Arina Freitag is vanaf januari 2022 de nieuwe Chief Financial Officer (CFO) van Tennet. Freitag volgt dan Otto Jager op die deze functie bekleedt sinds 2013. Begin dit jaar kondigde Jager zijn vertrek aan.

Freitag (50 jaar) heeft meer dan twintig jaar financiële ervaring in uitvoerende en niet-uitvoerende functies bij banken en grote Duitse infrastructuurbedrijven, waarin regelgevingsaspecten en het politieke klimaat een belangrijke rol speelden.

Freitag is sinds 2017 Managing Director van Flughafen Stuttgart. Ze begon haar carrière in 1998 bij de Bank of Tokyo-Mitsubishi als econoom. In 2001 trad zij in dienst bij Fraport AG als manager financiële communicatie en bekleedde daar vervolgens verschillende managementfuncties met een focus op financiën, operations en regelgeving. Vanaf 2011 was ze als divisiemanager verantwoordelijk voor het economisch beheer van de luchtvaartdivisie van Fraport AG. In 2015 stapte ze over naar Deutsche Bahn, waar ze verantwoordelijk was voor marketing en sales bij DB Netz AG.

Het Europese statistiekbureau Eurostat meldt dat de Covid-19-pandemie nauwelijks invloed heeft gehad op de groei van hernieuwbare energiebronnen. De lagere energievraag ten gevolge van de lockdown-maatregelen trof een aantal brandstofcategorieën zwaar. Hernieuwbare energiebronnen vormen hierop een uitzondering en blijven groeien, vooral wat de elektriciteitsproductie betreft.

In 2020 bleef de elektriciteitsproductie uit fossiele brandstoffen dalen. Waar gascentrales op het hoogtepunt in 2007 nog 1.584.005 gigawattuur elektriciteit produceerden, was dat in 2019 nog maar tot 1.133.402 gigawattuur. Afgelopen jaar daalde de fossiele productie zelfs naar 1.022.589 gigawattuur: een daling met 9,8 procent ten opzichte van 2019.

Een soortgelijke trend werd waargenomen voor de elektriciteitsproductie uit kernenergie, waar de voorlopige gegevens voor 2020 met 683.183 gigawattuur (6,3 procent lager dan in 1990) het laagste punt sinds 1990 te zien geven.

Hernieuwbaar verslaat fossiel

In het afgelopen decennium groeide de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen opzienbarend. Volgens de voorlopige gegevens voor 2020 is de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen voor het eerst groter dan die uit fossiele brandstoffen. Het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie is in de loop van de tijd toegenomen van 303.279 gigawattuur in 1990 tot 979.866 gigawattuur in 2019. De voorlopige gegevens voor 2020 laten een verdere stijging zien tot 1.052.582 gigawattuur, wat 29 994 gigawattuur meer was dan de opwekking uit fossiele brandstoffen.

Elektriciteitsproductie uit andere bronnen en niet-gespecificeerde bronnen heeft slechts een zeer klein aandeel in de totale elektriciteitsproductiemix, namelijk ongeveer 5.200 gigawattuur in het afgelopen decennium. In 2020 zal dit aandeel 4.442 gigawattuur bedragen.

Fossiel brandstofgebruik daalt

Voorlopige gegevens voor 2020 wijzen op een aanzienlijke daling van het binnenlands verbruik van fossiele brandstoffen in de EU. In het algemeen wordt verwacht dat het verbruik van fossiele brandstoffen, met name vaste fossiele brandstoffen, in 2020 op een record laag niveau zal liggen sinds er gegevens beschikbaar zijn (1990).

Een enorme daling van het verbruik van aardolie en aardolieproducten en een matige daling voor aardgas staan in schril contrast met de trend van de voorgaande jaren. Uit de voorlopige gegevens voor 2020 blijkt dat het verbruik van aardolie en aardolieproducten met 12,9 procent is gedaald ten opzichte van 2019. In vergelijking met 2005 is het verbruik van aardolie en aardolieproducten in 2020 met 23,1 procent gedaald.

Het binnenlands verbruik van aardgas werd in 2020 minder getroffen: de daling ten opzichte van 2019 bedroeg slechts 2,6 procent. Toch was er een daling van 8,9 procent sinds 2005.

