten. Een volgende stap is opschaling met groen geproduceerde waterstof, zodat BioMCN nog meer CO2 in waardevolle chemische bouwstenen en brandstof kan omzetten. Ook is RWE van plan groene waterstof te leveren aan Evonik, eveneens in Delfzijl.

Windpark

De verstrekking van de vergunning brengt de bouw van elektrolyse-installatie dichterbij. In het begin moet die een vermogen krijgen van vijftig megawatt en is dan direct gekoppeld aan RWE’s windpark Westereems in Eemshaven.

Daarmee is het project van RWE het grootste vergunde waterstof-project van Nederland. Er liggen weliswaar grotere plannen op de tekentafel, maar die zijn nog minder concreet. Voor de fabriek moet nog wel een bouwvergunning worden verstrekt, maar met de nu verleende milieuvergunning lijkt de belangrijkste hobbel genomen voor een definitief investeringsbesluit.

Nedstack heeft vergevorderde plannen om nabij Parkdiensten Eemsdelta een testopstelling te bouwen. Deze gaat via een brandstofcel waterstof omzetten in elektrische energie.

Groningen Seaports bereidt samen met haar civiele partner en KIWA een aansluiting voor op de bestaande waterstofleiding op het Chemie Park Delfzijl. Deze is in 2017 in gebruik genomen en ligt tussen Nobian en het tankstation van PitPoint, waarvan Groningen Seaports eigenaar is.

Als de aansluiting er komt, zou dit de eerste uitbreiding zijn op het waterstofnetwerk van Delfzijl. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het waterstofnetwerk in fases verder wordt uitgebreid, zodat alle gebieden met elkaar worden verbonden. Binnen het Chemie Park Delfzijl stijgt de vraag naar waterstof, zowel bij gevestigde bedrijven als bij bedrijven die overwegen zich op het industriegebied in Delfzijl te vestigen.

Onvoorspelbaar en met veel te grote korrels. Dat soort aluminium krijg je als je er geen voorlegeringen aan toevoegt. KBM Master Alloys is erin gespecialiseerd. Een paar jaar geleden breidde het bedrijf met maar liefst veertig procent uit. En nu werkt het in kleine stapjes toe naar een ideaal proces. ‘Dat werkt motiverend, komt de sfeer ten goede en iedereen voelt zich medeverantwoordelijk’, zegt plantmanager Michel Schaank.

Het kruidenrek van de industrie noemt plantmanager Michel Schaank KBM Master Alloys. Toevoeging van voorlegeringen en korrelverfijners uit zijn fabriek in Delfzijl zorgen ervoor dat de structuur van aluminium verandert. Het wordt steviger, homogener en scheurt minder snel. Erg handig voor eindproducten zoals motoren, blikjes, verpakkingsmaterialen, aluminiumprofielen, treinen, vliegtuigen, elektriciteitskabels, ventilatoren en auto’s.

De fabriek staat al sinds 1970 in Delfzijl. Strategisch gelegen naast aluminiumproducent Aldel. In de beginjaren leverde de buurman vloeibaar aluminium over de weg aan KBM. Nadat Aldel het vloeibaar aluminium zelf nodig had, is dit gestopt. ‘Interessant genoeg zijn er nu weer gesprekken tussen ons en Aldel’, zegt Schaank. ‘Dat is een flinke opsteker in het kader van energiebesparing. Als we vloeibaar aluminium van Aldel krijgen, bespaart dat enorm veel energie. Het grootste deel van ons gas gebruiken we namelijk voor het smelten van aluminium.’ In maart is een succesvolle proef gedaan om weer vloeibaar aluminium van Aldel naar KBM te brengen. Vooralsnog heeft de aluminiumproducent het product zelf nodig. Maar in een rustigere markt kijken de twee bedrijven hoe ze samen verder kunnen gaan op dit gebied.

Een kilo

Aan het aluminium dat KBM binnenkrijgt, voegt ze verschillende metalen toe waardoor het betere en voorspelbaardere eigenschappen krijgt. Welke metalen dat zijn, hangt af waarvoor een klant het aluminium uiteindelijk wil gebruiken. Schaank laat twee afbeeldingen zien van aluminium. Eentje waaraan ze niks hebben toegevoegd en eentje waar dat wel bij is gebeurd. Op de eerste afbeelding zijn grote kristallen te zien in het aluminium. ‘Het ziet er mooi uit, maar het product dat eruit komt, is onvoorspelbaar en de korrels zijn te veel groot’, zegt Schaank. ‘Op de andere afbeelding zie je aluminium waaraan ons product is toegevoegd. Het is egaal met heel veel kleine kristallen. Hierdoor is het homogener, steviger en het geeft minder kans op scheuren. Als je één kilo van ons product per duizend kilo materiaal toevoegt, verandert de structuur.’

