Vomi, de branchevereniging van dienstverlenende ondernemers in de procesindustrie, heeft een infographic ontwikkeld om de bewustwording te bevorderen rondom het veilig werken met Chroom-6 houdende materialen.

Blootstelling aan Chroom-6 kan ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden kunnen mensen te maken krijgen met Chroom-6. Bij het werken aan installatieonderdelen waar Chroom-6 is geconstateerd, moeten dan ook voorzorgsmaatregelen worden genomen. Die voorzorgsmaatregelen moeten zowel door contractors als door asset owners worden genomen.

De infographic is bedoeld om bewustzijn te creëren bij medewerkers op de werkvloer door hen te informeren over het werken aan (mogelijk) Chroom-6 houdende materialen, de gevaren ervan en over de Arbeidshygiënische strategie. Via een toolbox is daarnaast een instrument beschikbaar om met medewerkers in gesprek te gaan en hen voor te lichten.
Ook wordt er door Vomi een Kennissessie Chroom-6 en een ronde-tafeldiscussie georganiseerd.

onderhoud

Klik op afbeelding om te vergroten.

De Inspectie SZW gaat de komende drie jaar scherp controleren bij BRZO-bedrijven op de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Uit eerdere inspecties blijkt dat bedrijven de gevaren van deze stoffen nog steeds onvoldoende in beeld hebben. Ook is het vaak niet duidelijk in welke mate werknemers worden blootgesteld.

Bij de inspecties gaat het om CMRS-stoffen zoals chroom-6, formaldehyde of benzeen. CMRS-stoffen kunnen kanker veroorzaken, genen beschadigen of schadelijk zijn voor de voortplanting. De afgelopen jaren heeft Inspectie SZW 28 procent van alle ruim 400 BRZO-bedrijven geïnspecteerd op het risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen voor werknemers. Alle BRZO-bedrijven die nog niet zijn geïnspecteerd op dit onderwerp, worden de komende drie jaar bezocht.

Naast het toezicht op blootstelling aan CMRS-stoffen voert de Inspectie SZW jaarlijkse reguliere inspecties uit. Uit diverse onderzoeken blijkt volgens de Inspectie dat bedrijven de risico’s van het werken met gevaarlijke stoffen onvoldoende op orde hebben.

Bronmaatregelen

Maar dit betekent niet dat bedrijven helemaal geen maatregelen treffen. De Inspectie SZW constateert dat er bij de bedrijven het nodige wordt gedaan en dat op veel vlakken de zaken wel zijn geregeld. Maar voor een goed samenhangend beleid om risico’s te voorkomen is meer nodig laat de Inspectie SWZ weten in een persbericht. ‘Wat opvalt is dat bedrijven er vooral voor kiezen om hun medewerkers persoonlijke beschermingsmiddelen te geven als ze met gevaarlijke stoffen werken, terwijl het verplicht is om te denken aan bronmaatregelen of technische maatregelen om blootstelling te vermijden. Door vervanging van de kankerverwekkende stof of aanpassing van het productieproces.’ Ook ziet de Inspectie dat maatregelen soms wel op het hoofdproces zijn toegepast, maar niet op alle nevenprocessen, zoals onderhoud aan installaties.

Waternet start in opdracht van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht op de rioolwaterzuivering (RWZI) Horstermeer met een proef om medicijnresten uit het afvalwater te halen. De proef bestaat uit het testen van een nieuwe techniek (O3-STEP filter) om microverontreinigingen zoals medicijnresten uit het water te halen. 

Waternet vindt steeds meer medicijnresten in zijn rioolwater. Het gaat om de werkzame stoffen  in geneesmiddelen zoals bijvoorbeeld in diclofenac, betablokkers en antibiotica. Die stoffen komen via urine en ontlasting in het riool en vervolgens in het oppervlaktewater. Oppervlaktewater is een bron voor de bereiding van drinkwater. Met de pilot wil het waterschap een techniek testen om deze stoffen bij de rioolwaterzuivering te verwijderen zodat deze niet meer in oppervlaktewater terecht komen.