Steenkool

Het verbruik van bruinkool en steenkool bleef sterk dalen, als gevolg van de effecten van de pandemie in combinatie met die van het beleid om uit steenkool te stappen. In vergelijking met 2019 laten de voorlopige gegevens voor 2020 een aanzienlijke daling zien van 20,0 procent voor bruinkool en 18,0 procent voor steenkool. Tussen 2005 en 2020 is het verbruik van steenkool meer dan gehalveerd (-51,2 procent), terwijl bruinkool in dezelfde periode met 44,9 procent is gedaald.

Scholt Energy zet een thermisch zoutbad bij VDL Weweler in als noodvermogen voor het Nederlandse elektriciteitsnetwerk. Het bad kan automatisch meer of minder elektriciteit verbruiken om te helpen vraag en aanbod op het net in balans te houden.

Met het groeiende aanbod wind- en zonne-energie, neemt de invloed van weersomstandigheden op het energieaanbod toe. Wil de industrie in de toekomst gebruik kunnen blijven maken van betrouwbare betaalbare stroom, dan moet ze flexibeler worden door bijvoorbeeld af te schakelen op momenten van schaarste. Dat schreven onderzoekers van DNV GL recent in een publicatie. Uit onderzoek bleek echter dat de kosten hiervan nog onduidelijk zijn en de ‘sense of urgency’ mist. Daarbij komt ook nog eens dat het veel vraagt van de industrie om systemen hier goed voor in te richten.

Zoutbad

Scholt Energy en VDL Weweler is het toch al gelukt hiermee te starten. VDL Weweler produceert in Apeldoorn onderdelen voor de truck-, trailer- en bedrijfswagenmarkt. In zijn fabriek heeft het bedrijf een thermisch zoutbad voor metaalbewerking. Het regelbare vermogen (energievraag) van dit industriële proces is vergelijkbaar met dat van zo’n 1.000 huishoudens.

Scholt Energy verzorgt met haar toegang tot specifieke energiehandelsmarkten de vraagsturing voor dit proces. Het zoutbad is met software gekoppeld aan de markt voor noodvermogen van de landelijk netbeheerder in Nederland. Op het moment dat vraag en aanbod op het elektriciteitsnetwerk uit balans dreigen te raken, volgt een stuursignaal. Scholt zorgt ervoor dat het zoutbad vervolgens geautomatiseerd meer (bij een overaanbod) of minder (bij een tekort) elektriciteit gaat verbruiken. Via de systemen van Scholt Energy wordt ook de beschikbare capaciteit bewaakt en worden uiteindelijk de vergoedingen verrekend. VDL krijgt namelijk een vergoeding voor het extra beschikbaar stellen van noodvermogen.

Procescontinuïteit

De continuïteit van het proces van VDL komt niet in gevaar door de ingreep. Het zoutbad moet altijd binnen bepaalde temperatuurmarges blijven, daarmee wordt rekening gehouden als er wat verandert het gebruik van elektriciteit.

TenneT selecteerde negen partners voor de Europese aanbesteding EU-303 Stations. Deze bedrijven zullen samen met TenneT 360 hoogspanningsstations in Nederland aanpassen, vernieuwen of uitbreiden.

TenneT moet zijn hoogspanningsnet in hoog tempo uitbreiden. De vraag naar transport van elektriciteit neemt in deze energietransitie namelijk steeds verder toe. Bijvoorbeeld door elektrificatie in het vervoer, van verwarming en de industrie. Maar ook door de opwek van stroom met windturbines en zonneparken. Naast uitbreiding van de hoogspanningsstations vervangen de partners ook onderdelen in de stations. De stations van 110kV en 150kV moeten in veel gevallen volledig worden vervangen. Ze zijn soms vijftig jaar of langer in bedrijf en aan het eind van hun technische levensduur.

Vier miljard euro

De aanbesteding EU-303 Stations is een inkoopprogramma van circa vier miljard euro, over een looptijd van elf jaar (tot 1 januari 2032). Het programma is gericht op multidisciplinaire werkzaamheden voor de TenneT hoogspanningsstations van 110kV, 150kV, 220kV en 380kV in Nederland. Het gaat daarbij om civieltechnisch en bouwkundig werk voor nieuwbouw, uitbreiding, reconstructie, renovatie, amovering (slopen), vervanging, beheer en onderhoud van hoogspanningsinstallaties. Projectmanagement en projectcoördinatie behoren daar nadrukkelijk ook bij.