Michel Schaank (KBM Master Alloys): ‘Het is leuk om te zien hoe een groep TD’ers en ICT’ers de handen ineenslaat.’

Als bedrijven die producten van aluminium maken de metalen zelf willen toevoegen dan zouden ze flinke investeringen moeten doen. ‘Voor sommige legeringen moet je het aluminium bijvoorbeeld verhitten tot 1500 graden. Andere processen moeten worden afgesloten van zuurstof en voor veel processen is roerwerking (inductie) of afzuiging nodig’, legt Schaank uit. ‘Het zou voor veel bedrijven te duur worden. Daarom kopen ze voorlegeringen bij ons.’

Uitbreiding

Er is veel behoefte aan de producten uit Delfzijl. In 2017 is de fabriek daarom met maar liefst veertig procent uitgebreid. Er kwamen vijf nieuwe inductieovens, een nieuwe smeltoven, zouttransportsystemen, een nieuwe gietlijn en extrusielijn. In totaal staan er nu veertien inductieovens, drie gietmachines en drie extrusielijnen.

De nieuwe ovens kon KBM Master Alloys niet zomaar bestellen. Schaank: ‘De ovens uit de jaren zeventig hebben drie spoelen die tegen elkaar in kunnen werken. Hierdoor kunnen wij op een speciale manier roeren. Die technologie was echt verloren gegaan. Dat soort ovens konden we niet meer krijgen, want er was te weinig vraag naar. Ze moesten speciaal voor ons weer worden ontwikkeld. Wat we hadden, was nog steeds state-of-the-art.’

Geen standaardproducten

Tegelijkertijd met de uitbreiding is de rest van de fabriek gemoderniseerd en is er veel geautomatiseerd. ‘Machines, ook de oude, zijn uitgerust met nieuwe plc’s. Ook lezen we nu alle data in, in een scada-systeem waarin we ook processen sturen. We kunnen steeds beter automatiseren en het effect van bepaalde paramaters bekijken omdat we meer meten. In een chemische plant is dat al jaren gebruikelijk, alleen werken wij met een fabriek met vele batchprocessen van smelten, roeren, reageren, gieten, extruderen. En hebben we te maken met extreme omstandigheden door vloeibaar metaal en zouten bij hoge temperaturen.’

Omdat er weinig standaardproducten te koop zijn die KBM in de fabriek kan gebruiken, is een eigen automatiseringsteam opgezet. ‘Dat is begonnen als vrijdagmiddagproject. Samen met de technische dienst heeft dit team een eigen robot leren stapelen en een oude foliewikkelaar omgebouwd tot automatische verpakkingsunit. Het is leuk om te zien hoe een groep TD’ers en ICT’ers de handen ineenslaat en steeds meer competenties ontwikkelt.’

Effectiever

Voor de toekomst richt KBM zich op nieuwe producten en markten. Het klinkt wat vreemd, maar een van de doelen van het bedrijf is dat klanten minder van zijn korrelverfijner toe moeten voegen. Schaank: ‘Ons product zorgt voor harde deeltjes in het product van klanten. En elk miniscuul deeltje is een kans op een defect. Eigenlijk willen ze geen kleine harde deeltjes, maar tegelijkertijd hebben ze die nodig om de eigenschappen te verbeteren. Dat is het spanningsveld. Hoe effectiever ons product is, hoe minder klanten hoeven te gebruiken. We ontwikkelen korrelverfijners die tot vijf keer effectiever zijn. Daarvan heb je dus vijf keer minder nodig.’

Het is ook nodig dat KBM dit soort ontwikkelingen doet. Een groot deel van de maakindustrie, de productie van grondstoffen is verhuisd naar lagelonenlanden waarin China het meest dominant is. Ook steeds meer klanten zitten nu in Azië. ‘Wij konden alleen overleven door kwaliteit en een hoge service te bieden en tevens steeds goedkoper te produceren’, zegt Schaank. ‘Dat is een grote uitdaging. Meestal gaat het goed en soms valt het resultaat tegen en dan zijn we blij dat we onderdeel zijn van een familiebedrijf (Roba, red.) dat niet zomaar de handdoek in de ring gooit. En waar altijd budget wordt gevonden voor een goed idee.’

Actielijst

Aan die goede ideeën en verbeteringen werken de honderdtwintig medewerkers van de fabriek in Delfzijl door te scrummen. ‘Ik ben door deze eenvoudige en duidelijke methodiek gegrepen’, zegt Schaank. ‘Waar we vroeger vaak te lang overlegden over een actielijst die steeds langer werd, behandelen we nu steeds een paar doelen via scrumteams. Als team kom je twee keer in de week een kwartiertje bij elkaar en spreekt dan over waar iedereen op dat moment concreet mee bezig is. Het bedenken en uitvoeren gebeurt nu door dezelfde groep. Dat werkt motiverend, komt de sfeer ten goede en iedereen voelt zich medeverantwoordelijk. Elke twee tot vier weken gaat er wat van de actielijst af en dan hang je er weer wat nieuws bij. Het is eigenlijk heel simpel. Zo werken we in kleine stapjes naar een ideaal proces toe.’