Combinatie

Het O3-STEP filter is een extra stap in de rioolwaterzuivering waarbij Waternet bestaande technieken combineert. Het gaat dan om de combinatie van toepassing van ozonbehandeling (O3) en een  granulair actiefkoolfiltratie (1-STEP-filter). De ozon breekt de medicijnresten af of zet deze stoffen om naar stoffen die makkelijker biologisch afbreekbaar zijn.  En het koolfilter absorbeert de medicijnresten in de afgebroken vorm beter dan zonder ozon. Het is deze combinatie van twee technieken die veelbelovend lijkt.

Waternet kiest voor de RWZI Horstermeer als proeflocatie omdat de waterbeheerder daar al een granulair actief koolfilter toepast. Bovendien draaien op die locatie al proefinstallaties. De investeringen voor een ‘full-scale’  installatie is daardoor minder groot. Het bestuur van het waterschap trekt een kleine twee miljoen euro voor de proef uit.

Een aantal partners voert het onderzoek gezamenlijk uit: Waternet namens Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Witteveen+Bos, Nijhuis Industries, Cabot en TU Delft.  Het onderzoek maakt deel uit van het ‘Innovatieprogramma Microverontreinigingen uit afvalwater’ van STOWA en het Ministerie van Infrastructuur en Water (I&W).

Planning

Nadat de installatie is gebouwd start Waternet na de zomer met de proef. Die duurt ongeveer een jaar. Als de proef positief uitvalt dan willen de partijen eind 2022 op de RWZI Horstermeer een ‘full-scale’ installatie voor de verwijdering van microverontreinigingen realiseren. Als ook die proef slaagt, kijkt Waternet of ze deze techniek ook op andere RWZI’s kan toepassen.

De aanvraag voor een nieuwe lozingsvergunning van Sitech Services is volgens Waterschap Limburg te laat ingediend. Sitech spreekt van overmacht vanwege de veel gedetailleerdere uitvraag in het kader van een pilot rondom de Aanpak Opkomende Stoffen. Zo moet het bedrijf van alle deelstromen alle aanwezige stoffen inventariseren, wat neerkomt op zo’n 650 stoffen.

Sitech Services behandelt het afvalwater van de dertig organisaties en 54 service users op de Chemelot site in Geleen. Na behandeling van het afvalwater loost Sitech het schone water uiteindelijk op de Ur, een beek die bij Urmond in de Maas uitkomt. Stroomafwaarts haalt WML water uit de rivier om voor de zuivering naar drinkwater. Op Chemelot zijn de nodige verbeteringen gerealiseerd, en ook gaande, om de lozingen te verminderen.

Lozingsvergunning Chemelot

Eind van dit jaar vervalt de oude lozingsvergunning van Sitech en dus zou het bedrijf in maart een nieuwe vergunning moeten indienen. De Rijksoverheid wil echter meer grip krijgen op opkomende stoffen in afvalwater en besloot de vergunningsaanvraag als pilot te gebruiken. Hoewel het bedrijf hetzelfde loost als altijd, is het detailleringsniveau in de vergunning fors omhoog gegaan.

Om de details van de opkomende stoffen goed in de aanvraag te krijgen, moet Sitech alle stoffen in een product of productstroom apart behandelen. Door op dit detailniveau te kijken komt het bedrijf in totaal op zo’n 650 stoffen, die allen deel uitmaken  van de afvalstroom.

Uiteindelijk kon Sitech in juni zijn rapporten indienen, veel te laat volgens Waterschap Limburg. Die zegt tien maanden nodig te hebben om de aanvraag te kunnen beoordelen en af te handelen.

Opkomende stoffen

Vanwege de landelijke wens de kwaliteit van het water verder te verbeteren en de ontwikkeling van methodieken om stoffen te kunnen meten en analyseren, wordt deze nieuwe manier van vergunningaanvraag nu voor het eerst toegepast. Doordat Chemelot als een van de eersten dit proces  doorloopt, is deze nieuwe aanvraag een pilot voor heel Nederland.

Sitech liep tegen grenzen aan omdat niet alle informatie van alle afzonderlijke stoffen even goed bekend waren. Ook is er op dit moment niet voor iedere afzonderlijke stof een norm beschikbaar om de stof aan te kunnen toetsen. Daarnaast ontbreekt het soms aan methoden om iedere stof afzonderlijk te kunnen meten.

In 2015 kreeg Sitech nog een boete vanwege een pyrazool-overschrijding.