Uitdagende opdracht

Het stroomnet wordt zeer intensief gebruikt. Daardoor is het niet mogelijk om een verbinding voor een dag of een week uit te zetten. Ook niet voor werkzaamheden. Bijkomende uitdaging is  ruimtegebrek in dichtbebouwde gebieden. Een goede plek vinden voor de benodigde uitbreidingen is vaak dan ook lastig en tijdrovend. Slotsom: EU-303 Stations is echt een uitdaging, een omvangrijke en complexe opdracht die onder uitzonderlijke omstandigheden moet worden uitgevoerd.

Efficiënter, sneller en slim samenwerken

De hoge ambitie en de lastige omstandigheden leidden tot een bijzondere aanpak in de aanbesteding. TenneT stuurt gericht aan op efficiënter, sneller en slim samenwerken door te kiezen voor vernieuwing, digitalisering van processen en planningen en een gelijkwaardige samenwerking met zijn partners.

Nieuwe partners

Voor de vernieuwing en uitbreiding van de hoogspanningsstations moet veel werk verzet worden en wordt constant gezocht naar betere methodes en processen. TenneT koos bewust voor nieuwe partners. Kandidaten die voor specifiek werk geen ervaring konden aantonen, kregen in de tender de kans om te bewijzen dat ze over voldoende expertise en vaardigheden beschikken. Dat resulteert in vier partners waarmee TenneT niet eerder samenwerkte in een tender. Één van hen deed al wel opdrachten in een andere discipline.

De geselecteerde partners zijn:

  • SPIE Nederland B.V.
  • Heijmans Infra B.V.
  • Croonwolter&dros B.V. en Mobilis B.V. (SC&M)
  • Volker Energy Solutions B.V.
  • Strukton Systems B.V.
  • Cegelec (Omexom)
  • Acciona Industrial S.A.
  • Efacec Engenharia e Sistemas S.A.
  • H&MV Engineering B.V.

Enexis Netbeheer, TenneT, provincie Groningen en Groningen Seaports gaan samen de benodigde infrastructuur voor de industrie te versnellen. Zo willen ze voorkomen dat netbeheerders en industrie op elkaars plannen moeten wachten (het kip-ei-probleem).

De industrie heeft op basis van het Klimaatakkoord een doelstelling om 14,3 Mton CO2-reductie te realiseren in 2030. De industrie vertegenwoordigt ruim de helft van de totale energievraag in Nederland. De wijze waarop de CO2-reductie in de industrieclusters wordt gerealiseerd, heeft grote impact op de benodigde infrastructuur. Verduurzaming leidt immers tot een grotere elektriciteitsvraag en daarvoor is uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk noodzakelijk.

Het convenant dat de partijen hebben gesloten focust op zich op een deel van de verduurzamingsinitiatieven zoals opgenomen in de Concept CES Industrietafel Noord-Nederland, namelijk de gebieden Delfzijl, Eemshaven en de kleine industrie verspreid over de noordelijke regio. De verwachte energievraag gaat van 390 MW in 2020 naar 2630 MW in 2030. De verwachte energievraag is dus bijna zeven keer zo groot.

‘Dit convenant biedt onze industrie meer zekerheid over het tijdig verkrijgen van de benodigde infrastructuur’, zegt Cas König, CEO van Groningen Seaports. ‘We zijn blij dat we met deze intensievere vorm van samenwerking tussen overheid, netbeheerders en Groningen Seaports cruciale stappen kunnen zetten voor het halen van de klimaatdoelen. Hiermee houden we ons gebied duurzaam aantrekkelijk voor de op stapel staande investeringen en de vestiging van nieuwe bedrijven.’

De leveringszekerheid van de Nederlandse en Noordwest-Europese elektriciteitsvoorziening komt in de periode tot 2035 meer onder druk te staan. Door het toenemende aandeel van opwekking uit wind en zon, neemt de behoefte aan flexibiliteit toe. Wil de industrie gebruik kunnen blijven maken van betrouwbare betaalbare stroom, dan moet ze flexibeler worden door bijvoorbeeld af te schakelen op momenten van schaarste. Uit onderzoek van DNV GL blijkt dat ze daar nog niet klaar voor is. De kosten zijn nog onduidelijk en de ‘sense of urgency’ mist. Daarbij komt ook nog eens dat het veel vraagt van de industrie om systemen hier goed voor in te richten.