De plantmanager

In deze rubriek ‘De plantmanager’ laten wij elke keer een andere plantmanager aan het woord over zijn werk, visie en bedrijf. Hoe lukt het plantmanagers om succesvol te zijn en kunnen ze anderen daarin inspireren? Kent u interessante plantmanagers? Mail dan naar redactie@industrielinqs.nl

Onlangs mocht sitemanager Eertwijn van den Dool de sleutel ophalen van een terrein naast aluminiumsmelter Aldel in Delfzijl. Een paar hectare grond met daarop drie fabriekshallen die wel wat reparaties en een likje verf kunnen gebruiken. Maar wie even met hem mee droomt, ziet de potentie van een bruisende innovatieve site met verschillende pilotplants. Een kraamkamer voor de duurzame industrie van morgen.

Een eigen site waarop industriële innovaties tot wasdom komen, met verschillende test- en pilot-installaties en een stimulerende creatieve omgeving. Een smeltkroes van fantasierijke techneuten, die de slimste oplossingen verzinnen en ook daadwerkelijk beproeven. Dat is toch al jaren een veel gekoesterde wens van de industrie in Groningen. Of zoals de opstellers van de Industrie Agenda Eemsdelta dat in opdracht van Chemport Europe meer dan drie jaar geleden omschreven: ‘Vaak wordt met enige bewondering gekeken naar kennisstructuren in andere industriële clusters. Denk aan bijvoorbeeld Brightlands op de Chemelot Campus en Plant One in Rotterdam. Ook in Groningen is een uitgebreide kennisinfrastructuur beschikbaar. Zo zijn er op de Zernike Campus in Groningen mogelijkheden om gebruik te maken van de Zernike Advanced Processing Facility (ZAP) en Entrance.’

Een faciliteit om te komen tot een industriële pilotschaal ontbreekt echter nog. Zo’n faciliteit dichtbij het chemische cluster in Delfzijl zou een waardevolle aanvulling zijn, is het besef. Die zou bedrijven en initiatiefnemers de mogelijkheid moeten bieden ‘om hun nieuwe technologie verder door te ontwikkelen naar pilotschaal en zou een hub kunnen vormen voor benodigde kennis, installaties en apparatuur en vergunning.’

Eertwijn van den Dool (Groningen Seaports): ‘Of dit de leukste functie is uit mijn loopbaan? Ja, daar zou je zo maar gelijk in kunnen hebben.’

Metaalpark 19

De lichte jaloezie lijkt nu plaats te maken voor eigen concrete plannen en ambities. Al eerder werd de naam Chemport Innovation Center (CIC) gelanceerd en een intentieverklaring getekend. Maar dat waren nog woorden. Dat verandert nu met een heuse locatie aan Metaalpark 19 in Farmsum. Een terrein met bekende spelers als buren: Aluminiumsmelter Aldel, de biomassacentrale van Eneco en de afvalcentrale van EEW.

Projectdirecteur Eertwijn van den Dool van Groningen Seaports is zeer vereerd dat hij als sitemanager de opbouw van deze innovatiehub mag leiden. Als bevlogen technologie-optimist ziet hij maar weinig mooiere uitdagingen dan deze. ‘Of dit de leukste functie is uit mijn loopbaan? Ja, daar zou je zo maar gelijk in kunnen hebben. Echt fantastisch om aan deze klus te beginnen.’

Traforuimte

Met trots laat hij dan ook het terrein en de gebouwen zien. Vooral de twee geschakelde loodsen met kantoorruimte bieden volgens hem veel mogelijkheden. ‘En heb je gezien hoeveel ruimte we buiten hebben’, wijzend op de ruim drie hectare grasland achter de gebouwen. ‘Van een van de twee loodsen moet het dak nog wel worden gerepareerd, maar dat is zo geregeld’, relativeert Van den Dool. Want in principe is alles aanwezig: Een industrieel terrein, met de nodige aansluitingen. Uniek is zelfs de traforuimte met hoogspanningskabel. De kabel heeft een spanningsniveau van 10.500 kV en wordt naar een lagere spanning gebracht door transformatoren en verdeelstation. Dat alleen al biedt veel mogelijkheden voor elektrochemische proefopstellingen.

Langere adem

Belangrijk is ook dat de verschillende partners – waaronder Groningen Seaports, Chemport Europe en de provincie Groningen – de exploitatie van de site voor tien jaar hebben verzekerd. Dat geeft de nodige stabiliteit en maakt het aantrekkelijk en ook betaalbaar voor technostarters, maar ook voor industriële bedrijven die bijvoorbeeld nieuwe processtappen of receptuur willen testen.