De emissie van vinylchloride bij PVC-producent Shin Etsu in Pernis in 2017 is ontstaan nadat een breekplaat bij een veerveiligheid van een reactor faalde. Dat blijkt uit onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

Omdat die veerveiligheid niet goed vast zat, kon een open verbinding met de buitenlucht ontstaan. Tijdens een ruim drie-en-een-half uur durende emissie kwam circa 3,6 ton vinylchloride in de atmosfeer vrij. Niemand is gewond geraakt bij het incident en niemand is blootgesteld aan een concentratie vinylchloride boven de gezondheidsgrenswaarde.

Veerveiligheid

De veerveiligheid bij de reactor van Shin Etsu opent bij een te hoge druk in de reactor. Door een teveel aan gas door te laten naar een emissiepunt verlaagt de veerveiligheid de druk. Een breekplaat schermt de veerveiligheid af van de reactor. Omdat breekplaten kunnen falen, kan dat alleen als de installatie gasdicht is. Ook als de breekplaat zou falen. De gasdichtheid van de installatie is een veiligheidskritische voorwaarde die continu op orde moet zijn. Bij het toetsen of aan deze veiligheidskritische voorwaarde is voldaan, moet dus ook het leidingdeel tussen de breekplaat en de veerveiligheid worden getest.

De bij de reactor aanwezige meetapparatuur is uitsluitend gebruikt om zicht te houden op het batchproces. De beschikbare meetwaarden zijn niet gebruikt om vooraf of tijdens het proces na te gaan of de installatie gasdicht was. Door het aanwezige inzicht in druk en temperatuur niet te gebruiken, is een niet goed vastzittende flens bij de veerveiligheid door Shin-Etsu niet opgemerkt.

Geen controle

Bij de opstart van de reactor is de integriteit van de reactor getest. Shin-Etsu zag de breekplaat en de veerveiligheid echter niet als veiligheidskritisch onderdeel van de reactor, terwijl deze wel die functie hadden. De gasdichtheid van de reactor is een veiligheidskritische voorwaarde voor het gebruik ervan. De installatie moet daarom in zijn geheel, met alle veiligheidskritische potentiële emissiepunten, worden gecontroleerd en gemonitord. Door het ontbreken van deze benadering kon de emissie plaatsvinden.

Tweede keer

Het is de tweede keer in korte tijd dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een rapport naar buiten brengt over Shin Etsu. Tijdens een vier uur durende emissie kwam in augustus 2016 bij Shin-Etsu in Rotterdam-Botlek ook vinylchloride vrij in de atmosfeer. Lees hier meer.

Ruim één miljoen Nederlanders hebben op het werk te maken met stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid. Zij zijn zich hier meestal niet van bewust, omdat het om stoffen gaat die je niet kunt zien, ruiken of waarvan je niet verwacht dat die schadelijk zijn. Bovendien worden de gevolgen van blootstelling, waaronder kanker, astma en COPD pas jaren later zichtbaar, vaak na pensionering. Onder werkenden leidt blootstelling aan deze stoffen tot 150.000 verzuimdagen per jaar.

Alle reden voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om de komende vier jaar samen met TNO, werknemers- en werkgeversorganisaties, arboprofessionals en preventiemedewerkers in een campagne extra aandacht te geven aan de preventie van beroepsziekten door stoffen.

Risicoperceptie en bewustzijn matig

Uit het onderzoek ‘preventie beroepsziekten door stoffen’ van TNO, blijkt dat de kennis van risico’s van werken met stoffen over het algemeen matig is. De lange tijd die zit tussen blootstelling aan bijvoorbeeld kankerverwekkende stoffen en ziek worden, maakt het bovendien lastig een causaal verband aan te tonen. Zelfs als het verband wel wordt aangetoond, gaat er door de lange tijd tussen blootstelling en ziekte geen prikkel uit naar de werkgever om de bron aan te pakken en leidt dit in de meeste gevallen ook niet tot een gedragsverandering bij werknemers.

Naast een gebrekkige kennis is de organisatiecultuur een belangrijke hindernis bij elke vorm van preventie, en dan met name de machocultuur binnen organisaties. ‘Als veilig werken geen onderdeel van de cultuur is, of onveilig en ongezond werken zelfs de norm is, dan heeft dat invloed op de effectiviteit van de maatregelen’, concluderen de onderzoekers van TNO.