De Nederlandse industrie heeft een theoretisch potentieel van zo’n 3400 megawatt elektriciteitsvraag die flexibel kan worden ingezet. Dat blijkt uit het rapport ‘De mogelijke bijdrage van industriële vraagrespons aan leveringszekerheid’ gepubliceerd door DNV GL en medegefinancierd door Eneco, PZEM, RWE, Tennet, Uniper en Vopak. Als deze flexibiliteit wordt ingezet, is Nederland bij dreigende tekorten minder afhankelijk van conventionele centrales en import uit andere landen.In de toekomst wordt de dreiging van eventuele tekorten reëler, doordat elektriciteitsopwekking steeds afhankelijker wordt van zon en wind. Daarbij komt de uitfasering van verschillende regelbare bronnen van opwekking, zoals kolen (in Nederland en Duitsland) en nucleaire centrales (vooral in Duitsland en België). En ook de vraag verandert, de industrie gaat meer elektriciteit gebruiken doordat ze processen elektrificeert.

tekst gaat verder onder de afbeelding

stroom

‘Wij geven graag het signaal af dat industrie en energieverkopers met elkaar afspraken moeten maken.’

Anton Tijdink, marktanalist Tennet

Extreme schaarste

Voor het zogenaamde Dunkelflaute-scenario waarin langere periodes weinig tot geen energie kan worden opgewekt door middel van wind en zonlicht is het misschien economisch interessanter om de industrie gedeeltelijk uit te zetten in plaats van centrales in de lucht te houden die eens in de tien jaar aan moeten. De vraag is of het niet een hele grote ingreep is voor de industrie om af te kunnen schakelen voor deze weinig voorkomende momenten van extreme schaarste. Anton Tijdink, marktanalist bij netbeheerder Tennet, snapt die vraag. ‘Met het rapport tonen we aan dat het op die schaarse momenten economisch uit kan. We willen ook voor wat meer frequentere noodzaken industriële partijen vragen om na te denken over buffering. Hoe kan je nou flexibeler omspringen met stroomgebruik?’

Goedkoper

Industriële partijen zijn vooralsnog gewend om te denken in baseload elektriciteitscontracten met een vaste prijs. Tijdink: ‘Als je buffers of flexibiliteit laat inbouwen, kan je daar waarde uithalen omdat de elektriciteitsmarkt grilliger wordt vanwege de afhankelijk van duurzame energie. Als je daar beter op in kunt spelen, kan je gebruik maken van de momenten dat de stroomprijs laag is. Op andere momenten kan je misschien uit je buffer tappen, overschakelen op een gasproces of afschakelen om daarmee het systeem te ontlasten. Wij denken dat dat goedkoper gaat zijn dan de huidige baseloadcontracten.’

Ook Jorim de Boks, strategisch analist bij energieproducent- en leverancier PZEM, verwacht dat flexibiliteit in de toekomst meer waarde krijgt. ‘Er zit ook waarde in het afnemen van extra elektriciteit als er een overschot is aan zon en wind. De vraagrespons die in de studie wordt geschetst is heel erg specifiek gericht op het minder afnemen van elektriciteit als er heel veel vraag naar is. De afgelopen jaren kwamen die situaties niet of nauwelijks voor door de overcapaciteit van conventionele centrales. Deze overcapaciteit neemt af door de uitfasering van kolen- en kerncentrales. Door de groei van wind- en zonne-energie zijn weinig partijen bereid te investeren in nieuwe productiecapaciteit aangezien deze slechts voor een beperkt aantal draaiuren nodig is.’

Systemen inrichten

Om voorbereid te zijn op de toekomst, zouden bedrijven nu bij investeringen al moeten nadenken waar ze buffers in kunnen bouwen en waar flexibiliteit in processen zit. Tijdink: ‘Als de industrie elektrificeert wordt ze afhankelijker van elektriciteit. Als bedrijven dat perspectief meenemen bij komende investeringen, kunnen ze beter optimaliseren. Wij willen nu graag het signaal afgeven dat industrie en verkopers van energie hier afspraken over moeten maken met elkaar. Wijzelf moeten zorgen dat de elektriciteit te transporteren is.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

stroom

‘Het is niet altijd zo dat je direct op- en af moet schakelen. Je kunt ook actief zijn op de dagvooruitmarkt.’