Van den Dool merkt dat er al interesse van bedrijven is, maar hij blijft ook realistisch. ‘Ik verwacht de eerste tijd vooral veel van productiebedrijven in de Eemsdelta die mogelijke veranderingen in hun processen willen testen.’

Voor pilot-installaties van radicaal nieuwe processen is een wat langere adem nodig. Wat dat betreft hebben Plant One in Rotterdam en Brightlands in Limburg al een voorsprong. ‘Het is ook helemaal niet de bedoeling om te concurreren. Ik zie eerder mogelijkheden om met deze partijen juist samen te werken.’

Wanneer het CIC precies opent, staat nog niet vast. De komende tijd wil Van den Dool vooral gebruiken om het concept verder uit te werken en de locatie gereed te maken. Maar dat de locatie er nu is, is alvast een megastap.

Dit jaar gaat Engie bij haar centrale in de Eemshaven twee productielijnen met een totale capaciteit van 700 megawatt uit de mottenballen halen. Het gaat dus weer een stuk beter met de aardgascentrales in Nederland dan een paar geleden. ‘Goed is nog niet het juiste woord om de huidige situatie te beschrijven, maar het gaat zeker minder slecht’, stelt plantmanager Harry Talen van Engie in de Petrochem die binnenkort verschijnt.

Het stond er niet goed voor toen Harry Talen in 2015 verantwoordelijk werd voor de vier gasgestookte elektriciteitscentrales van Engie in Nederland – in Lelystad, de Eemshaven, Bergum en Harculo. De gasprijs was te hoog om te concurreren met bijvoorbeeld het goedkope kolenstroom. Bovendien was de vraag afgenomen als gevolg van de crisis.  ‘We kwamen in de overlevingsmodus terecht. We moesten veertig procent van de mensen ontslaan. In 2016 wilde het hoofdkantoor de centrale in de Eemshaven zelfs sluiten. Het enige dat ik nog kon bereiken was dat het besluit met een half jaar werd uitgesteld.’

Waterstofproductie

Niet lang daarna keerde het tij. ‘De markt veranderde. Zo nam de stroomvraag vanuit de landen om ons heen toe, onder andere door de onzekerheden op het gebied van nucleaire stroomproductie. Bovendien daalde de gasprijs en steeg de CO2-prijs. Daardoor verbeterde de positie van gascentrales ten opzichte van kolen. Inmiddels is helemaal geen sprake meer van sluiting. Integendeel, Talen mag met zijn team twee productielijnen met een totale capaciteit van 700 megawatt in de Eemshaven nog dit jaar opnieuw in gebruik nemen. En ook zijn er bijvoorbeeld plannen op het gebied van waterstofproductie.

Survival

Het kan dus verkeren. ‘Er komt in ieder geval meer geld binnen dan er uit gaat. Alleen niet genoeg om onze investeringen terug te verdienen. Niemand gaat nu een nieuwe centrale bouwen in Nederland. Dat kan echt niet uit. Gelukkig kan er wel veel meer dan een paar jaar geleden. De vraag is nu: wat moeten we doen om er in 2030 nog te zijn. We gaan van survival naar tien tot vijftien jaar vooruit kijken.’

Lees het hele interview met Harry Talen in het maartnummer van Petrochem.

Minister Eric Wiebes spreekt tijdens Eemsdeltavisie op woensdag 16 oktober in Delfzijl. De minister van Economische Zaken en Klimaat geeft zijn visie op de industrie in Noord-Nederland en gaat in gesprek met de zaal. Het congres wordt dit jaar georganiseerd in combinatie met Behind the Scenes van de VNCI.

Tijdens het evenement nemen deelnemers onder andere tijdens een speciale bustour een kijkje achter de schermen op Chemie Park Delfzijl en industriegebied Oosterhorn. In het plenaire congresprogramma staat centraal: Hoe kan Noord-Nederland een netto verbruiker van CO2 worden? En welke stappen zijn nu of binnenkort al te zetten?

Japan

Dat zijn ook de belangrijkste vragen bij een speciale white-paper-wedstrijd voor studenten en young professionals. Tijdens het congres strijden drie finaleteams om een studiereis naar Japan. Verder geven Johan Visser (Nouryon), Berend Aanraad (The Natural Step) en Marinus Tabak (RWE en Plant Manager of the Year 2019) hun visie op het thema.

De drie finalisten van de wedstrijd Northern Back From the Future zijn bekend. Teams van TNO, Avantium/Universiteit van Amsterdam en Maak Techniek & Proces zien veel in onder andere windenergie, waterstof en circulaire en biogebaseerde processen. Maar technische oplossingen alleen zijn niet genoeg. Transitie vraagt ook om andere invalshoeken.