Cultuurverandering

Het bewerkstelligen van een cultuur van veilig werken vergt veel inspanning en gaat volgens Birgitte Blatter, manager Arbeidsveiligheid en Monitoring & Onderzoek bij Veiligheid.nl, verder dan het ophangen van arboposters en het geven van informatie over de risico’s om het gewenste gedrag te bereiken. ‘Werkgevers gaan ervan uit dat we een weloverwogen afweging maken van de risico’s en daarop ons gedrag baseren. De realiteit is dat we niet rationeel denken: 95 procent van het menselijk gedrag is onbewust en slechts 5 procent bewust. We zijn gewoontedieren en vertonen vaak impulsief of automatisch gedrag en laten ons beïnvloeden door onze sociale omgeving. Veranderen kost energie, we blijven liever in de oude situatie.’

Om de weerstand tegen veranderingen te doorbreken, is continu aandacht voor veilig gedrag nodig. Er moet een cultuur ontstaan waarin lering wordt getrokken uit incidenten en mensen elkaar aan durven te spreken op hun gedrag. Gekeken moet worden hoe leidinggevenden en collega’s als voorbeeld kunnen dienen.

Bewustzijn jongeren neemt toe

Saskia Gorissen, arbeidshygiënist en lid van de projectgroep Preventie Beroepsziekten van de Nederlandse Vereniging van Arbeidshygiënisten (NVVA), probeert de conclusies van Blatter dagelijks bij bedrijven in praktijk te brengen. Berichten uit de media, zoals verhalen over het gebruik van schadelijke chroom 6 in verf, leiden er volgens Gorissen toe dat het veiligheidsbewustzijn langzaam toeneemt. Dit geldt vooral voor jongeren van eind twintig, begin dertig jaar. ‘Zij gaan nadenken of ze misschien ook werken met stoffen waar ze ziek van kunnen worden.’ Zij signaleert ook dat dit niet geldt voor minder opgeleide mensen. ‘Als je met hen spreekt over wat de gevolgen zijn over vijf tot tien jaar is de houding vaak: dat zien we dan wel weer. Ze zijn over het algemeen optimistisch over hun gezondheid en zijn ervan overtuigd dat het hen niet zal overkomen. Als er geen goede veiligheidscultuur in een bedrijf is, is dit denken lastig te doorbreken.’

De beste preventie is het verbannen van gevaarlijke stoffen. Dat is in de praktijk niet altijd mogelijk. De op een na beste oplossing is dan om de blootstelling te minimaliseren door goede afzuiging, een andere werkmethode of het gebruik van persoonlijke bescherming. Het is dan wel zaak dat de medewerkers de beschikbare hulpmiddelen goed gebruiken.

Gedeelde verantwoordelijkheid

Op de vraag hoe je werknemers zover krijgt dat ze dat ook inderdaad gaan doen, antwoordt Gorissen: ‘Werknemers vinden het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor veilig werken niet alleen bij hen wordt gelegd, maar dat de werkgever duidelijk laat zien er alles aan te doen om de werksituatie te verbeteren. Een goede dialoog tussen leidinggevende en medewerker is belangrijk. Als mensen bijvoorbeeld geen gebruik maken van beschermingsmiddelen, is daar meestal een reden voor. Ik kom vaak tegen dat ze bij fysiek inspannend werk een gezichtsbedekkend masker moeten dragen dat beslaat waardoor ze niets meer zien. Soms hebben ze een heel groot masker op met nog een onderdeel achterop hun rug, terwijl ze in hele nauwe plekken moeten werken. Daar moeten ze samen een oplossing voor proberen te vinden. Dat lukt niet altijd.’

Het is belangrijk dat er goede voorlichting komt. Gorissen pleit ervoor al in de beroepsopleiding aandacht te besteden aan de risico’s van blootstelling aan stoffen. ‘Dat gebeurt soms wel, maar het is geen standaardonderdeel van de opleiding. Daarnaast moet de werkgever voorlichten, maar vooral ook luisteren. Als mensen het idee hebben dat er wordt geluisterd, zullen ze vaker met verbeteringsvoorstellen komen en wordt de omgeving veiliger. Als de werkgever er niets mee doet, gaan ze hun eigen ding doen.’