Jorim de Boks, strategisch analist PZEM

Tennet ziet ook wel dat het misschien makkelijker is gezegd dan gedaan. ‘Het is een hele grote uitdaging’, stelt Tijdink. Je kunt wel stellen dat het goedkoper is om vraagrespons te doen bij de industrie en die kan bereid zijn om dat te doen, maar het vergt veel van bedrijven om hun systemen en bedrijfsvoering erop in te richten (zie kader over Nouryon, red.). Je moet veilig kunnen reageren op een signaal of een afspraak met een marktpartij.’

Kennisuitwisseling

Op basis van interviews en schriftelijke interactie die DNV GL voor haar studie heeft gehad met industriële partijen lijken veel partijen niet klaar, danwel bereid te zijn om grootschalig vraagrespons aan te bieden. Er is namelijk slechts beperkt data beschikbaar over de kosten en dynamiek van het aanbieden van flexibiliteit. De Boks herkent het en begrijpt ook dat bedrijven terughoudend zijn. ‘De sense of urgency mist, omdat er op het moment voldoende capaciteit is. Daarnaast speelt hier denk ik onbekend maakt onbemind mee. De kennis over de verschillende vormen van flexibiliteit en de waarde daarvan zit bij de elektriciteitsbedrijven. Het is bijvoorbeeld niet altijd zo dat je direct op- en af moet schakelen. Je kunt ook actief zijn op de dagvooruitmarkt. Dan weet je een dag van tevoren welke uren je de dag erna moet minderen en dan kan je dat zelf regelen. Aan de andere kant hebben wij niet de kennis van de vrijheden die de industrie heeft in processen. Daarvoor is kennisuitwisseling nodig.’

De Boks laat weten dat PZEM naar aanleiding van het rapport graag in gesprek gaat met industriële partijen. ‘Voor ons is duidelijk geworden dat er technisch potentieel is, maar het economische potentieel is nog onduidelijk. Samen met de industrie willen we dit verder concretiseren zodat we cases kunnen creëren waar we vraagrespons toepassen. Maar duidelijk is dat er voor beide partijen een win moet zijn.’

Vergaande digitalisering nodig voor flexibiliteit

Chloorproducent Nouryon kan al reageren op grote tekorten of overschotten in het Nederlandse net, door een deel van de elektrolyse-processen of stoomturbines tijdelijk naar een lager werkingspunt te schakelen. Onderzoeksdirecteur Marco Waas van Nouryon wil daarbij wel direct vermelden dat het bedrijf nog aan het begin van een ontwikkeling staat. ‘We moesten een chloorfabriek van tweehonderd megawatt zodanig ombouwen dat je hem in een tijdsframe van vijftien minuten kunt op- en afschakelen. We kunnen nu tien procent op- en afregelen. Dat moet op den duur naar de twintig of misschien zelfs vijftig procent gaan. Voordat we dat konden doen, moesten we wel wat aanpassingen aan de productie-units doen. Bovendien moet je heel goed weten welke cellen je wilt afschakelen. Het is natuurlijk zonde om de best presterende elektrolyzers terug te regelen. En dus moet je per cel de prestaties monitoren. Nu krijgen onze operators nog een seintje dat ze moeten terugregelen. Maar straks moet dat allemaal automatisch gebeuren. Als dat goed gaat, kunnen we de regie overgeven aan Vattenfall.’

Voor wie een vergelijkbare stap als Nouryon wil maken heeft Waas nog wel wat tips: ‘In de discussies die we voerden over dit onderwerp ging een derde deel over cybersecurity. Je wil niet dat malafide partijen je productieprocessen kunnen verstoren. We kiezen dan ook bewust voor een directe, bekabelde verbinding.’

Elektronen opslaan bij tankopslagbedrijf

Als een beetje vreemde eend in de bijt staat Vopak tussen de medefinanciers van het onderzoek van DNV GL. Het tankopslagbedrijf is geen grootverbruiker van elektriciteit en kan niet meedoen aan vraagrespons door tijdelijk minder stroom te verbruiken. Vopak wil de elektriciteitsmarkt beter begrijpen en kijken of ze met haar assets een bijdrage kan leveren aan de opslag van (groene) elektriciteit in chemicaliën (in opslagtanks). Het bedrijf kijkt daarbij naar (redox) flow-batterijen.