Eemsdeltavisie op 16 oktober is de finaledag van Northern Back from the Future. Dat is een scenariowedstrijd voor studenten en young professionals. Zes teams van drie personen leverden begin september hun white papers in over de toekomst van het industriecluster in de Eemsdelta. Ze formuleren daarin stappen die nu en op de middellange termijn nodig zijn. Het winnende team krijgt een geheel verzorgde studiereis naar Japan.

1. Een stapje terug

De meest eigenwijze inzending komt wellicht van de Groningse werkstudenten van Maak Techniek & Process. Jaro Beuving, Jasper Annema en Nick Terra willen nog niet over technologische oplossingen praten, omdat er volgens hen eerst een stap terug moet worden gezet.

‘In de huidige situatie is er een gebrek aan overzicht binnen het cluster,’ stellen ze in hun white paper met de titel ‘Een stapje terug’.

 

 

2. (Water)stof tot nadenken

Heel degelijk en afgewogen is de white paper van young professionals en promovendi van  TNO, Wageningen UR en TU Eindhoven: Tes Apeldoorn, Carina Nieuwenweg en Leon Rosseau.

Hun white paper (Water)stof tot nadenken combineert verschillende hoopvolle ontwikkelingen tot een congruente en inclusieve verkenning.

 

3. Paris is not enough

Bijzonder is dat het derde finalistenteam louter bestaat uit buitenlandse studenten. Namens Avantium en de Universiteit van Amsterdam.

Uit de titel blijkt meteen al de internationale focus: ‘Paris is not enough’. Matthew Philips, Eric Schuler en Maria Alejandra Murcia willen duidelijk een stapje verder gaan dan de plannen die nu al in het Noorden op tafel liggen.

Northern Back from the Future

De wedstrijd Northern Back From the Future wordt georganiseerd door Industrielinqs, de uitgever van Het nieuwe Produceren en Petrochem. Mede-initiatiefnemers zijn EemsdeltaGreen en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). De wedstrijd wordt mede ondersteund door Chemport Europe, Groningen Seaports, Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta (SBE) en Chemiepark Delfzijl.

De finalisten strijden op 16 oktober tijdens Eemsdeltavisie om de bijzondere prijs: een studiereis naar Japan.

Meer over de finalisten in het oktobernummer van Petrochem.

Er valt veel positiefs te melden vanuit het Chemiepark Delfzijl, wil Johan Visser van Nouryon graag onderstrepen. Er wordt volop geïnvesteerd, onder meer in innovatieve pilot-installaties. Het industriële cluster in de Eemsdelta heeft volgens hem in het verleden al de basis gelegd om een voortrekkersrol te spelen bij de vergroening van de industrie. Ook de onderlinge band tussen de mensen kan daarbij een versterkende rol spelen.

‘Zoek maar eens de Latijnse naam van de vogel groeninger’, geeft Johan Visser aan het einde van het gesprek als opdracht mee. ‘Ik heb eens gezocht naar een optimistisch symbool voor Groningen. Een symbool dat ook beeldend is voor de positieve ontwikkelingen hier. Als tegenhanger voor de kommer en kwel die ook wel eens de boventoon kunnen voeren in het Noorden. Er komt namelijk ook heel veel goeds hier vandaan.’

In het gesprek heeft de site director van het Chemiepark Delfzijl (CPD) vooral verbanden gelegd tussen de vergroening van de chemie en de rol die chloorproductie daarin kan spelen. Een proces dat de chemie in de Eemsdelta groot heeft gemaakt en ook een sleutel kan zijn voor een duurzamere toekomst. ‘Ik kwam dus uit bij de groeninger. Een vrolijk en optimistisch klinkend vogeltje. En ik was echt verrast toen ik de Latijnse naam vond, dus zoek maar op.’

Het opgegeven huiswerk wordt uiteraard zeer serieus genomen. Snel googelen na het interview, nog voordat de auto is gestart en het parkeerterrein van het CPD afrijdt. De groeninger staat ook wel bekend als groenling, groenvink en groninger. Een overwegend groen zangvogeltje. Mannetjes feller groen dan vrouwtjes. Zingt met kanarie-achtige trillers en een nasaal ‘tsjwèè’. En jawel…de Latijnse naam is chloris chloris.

Transitie

De aanwezigheid van zout en Gronings aardgas waren indertijd de belangrijkste argumenten voor de aanleg van een chemiepark in Delfzijl. Door de jaren heen is het gebruik van laagcalorisch gas uit Slochteren steeds meer teruggebracht, onder andere vervangen door hoogcalorisch gas van elders. Maar het gebruik van aardgas voor proceswarmte is ook steeds meer gereduceerd en vervangen. ‘Door de jaren heen zijn we steeds meer gaan optimaliseren, processen op elkaar gaan afstemmen en restwarmte gaan hergebruiken. De laatste paar jaar hebben we ook nog eens enorme stappen gezet met de vervanging van stoom uit de warmtekrachtcentrale Delesto door biostoom.’ De transitie van morgen is gisteren dus al ingezet.