Arbeidshygiënestrategie

Voordat een bedrijf toe is aan het doorvoeren van een cultuurverandering, is het volgens Gorissen zaak om eerst te inventariseren wat er al is aan informatiekanalen en voorlichtingstrajecten en welke beheersmaatregelen er zijn getroffen. ‘Je kunt wel eisen stellen aan werknemers, maar als het een grote puinhoop is, dan wordt het niets. Er moet een basis aanwezig zijn om veilig te kunnen werken. Pas dan kun je door met de cultuurverandering en met het gedrag.’

Cultuur en gedrag pak je volgens Gorissen aan door voortdurend aandacht aan het onderwerp te besteden in het werkoverleg en mensen bij veiligheid te betrekken. ‘Dit kan door werknemers en leidinggevenden om beurten werkplek-inspecties te laten lopen, waardoor ze een gevoel krijgen van waar ze op moeten letten. Een andere manier is om werknemers een laatste minuut risicoanalyse te laten uitvoeren waarbij ze, voordat ze beginnen, eerst inventariseren met welke stoffen ze te maken hebben en of de werkplek veilig is. Bij onderhoud wordt dan gekeken of er nog gevaarlijke stoffen ergens in een pijplijn zitten en of er voldoende beschermingsmaatregelen zijn. Is dit niet het geval, dan mogen mensen werk weigeren en moet het eerst worden opgelost.’

tekst gaat verder onder deze afbeelding

Als al deze maatregelen zijn genomen en blijkt dat blootstelling niet kan worden voorkomen, zijn er enkele alternatieven om aan te wenden, zoals taakroulatie, waardoor de blootstelling kan worden verkort. In de bouw wordt gekeken naar andere methodes van werken, bijvoorbeeld niet slijpen maar knippen. Stof wordt niet weggeveegd maar opgezogen. ‘Er is heel veel mogelijk, maar sommige werkgevers weten dit niet’, stelt Gorissen.

Best practices

Een sector die stappen heeft gezet in de preventie van blootstelling aan stof is de bakkersindustrie. Meel lijkt op zich onschuldig, maar kan tot allergieën en longproblemen leiden. Daarnaast zijn er nog andere stoffen, zoals enzymen, waar zorgvuldig mee moet worden omgegaan. De bakkerijsector heeft een gezondheidsbewakingssysteem ontwikkeld dat in de cao is opgenomen. Er is ook een speciale website blijmetstofvrij.nl waar voorlichting wordt gegeven over preventie en veilige werkmethodes, zoals het gebruik van stofzuigers bij het schoonmaken van de werkplek in plaats van perslucht en het afdekken van deegkneders.

In de afvalsector heeft een bedrijf dat slib, dat is vervuild met allerlei vluchtige organische stoffen, schoonmaakt, maatregelen getroffen om blootstelling aan bijvoorbeeld benzeen bij het storten van slib zoveel mogelijk te voorkomen. De grote open bak waarin het slib werd gestort is afgedicht waardoor werknemers niet langer met een masker op hoeven te werken. Verder is er veel geïnvesteerd in gerichte afzuiging. Bij storingen dragen de werknemers adembescherming en een persoonlijk alarm voor te hoge blootstelling. Werknemers bepalen hier zelf of ze dan werken met aanvullende bescherming of later terugkomen als er is geventileerd.

Persoonsgerichte preventie

Met de opkomst van het Internet of Things en steeds betere sensortechnologie kan data worden verzameld en geanalyseerd. Het is daarmee mogelijk om in de toekomst per persoon vast te stellen wat de blootstelling is en te zoeken naar persoonlijke oplossingen. Gorissen: ‘We zijn nu al gewend aan slimme horloges of armbandjes die bijhouden hoeveel je beweegt of hoeveel calorieën je verbruikt, maar in de toekomst kun je hierop ook zien wat je blootstelling aan gevaarlijke stoffen is geweest, zowel op het werk als privé.’

Roel Vermeulen, hoogleraar Milieu-epidemiologie en Exposoom analyse aan het Institute voor Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht, onderzoekt de mogelijkheden om aan persoonsgerichte preventie te doen. Hoe iemand reageert op blootstelling aan stoffen kan sterk verschillen. Door dit te onderzoeken kan het preventiebeleid worden afgestemd op de persoon. Dat biedt werkenden de mogelijkheid om zelf meer inzicht in hun situatie te krijgen en regie te voeren over gewenste acties.