Een woordvoerder van Vopak laat via de mail weten dat de uitdaging hierbij is om elektriciteit op een veilige manier op te slaan in chemicaliën op terminals waar ook andere opslagactiviteiten plaatsvinden. ‘De elektriciteitsmarkt is nieuw voor Vopak. In plaats van het opslaan en overslaan van moleculen zouden we ons begeven op het terrein van het opslaan en weer terugleveren van elektronen.’ Overigens is Vopak niet van plan zelf eigenaar te worden van elektronen. ‘We zouden de opslagcapaciteit (binnen de batterij) willen verhuren aan derde partijen zoals handelaren en eigenaren van wind- en zonneparken.’

Sommige dingen gaan gewoon door tijdens de coronacrisis. Zo ook de bekendmaking van de jaarcijfers van E.ON over 2019. E.ON baas Johannes Teyssen waarschuwde er wel voor dat de coronacrisis ook de energiesector zal treffen. Met name omdat industriële klanten minder energie gebruiken. Afgelopen jaar boekte het bedrijf nog een behoorlijke omzetgroei van tien procent. Dat was met name te danken aan de overname van de Innogy-activiteiten van RWE.

In het licht van de corona-crisis benadrukte E.ON SE CEO Johannes Teyssen dat energiebedrijven een bijzondere verantwoordelijkheid hebben. ‘Wij zijn de grootste exploitant van energienetwerken in Europa. Hun betrouwbaarheid en continue beschikbaarheid is van het grootste belang voor de gezondheidszorg, de openbare orde en de mensen overal ter wereld. Wij zullen alles in het werk stellen om de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, ook in deze situatie.

Minder energieconsumptie

Teyssen ging ook in op de mogelijke gevolgen van de coronacrisis voor de onderneming: ‘Over het geheel genomen zal de energie-industrie ongetwijfeld niet zo hard getroffen worden als andere industrieën. Maar we verwachten nog steeds dat de crisis zijn stempel zal drukken op ons resultaat. Industriële en commerciële klanten verbruiken beduidend minder energie. Dit zal een tijdelijke impact hebben op ons netwerk en onze verkoopactiviteiten. Er kunnen vertragingen optreden in ons vermogen om energie-infrastructuurprojecten op te leveren.’

E.ON anticipeert ook op een tijdelijke daling van de vraag bij haar B2B-bedrijf. Na de huidige crisis zal de uitbreiding van het netwerk en de installatie van een klimaatvriendelijke energie-infrastructuur echter zeker nog crucialer zijn.

Winst

De overname van voormalig RWE-dochter innogy was de meest opvallende stap in 2019.  Daarmee vergrootte E.ON zijn omzet tot 41,5 miljard euro (2018: € 30,1 miljard). De gecorrigeerde EBIT steeg aanzienlijk, met negen procent tot 3,2 miljard euro. Het gecorrigeerde nettoresultaat van 1,5 miljard euro lag op het niveau van het voorgaande jaar.

In 2019 is in Nederland 18 procent meer groene elektriciteit uit hernieuwbare bronnen opgewekt dan een jaar eerder. In 2018 bedroeg de toename 11 procent. Vooral de elektriciteitsproductie uit zonne-energie nam in 2019 toe. Dit blijkt uit nieuwe, voorlopige cijfers van het CBS over hernieuwbare elektriciteit.

In 2019 bedroeg de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen 21,8 miljard kilowattuur (kilowattuur), in 2018 was dit nog 18,5 miljard kilowattuur. Windmolens hadden hierin met 49 procent het grootste aandeel, maar dit is gedaald ten opzichte van 2018 (54 procent). Biomassa was goed voor 26 procent, zonnestroom voor 24 procent van de hernieuwbare stroomproductie.

De productie van hernieuwbare elektriciteit was in 2019 goed voor 18 procent van het elektriciteitsverbruik in Nederland, tegen 15 procent in 2018.

Meer zonnepanelen

De productie van stroom met zonnepanelen nam toe, van 3,7 miljard kilowattuur in 2018 naar 5,2 miljard kilowattuur in 2019. Dat is een stijging van ruim veertig procent, die direct verband houdt met de toename van de opgestelde capaciteit van zonnepanelen. Het totale vermogen van zonnepanelen is in 2019 met ongeveer 2 400 megawatt gegroeid, en wordt geraamd op 6 900 megawatt. Het grootste deel van deze toename (zeventig procent, ofwel 1.700 megawatt) is toe te schrijven aan nieuwe, grote installaties op daken van gebouwen, en op de grond.