Elektrochemische processen

Waar het Groningse gas werd uitgefaseerd, nam het belang van zout en de chloorproductie juist toe. Chloor speelt al sinds jaar en dag een belangrijke en groeiende rol in veel chemische productieketens. Visser: ‘Bij de productie van algauw zestig procent van alle kunststoffen en verf is chloor nodig. En wist je dat bij tachtig procent van de medicijnen er ergens in de productieketen chloor aan te pas komt?’ Bij de vergroening van de chemie zal de rol van chloor en andere basischemische processen eerder toenemen dan afnemen, is zijn stellige overtuiging. ‘De chemie die we hier in het Noorden hebben, staat aan de basis van de vergroening van de industrie. Het zout, de belangrijke grondstof hier, kan ook een interessante rol spelen bij de energietransitie. Lege zoutcavernes kunnen bijvoorbeeld als opslag dienen voor methaan, stikstof en waterstof.’

Johan Visser (Nouryon): ‘Chemie Park Delfzijl is te klein om méé te spelen, maar je kunt er wel mee spélen.’

De Eemsdelta is een relatief klein industriecluster, ‘qua omvang de vijfde van Nederland’. Ze kan volgens Visser echter wel haar stempel drukken op het gebied van innovatie en vergroening. ‘Ik zeg weleens: Chemiepark Delfzijl is te klein om méé te spelen, maar je kunt er wel mee spélen.’ Hij ziet bijvoorbeeld veel mogelijkheden voor de site als proeftuin voor de nieuwe chemie. De omstandigheden zijn immers uitstekend. De aanwezige landbouw biedt extra mogelijkheden voor biogebaseerde processen. De nabijheid van veel energieproducenten en de aanlanding van steeds meer groene elektriciteit, ondersteunt de integratie van chemie en energie. Visser: ‘Die twee schuiven steeds meer in elkaar.’

In de Eemsdelta is inmiddels ruime ervaring met elektrochemische processen, waaronder natuurlijk de productie van chloor uit zout met elektrolyzers. In de toekomst zullen elektronen steeds meer worden ingezet als grondstof voor de chemie. Denk aan de productie van groene waterstof, waarvoor in het Noorden verschillende plannen worden ontwikkeld, onder andere door Nouryon, Gasunie en RWE. Visser ziet op termijn ook mogelijkheden voor elektrochemische processen voor de productie van nog hoogwaardigere en specifieke chemische bouwstenen.

Pole position voor het chemiepark

Een andere, niet de minst belangrijke succesfactor, ligt op het sociale vlak. ‘We hebben hier in het Noorden met z’n allen een enorme klik.’ Dat bleek wel vorig jaar bij de industrietafel. ‘Het enthousiasme van de 22 deelnemers was haast niet te stoppen.’ Dat biedt volgens Johan Visser een uitstekende basis voor samenwerking in de ketens. ‘Ik wil het daarom ook liever niet alleen maar hebben over de rol van Nouryon, maar veel meer over wat we kunnen bereiken als we gezamenlijk de ketens verbeteren en vernieuwen.’

Een mooi voorbeeld van zo’n opstuwende samenwerking ontstond een paar jaar geleden rond de proeffabriek bouw van de bioraffinaderij die vorig jaar in gebruik is genomen. Rond de technologie van Avantium werd een proactieve coalitie gesmeed met Staatsbosbeheer dat houtafval gaat leveren als grondstof. Nouryon doet mee omdat de raffinaderij daaruit bruikbare suikers produceert. RWE kan uit de lignine, waar nog geen chemische bouwstenen van zijn te maken, elektriciteit produceren.

Inmiddels bouwt Avantium een tweede pilot op het chemiepark, voor de productie van biologische mono-ethyleenglycol (MEG). MEG is een belangrijke grondstof voor PET en de nieuwe biogebaseerde kunststof PEF. Bij de productie van MEG worden nu vooral fossiele grondstoffen gebruikt. Avantium vervangt ze door biologische alternatieven. In de fabriek die nu wordt gebouwd, kan tien ton bio-MEG worden gemaakt. In november moet de fabriek opengaan.

Het is denkbaar dat Avantium ook een derde pilot gaat bouwen op het CPD. Later dit jaar maakt het bedrijf bekend waar de installatie komt voor de productie van PEF. Die was oorspronkelijk gepland op het terrein van BASF in Antwerpen. Begin dit jaar kocht Avantium BASF echter uit. Daarmee waren ook de plannen voor de fabriek in Antwerpen van de baan.