Gorissen volgt het onderzoek van Vermeulen met belangstelling, maar plaatst er enkele kanttekeningen bij. ‘Het punt is dat in werksituaties hele andere grenswaarden gelden dan in de thuissituatie. Hoe ga je de resultaten interpreteren? Benzeen tast de lever en nierfunctie aan, maar dat doet alcohol ook. Als in een periodiek medisch onderzoek blijkt dat de lever- en nierfunctie niet optimaal is, dan is het de vraag of dit komt door blootstelling op het werk of door alcoholgebruik.’

Cijfers en feiten over beroepsziekten door stoffen

  • Eén op de zes werknemers (in totaal ongeveer een miljoen Nederlanders) loopt het risico om ziek te worden door blootstelling aan stoffen op het werk.
  • In 2015 zijn er zo’n 3000 personen overleden aan een beroepsziekte door blootstelling aan stoffen. Het gaat hierbij om werkenden en gepensioneerden.
  • 1,8 procent van de totale ziektelast in Nederland wordt veroorzaakt door blootstelling aan risicofactoren zoals stoffen. Ruim 55 procent van deze werkgerelateerde ziektelast door stoffen doet zich voor na pensionering.
  • Belangrijke sectoren waar blootstelling aan de geïdentificeerde stoffen een risico is, zijn de chemie, metaal, bouw en zorg.
Cijfers: RIVM

Sluipmoordenaars waar we ons niet altijd van bewust zijn

  • Meelstof in bakkerijen
  • Houtstof in meubelmakerijen
  • Dieselrook in garages
  • Lasrook in metaalbedrijven
  • Kwartsstof en isocyanaten op bouwplaatsen

​CDA Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik heeft samen met twee Duitse collega’s (Peter Liese en Karl-Heinz Florenz) aan de Europese Commissie gevraagd om het voorstel van het Duitse Milieuagentschap (UBA) over de classificatie van GenX als zeer zorgwekkende stof te steunen.

UBA stelt voor om stoffen die persistent, mobiel en toxisch zijn, zoals GenX, te classificeren als zeer zorgwekkende stoffen in de Europese wetgeving voor registratie, evaluatie en toelating van chemische stoffen (REACH). Het drietal Europarlementariërs vraagt ook aan de Commissie wat zij denkt over het opnemen van een drinkwatercriterium in REACH, zodat mogelijke negatieve effecten op drinkwaterbronnen door lozingen van gevaarlijke stoffen kan worden voorkomen.

Vewin verwelkomt deze vragen omdat dit aansluit bij de wens van Vewin om in REACH een drinkwatercriterium te introduceren zodat de mogelijke negatieven effecten op de drinkwatervoorziening door de lozing van gevaarlijke stoffen meegewogen worden in de toelatingsprocedure van chemische stoffen.

Drinkwatercriterium opnemen in REACH

De vragen zijn vervolgvragen op eerdere vragen van Schreijer-Pierik over opkomende stoffen. Ze vroeg eerder ook of de Commissie kan onderzoeken hoe de preventie van negatieve effecten door lozingen van gevaarlijke stoffen op de drinkwatervoorziening beter kan worden geborgd. Hierop antwoordde de Commissie dat ze bij de evaluatie van de KRW zal onderzoeken of de KRW en de daarmee samenhangende richtlijnen ervoor zorgen dat chemische verontreinigingen, onder meer door opkomende stoffen zoals GenX, op adequate wijze worden aangepakt. Ook antwoordde de Commissie toen dat de Commissie in het kader van de REACH-systematiek acties in gang zet om het gebruik van bepaalde perfluoralkylverbindingen (waaronder GenX) te beoordelen en/of te beperken.

Staatssecretaris van Veldhoven steunt UBA-initiatief

In Nederland heeft staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Stientje van Veldhoven richting de Tweede Kamer uitgesproken het UBA-initiatief te steunen en hier in Brussel werk van te zullen maken. Het Duitse Milieuagentschap UBA heeft politieke steun nodig voor haar initiatief om kans van slagen te hebben. Steun van de Europese Commissie is van groot belang. Vorige week heeft minister van Nieuwenhuizen van IenW in een debat met de Tweede Kamer aangegeven de mogelijkheden van het opnemen van een drinkwatercriterium in REACH te willen onderzoeken.