Beperkte groei windenergie

De productie van elektriciteit uit windenergie steeg in 2019 met zeven procent, van 10,0 miljard kilowattuur naar 10,7 miljard kilowattuur. Net als in de twee voorgaande jaren groeide het windmolenpark in Nederland nauwelijks. Per saldo nam de capaciteit van windturbines op land toe met zeventig megawatt naar 3.500 megawatt. Op zee kwamen er geen turbines bij en bleef de capaciteit staan op bijna 1.000 megawatt.

Door eenvoudige aanpassingen aan elektrisch aangedreven machines kunnen deze 30% tot 60% efficiënter worden. Bedrijven besparen zo al tussen de 3% en 10% op hun elektriciteitsverbruik. Dat blijkt uit de eerste resultaten van een pilot energiebesparing aandrijfsystemen van Kennisnetwerk Efficiënte Elektrische Aandrijfsystemen (KEEA). Tien bedrijven kunnen zich nog aanmelden voor de pilot.

De pilot Auditprogramma efficiënte elektrische aandrijfsystemen loopt sinds het voorjaar van 2019 bij 20 grote bedrijven in de chemie, staal, bouwmaterialen en voedingsmiddelen. “Deze bedrijven zijn allemaal grootverbruikers van energie, vanwege het gebruik van grote ventilatie- en pompsystemen en elektromotor gedreven machines”, vertelt Maarten van Werkhoven van het KEEA.

Aanmelden pilot energiebesparing aandrijfsystemen

Er kunnen nog 10 bedrijven deelnemen aan de pilot. Ze krijgen een analyse en advies over hoe ze energie kunnen besparen in hun elektrische aandrijfsystemen. Heeft u interesse in deelname, neem dan contact op met het Auditprogramma via KEEA. Het is mogelijk deel te nemen aan de deelsessie over de pilot op het EZK-evenement: Partners in energie-uitdagingen, op 30 januari 2020 in Barneveld.

30% tot 60% energie besparingspotentieel

Bijna een kwart van het totale energieverbruik van bedrijven bestaat uit verbruik door elektrische systemen. En 2/3 daarvan gaat naar elektrische aandrijfsystemen. Bij de pilot worden alle elektrische aangedreven systemen in het bedrijf bekeken. “We maken een selectie op basis van criteria als staat van onderhoud, betrouwbaarheid, gebruik en kosten. Dan volgt een analyse hoe elektriciteit te besparen is”, zegt Van Werkhoven. Die besparing is vaak verassend eenvoudig: “Een pomp hoeft bijvoorbeeld niet altijd op volle toeren te draaien. Regelen en inregelen is hier de sleutel. Soms hebben we ook een nieuwere pomp geïnstalleerd of de pomp en aandrijving aangepast.”

Uit de eerste resultaten bij vijf bedrijven blijkt dat de maatregelen zorgen voor een besparing van 30% tot 60% aan energie per systeem. Van de vijftien andere bedrijven zijn nog geen resultaten bekend, maar Van Werkhoven verwacht dat de besparing daar even hoog uitvalt.

Startup DENS, voortgekomen uit Team FAST dat bekend is van de mierenzuurmotor, ziet een mooie kans voor de mierenzuurtechniek bij generatoren en waterstof tankstations. Binnenkort komt de startup met een schone generator die mierenzuur omzet in waterstof en vervolgens elektriciteit.

Hoewel waterstofgas een schone brandstof kan zijn, is het ook licht ontvlambaar en explosief. Het moet daarom worden opgeslagen in kostbare tanks die een hoge druk aankunnen. Door mierenzuur als tussenschakel toe te passen, wil DENS de nadelen van waterstof ondervangen. Mierenzuur is een vloeistof die gewoon kan worden getankt, net als benzine of diesel. DENS noemt het daarom ook wel hydrozine.

De ervaring die eerder werd opgedaan met Team Fast leidde in 2018 tot een pilot in samenwerking met bouwbedrijf BAM Infra. Een flinke hydrozinetank voedde toen een schone generator die twee weken lang stroom bij de verbouwing van de N211 leverde.