In de tweede helft van 2019 wordt bekend waar de fabriek nu wel wordt gevestigd. CEO Tom van Aken stelde zeer recent dat Avantium er alles aan doet om de fabriek in 2023 in gebruik te nemen. Delfzijl lijkt op pole position te staan.

Zwolle

Overigens is Visser wel kieskeurig. De processen van Avantium passen naadloos bij de plannen en de ketens van het chemiepark in Delzijl. Dat is wel een voorwaarde. ‘Alle nieuwkomers moeten een versterking zijn van de ketens op het park. Natuurlijk leveren we met alle liefde bijvoorbeeld biostoom aan nieuwe bedrijven, maar als ze verder geen toegevoegde waarde hebben, kan dat ook buiten het hek.’

Visser is bijzonder enthousiast over de bouw van de pilot-installatie van Photanol. De Amsterdamse technostarter bouwt een demofabriek waarin ze de productie van chemicaliën uit zonlicht en CO2 gaat testen. Daarvoor gebruikt Photanol blauwalgbacteriën en het principe van fotosynthese. Het bedrijf heeft deze bacteriën genetisch gemodificeerd zodat ze in een microfabriek zijn veranderen. In plaats van zonlicht en CO2 te gebruiken om te groeien, gebruiken ze die energie nu om chemische bouwstenen te maken, grondstof voor de chemische industrie.

tekst gaat verder onder de afbeelding

Johan Visser: ‘Chemie en energie schuiven steeds meer in elkaar.’

Een mooie match dus met de rest van het CPD. Ook bij dit project speelde de menselijke klik een belangrijke rol. Visser: ‘Een paar inspirerende ontmoetingen in Zwolle maakten op dat vlak al veel duidelijk.’

Kleine uurtjes

Het draait overigens niet alleen om de nieuwkomers. Ook met de bestaande partijen worden optimistische deuntjes gefloten. Zo heeft Visser op het moment veel respect voor BioMCN, die in de afrondende fase zit van de revamp van een productielijn voor methanol. Ofwel, een lijn die twaalf jaar niet heeft geproduceerd, is uit de mottenballen gehaald (zie ook pagina 15, red.). ‘Geweldig hoe ze die installatie aan de praat krijgen. Tot in de kleine uurtjes wordt daaraan gewerkt met Stork, een essentiële partner hier op het park. Dat blijft vaak onzichtbaar.’ Om maar even aan te geven dat het om samenwerking gaat door hele ketens heen.

Morgen, woensdagmiddag 12 juni, wordt de scenariowedstrijd Northern Back From the Future officieel officieel afgetrapt met een symposium. Vertegenwoordigers van het industriecluster in de Eemsdelta en Industrielinqs zullen hun visie geven op de toekomst van de industrie. Teams en geïnteresseerden zijn van harte uitgenodigd om de presentaties kosteloos bij te wonen. Inschrijven voor het symposium hoeft niet.

Sprekers tijdens het aftrapsymposium zijn onder meer Edward Groen van chemiebedrijf Teijin Aramid, Frans Alting van de Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta en hoofdredacteur Wim Raaijen van Industrielinqs. Aanvang van het symposium is 13.30 in zaal 0253 van het gebouw Bernoulliborg van de Rijksuniversiteit Groningen.

Programma

  • 13.30 opening
  • 13.35 (Nederlands) Frans Alting (SBE) over de ambities van de Eemsdelta voor 2030 en 2050 (Industrietafel Noord en Industrie-agenda)
  • 14.20 Korte Pauze
  • 14.25 (English) Edward Groen (Teijin Aramid) over de ambities en de opties van een internationaal bedrijf in met productievestigingen in Noord Nederland.
  • 15.10 Pauze
  • 15.30 (English) Wim Raaijen (Industrielinqs) over innovatie en technologietrends vanuit een hoofdredactioneel/techniekfilosofisch oogpunt
  • 16.15 Korte uitleg over de wedstrijd en oproep om in te schrijven.
  • 16.30 Einde

Meer over de wedstrijd.

 

Eemsdeltavisie op 16 oktober is de finaledag van Northern Back from the Future. Dat is een scenariowedstrijd voor studenten en young professionals. Teams van drie personen beschrijven de toekomst van het industriecluster in de Eemsdelta en ze formuleren stappen die nu en op de middellange termijn nodig zijn. Het winnende team krijgt een geheel verzorgde studiereis.

Met de industrie-agenda en het overleg over het Klimaatakkoord zijn de afgelopen twee jaar stevige doelstellingen geformuleerd voor de Eemsdelta. Scope is daarbij 2050 en 2030. Maar wat zijn de stappen die nu gezet moeten worden? Dat is de centrale vraag van de scenario-wedstrijd Northern Back from the Future.