Waterschap Scheldestromen stelt een onderzoek in naar de aanwezigheid van GenX in het afvalwater op de rioolwaterzuivering in Terneuzen en het nabij gelegen oppervlaktewater. Aanleiding van dit onderzoek zijn metingen van Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD). Uit deze metingen bleek dat er GenX in het afvalwater van Indaver Industrial Waste Services voorkomt.

Het afvalwater van dit bedrijf wordt via een persleiding vervoerd naar de rioolwaterzuivering. Door een recente lekkage in deze gemeentelijke persleiding in de buurt van de zuivering bestaat er een mogelijkheid dat GenX ook in het oppervlaktewater terecht is gekomen. Samen met de betrokken partners RUD Zeeland, gemeente Terneuzen en Rijkswaterstaat wordt onderzocht of er maatregelen nodig zijn.

Aanleiding

GenX werd eerder aangetroffen bij afvalverwerkende bedrijven en rioolwaterzuiveringen. De RUD heeft daarom een meting gedaan bij Indaver Industrial Waste Services in Hoek.

Onderzoek

De watermonsters zijn door de RUD Zeeland genomen in het afvalwater van het bedrijf. Dit afvalwater (effluent) wordt in een gesloten gemeentelijke persleiding naar de rioolwaterzuivering Terneuzen vervoerd. Omdat GenX niet afbreekbaar is, acht het waterschap de kans groot dat GenX ook wordt aangetroffen op de rioolwaterzuivering. Dat wordt komende weken nader onderzocht. Het onderzoek moet uitwijzen in welke concentraties GenX uiteindelijk terechtkomt in het oppervlaktewater. Het gezuiverde rioolwater komt uiteindelijk in het oppervlaktewater terecht (Westelijke Rijkswaterleiding en Westerschelde). Consequenties voor de waterkwaliteit zijn nu nog niet bekend.

Wat is het?

GenX is eigenlijk geen stof, maar een technologie waarbij twee fluorhoudende stoffen worden gebruikt om coatings te maken. Deze coatings worden onder andere gebruikt om pannen te voorzien van een anti-aanbaklaag. Volgens het RIVM is GenX een potentieel zorgwekkende stof voor mens en dier, zij het alleen bij inname in heel hoge doseringen. Ook al is er in dit geval waarschijnlijk sprake van lage concentraties in het afvalwater, desondanks nemen de in de waterketen samenwerkende partners dit onderwerp uiterst serieus. Landelijk wordt onder regie van Inspectie voor Leefomgeving en Transport onderzoek verricht.

Het oppervlaktewater in Zeeuws-Vlaanderen wordt net als het afvalwater niet gebruikt als bron voor drinkwater. Het drinkwater voor Zeeuws-Vlaanderen kent als bron de Brabantse Biesbosch en is veilig voor consumptie.

 

Waterschap Aa en Maas heeft de tweede bron van GenX gevonden: de Ecoflow afvalwaterinstallatie van Suez. De commerciële biologische afvalwaterzuivering zuivert afvalwater van bedrijven uit de buurt. Het bedrijf weet nog niet waar de afvalwaterstroom vandaan komt, maar staakte wel de inname van stromen met een risico op de aanwezigheid van GenX.

In een brief van minister van Infrastructuur en Waterstaat Cora van Nieuwenhuizen staat een overzicht van het onderzoek dat tot nog toe is gedaan naar aanleiding van de signalering van GenX in het water van Noord Brabant. De eerste bron was al snel herleid tot Custom Powders, dat zichzelf aanmeldde. Een tweede bron bleef nog lang een raadsel. Inmiddels is duidelijk dat er 7900 nanogram per liter GenX is aangetroffen in het effluent van Ecoflow op het bedrijventerrein Ekkersrijt in de gemeente Son en Breugel. Het bedrijf heeft alle medewerking toegezegd om samen met de provincie en de gemeente de bron te achterhalen.

Op advies van de provincie en op aandringen van de gemeente Son en Breugel heeft Ecoflow de inname van alle afvalwaterstromen met een risico op de aanwezigheid van GenX tijdelijk gestaakt en is de beluchting van het zuiveringsproces geminimaliseerd. Ecoflow heeft aangegeven enkel nog afvalwater in te nemen, dat het bedrijf als niet-verdacht beoordeelt.