Whitepaper

Van teams wordt gevraagd om eerst hun eigen beeld te schetsen van de Eemsdelta in 2050. Daarbij worden ze onder andere geholpen door veel informatie uit de Industrie-agenda en de resultaten van het klimaatoverleg. In een whitepaper van maximaal 5000 woorden (ongeveer 10 pagina’s A4) moeten zij vervolgens schetsen welke stappen het industriële cluster in de Eemsdelta op de korte en middellange termijn moet en kan zetten. Om de doelstellingen voor de periode 2030-2050 te halen.

De wedstrijd wordt georganiseerd door Industrielinqs, de uitgever van Het nieuwe Produceren en Petrochem. Mede-initiatiefnemer is EemsdeltaGreen, platform voor het ontwikkelen van nieuwe groene projecten of ondersteuning bij het versnellen van lopende projecten. De wedstrijd wordt mede ondersteund door Chemport Europe, Groningen Seaports, Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta (SBE) en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI).

Opzet

  • Teams van drie personen schrijven samen een white paper van maximaal 5.000 woorden.
  • Maximale leeftijd van de teamleden is dertig jaar. Naast studenten mogen ook jonge promovendi en young professionals aan de wedstrijd meedoen.
  • Als achtergrondinformatie krijgt elk team ondermeer de beschikking over de Industrie-agenda en de rapportage van de Industrietafel Noord-Nederland. Daarin staan de doelstellingen voor de toekomst. Ook wordt op 12 juni in Groningen een aftrapsymposium georganiseerd.
  • Aanbevolen wordt om deze groepen heterogeen samen te stellen. Het kan verrijkend werken om verschillende studierichtingen of specialismen in te zetten. Ook hybride teams van studenten, onderzoekers en professionals zijn toegestaan.
  • Teams kunnen naast een wetenschappelijke begeleider ook een ervaren adviseur aanstellen vanuit de industrie in de Eemsdelta. De organisatie kan daarbij ook een bemiddelende rol spelen. Voordeel is dat de teams dan informatie uit de praktijk krijgen en ook bijvoorbeeld een bezoek kunnen brengen aan de industrie. Dat is kennis- en relatieversterkend en het kan extra inspirerend werken.
  • De white papers worden door een jury beoordeeld. Het is mogelijk dat er bij voldoende aanmeldingen net na de zomer (begin september) een voorronde wordt georganiseerd. Teams kunnen hun white paper dan aan de jury presenteren. Half september moeten de drie finalisten bekend zijn. Deze finalisten moeten gaan pitchen tijdens het congres Eemsdeltavisie 2019, half oktober in Delfzijl. Dat gebeurt met een film, die samen met de redactie van Industrielinqs wordt gemaakt, een korte presentatie, Q+A en een onderling debat. Elk team moet een ander team tijdens de Q+A het vuur aan de schenen leggen.
  • Uiteindelijk verdeelt de jury zestig punten. Twintig punten worden verdeeld door de congresbezoekers en twintig door internetstemmen.

Prijs en publicatie

  • Momenteel werkt de organisatie aan de funding voor een studiereis. Er wordt gedacht aan een bezoek aan de procesindustrie in Japan of de VS.
  • Van deze reis wordt uitgebreid verslag gedaan in de publicaties Petrochem en Het Nieuwe Produceren.
  • Ook is het de bedoeling dat kwalitatief goede white papers worden gepubliceerd. Dat kan via de media van Industrielinqs, maar ook de internetsites van bijvoorbeeld Chemport Europe, Groningen Seaports en meer.

Belangrijke data

  • Aftrapsymposium 12 juni 2019 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met presentaties van de industrie in de Eemsdelta.
  • Uiterste inschrijfdatum teams 17 juni
  • Uiterste inleverdatum white papers 1 september
  • Begin september mogelijke voorronde
  • 16 oktober finale en bekendmaking winnaar

Aanmelden

Teams kunnen zich aanmelden met een mail aan de hoofdredacteur van Het Nieuwe Produceren en Petrochem, Wim Raaijen (wim@industrielinqs.nl). Vermeld daarin de namen van de teamleden, hun e-mailadressen en de onderwijsinstelling, bedrijf of organisatie waaraan zij verbonden zijn. Geef verder aan wie begeleider is en of er interesse is in ondersteuning uit de industrie.

Eemsdeltavisie

Jaarlijks organiseert Industrielinqs (uitgever van onder andere Petrochem en Het Nieuwe Produceren) in het najaar het congres Eemsdeltavisie. Mede-initiatiefnemers zijn Chemport Europe, Groningen Seaports, SBE en Eemsdelta EZ. Het congres brengt ieder jaar 120-150 beslissers bij elkaar rond inspirerende thema’s en met interactieve programma’s. Dit jaar wordt het evenement samen georganiseerd met de VNCI, die gelijktijdig en geïntegreerd met Eemsdeltavisie  haar programma Behind the Scenes organiseert.