Ongeveer de helft van de totale concentratieverhoging bij lozingspunten van RWZI’s in het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door tien procent van de RWZI’s. Dat is een van de conlusies van de hotspotanalyse die wateronderzoeksbureau Stowa uitvoerde. Wat betreft benedenstroomse waterkwaliteit veroorzaakt twintig procent van de RWZI’s (63 in aantal) ongeveer tachtig procent van de totale invloed op het Nederlandse regionale watersysteem.

De problematiek van ’medicijnresten’ in het oppervlaktewater heeft de afgelopen jaren regelmatig de pers en de agenda van de landelijke politiek gehaald. De maatschappelijke en wetenschappelijke zorg over de effecten ervan neemt bovendien snel toe. Dit vormde voor STOWA aanleiding voor het uitvoeren van een hotspotanalyse. De analyse beperkt zich tot humane geneesmiddelen en is gebaseerd op kentallen, die zijn gebaseerd op daadwerkelijk gemeten waarden in effluent van Nederlandse rwzi’s.

Maatlatten

De concentratiebijdrage van elk van de 314 RWZI’s en de 23 grensoverschrijdende rivieren en beken is berekend voor elk oppervlaktewaterlichaam. Op basis van deze gegevens zijn vervolgens specifieke ’maatlatten’ afgeleid voor drie waterkwaliteitsaspecten. Dit zijn (1) de concentratiebijdrage aan het ontvangende water bij het lozingspunt, (2) de invloed op de benedenstroomse waterkwaliteit en (3) de beïnvloeding van drinkwaterbronnen.

Concentratiebijdrage ontvangende water

Wat betreft de concentratiebijdrage aan het ontvangende water bij het lozingspunt laten de resultaten zien dat ongeveer de helft van de totale concentratieverhoging bij lozingspunten van RWZI’s in het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door tien procent van de RWZI’s (31 stuks). De concentratiebijdrage van deze RWZI’s ligt tussen de 18 en 36 µg/l. RWZI’s met een hoge concentratiebijdrage komen vooral voor bij kleine ontvangende oppervlaktewateren in het oosten en zuiden van het land, en bij oppervlaktewateren met weinig doorspoeling in het westen en noorden van het land.

Invloed benedenstroomse waterkwaliteit

De maatlat invloed op de benedenstroomse waterkwaliteit laat zien dat twintig procent van de RWZI’s (63 in aantal) ongeveer tachtig procent van de totale invloed op het Nederlandse regionale watersysteem veroorzaakt. De grootste invloed is te vinden bij RWZI’s die lozen op de boezemsystemen in het westen en noorden van het land. Hier is in de zomer sprake van een geringe doorstroming en dus een lange verblijftijd met relatief grote beïnvloede wateroppervlakken.

Voor wat betreft de beïnvloeding van de drinkwaterbronnen wijzen modelberekeningen uit dat 64 drinkwaterbronnen worden beïnvloed door oppervlaktewater met een significante concentratie medicijnresten.

Regionale verkenning

Het rapport geeft volgens Stowa een aantal handvatten die kunnen worden gebruikt om de ernst van de emissie te bepalen en om locaties te kunnen vaststellen waar de effectiviteit van eventuele maatregelen ter vermindering van die emissies het grootst is. Deze locaties worden aangeduid als hotspots. De uitkomsten dienen enerzijds de ontwikkeling van een landelijke visie over de omvang van eventuele maatregelen bij rwzi’s. Anderzijds vormen zij het vertrekpunt voor een regionale verkenning van, en discussie over eventueel daadwerkelijk te nemen maatregelen.

Verwijderen

Parallel aan de Hotspotanalyse heeft STOWA een verkenning uitgevoerd naar de effectiviteit en de kosten van mogelijke technieken voor het verwijderen van geneesmiddelen op rwzi’s. Beide STOWA-onderzoeken vormen een goede basis voor nadere analyses van de waterschappen om te besluiten of en waar zij tot aanvullende zuivering overgegaan. STOWA en de waterschappen gaan in pilotprojecten verschillende technieken testen op effectiviteit en kosten.