In een nieuwe studie actualiseerde TNO de twee jaar geleden opgestelde toekomstscenario’s voor de Nederlandse energievoorziening. Via deze scenario’s onderzocht TNO wat de aanscherping van de klimaatdoelstellingen betekent voor het verduurzamen van het Nederlands energiesysteem na 2030.  De studie geeft een beeld van ons toekomstig energiesysteem met onder andere het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, groene waterstof en eventueel kernenergie. Eén conclusie blijft onverkort overeind: een scenario met hogere ambities leidt niet tot hogere kosten.

De twee scenario’s, Adapt en Transform, schetsen toekomstbeelden voor de Nederlandse energievoorziening na 2030 en geven inzicht wat de gevolgen zijn van de aangescherpte doelstellingen.  Het kabinet streeft naar tenminste 55 procent CO2 reductie in 2030 en klimaatneutraal in 2050. De twee scenario’s laten zien hoe een klimaatneutraal energiesysteem is te realiseren met verschillende verduurzamingsambities. Uitgangspunt is het streven naar een energiesysteem tegen de laagste kosten voor de maatschappij.

Groene moleculen

Beide scenario’s gaan uit van dezelfde hoeveelheid CO2-reductie in 2050, maar Adapt is minder ambitieus en draagt minder bij aan het halen van de Parijse klimaatdoelstellingen. In het scenario zijn fossiele brandstoffen nog steeds een grondstof en de emissies door de internationale lucht- en zeevaart dalen slechts met de helft.

Het Transform-scenario legt de lat veel hoger. Door gedragsverandering en verdergaande energiebesparing daalt allereerst de energievraag. Bovendien kan Nederland in hoge mate zelf in de energievraag voorzien dankzij de opwek van elektriciteit door de windparken op de Noordzee.

Hoofdauteur Martin Scheepers: ‘We hebben het vaak over decarboniseren van de industrie, maar dit scenario gaat ook over recarbonisatie. Je zorgt ervoor dat alle moleculen in kunststoffen en brandstoffen uiteindelijk groen worden. Voor de productie van duurzame chemicaliën en brandstoffen gebruikt de industrie hiervoor koolstof uit bio-grondstoffen, uit gerecyclede plastics en CO2 die wordt afgevangen uit de lucht. Minder vraag en meer hergebruik gaan hier hand in hand.’

Grondstoffen

In het dankzij gedragsverandering vergaande Transform-scenario gaat het om het verduurzamen van niet alleen energie maar ook van grondstoffen. Hierin is een grote rol weggelegd voor de lokale productie van groene chemicaliën en brandstoffen voor de internationale lucht- en zeevaart. In 2050 zullen hoogwaardige chemicaliën voor negentig procent worden gemaakt van hernieuwbare koolstof, afkomstig van biomassa of CO2 uit de lucht. Een tweede belangrijke veronderstelling is het recyclen van plastics om een circulaire economie dichterbij te brengen.

Zelfvoorzienend

In de toekomst zal Nederland energie- en grondstoffen blijven importeren. Door over te schakelen naar hernieuwbare energiebronnen daalt de afhankelijkheid van kolen, olie en aardgas in 2030 met zo’n 26 procent en aardgas met 33 tot 46 procent.

In het Transform-model gaat TNO er bewust van uit dat Nederland in het overgrote deel van de energievraag zelf kan voorzien met hernieuwbare energiebronnen. Import van bio-grondstoffen en uitwisseling van elektriciteit met het buitenland blijft nog wel nodig. TNO zocht de grenzen van het mogelijke op en rekende het scenario door. Waterstof speelt hier een cruciale rol en is in grote hoeveelheden nodig voor de productie van groene chemicaliën, kunststoffen en synthetische brandstoffen. Om de waterstof volledig in eigen land te kunnen produceren, moet in 2050 de inzet van zonne- en windenergie maximaal zijn. Als die niet toereikend blijkt, is kernenergie als aanvullende bron onvermijdelijk.

Kernenergie

Beide scenario’s zien nog een rol voor kernenergie. Scheepers: ‘We streven naar een zo groot mogelijke inzet van zon en wind voor onze energievoorziening en verduurzaming van de zware industrie. Kernenergie kan daarop een noodzakelijke en CO2-vrije aanvulling zijn, maar mag de ambities voor zon en wind niet overschaduwen. In de scenario’s redeneren wij namelijk vanuit de voor onze samenleving meest kosteneffectieve oplossing. Kernenergie een grotere rol geven dan zon en wind past daar niet bij. De energievraag gaat, vooral door elektrificatie van de industrie, richting 300 terawattuur of zelfs meer dan 500 TWh is niet uit te sluiten. In dat laatste geval red je het niet meer met alleen zon en wind.’

Negatieve emissies

Een groot verschil tussen beide scenario’s heeft betrekking op CO2. In Adapt is een grote rol weggelegd voor de afvang en ondergrondse opslag van CO2 uit fossiele bronnen. In het ambitieuzere Transform-model is de meeste CO2 biogeen en vormt dit de basis voor groene chemicaliën en brandstoffen. Overigens blijft het ook in Transform nog nodig een beperkte hoeveelheid CO2 ondergronds op te slaan. Dit ter compensatie van andere moeilijk te reduceren broeikasgasemissies zoals methaan en lachgas.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) maakt 6,8 miljard euro vrij voor extra CO2-reductie om de klimaatdoelen in het vizier te houden. Tegelijkertijd wil ze ETS-plichtige bedrijven verplichten energiebesparende maatregelen te nemen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend.

De afgelopen jaren nam het kabinet forse maatregelen en kondigde nieuwe maatregelen aan om de CO2-uitstoot te verminderen. Desondanks is een extra inspanning nodig om de doelstelling van 49 procent broeikasgasreductie in 2030 (t.o.v. 1990) in het vizier te houden. Daarom investeert het kabinet 6,8 miljard euro extra in klimaatmaatregelen zonder lastenverzwaringen.

Extra CO2-reductie in de industrie

De industrie mag vanaf 2050 bijna geen schadelijke stoffen meer uitstoten. Het kabinet werkt aan maatregelen om de emissies, zoals de uitstoot van lachgas, naar beneden te brengen. Ook breidt het kabinet de plicht om energiebesparende maatregelen te nemen die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend, uit naar grote industriële (ETS-)bedrijven. Er worden middelen vrijgemaakt zodat gemeenten en omgevingsdiensten de handhaving van deze plicht kunnen verbeteren.

1,3 miljard voor toekomstige energie-infrastructuur

De overheid wil dat bedrijven de noodzakelijke verduurzamingsslag hier in Nederland kunnen maken. Infrastructuur voor schone energie is hiervoor essentieel. Daarom reserveert het kabinet 1,3 miljard euro voor energie-infrastructuurprojecten die belangrijk zijn voor de klimaat- en energietransitie. Dit bestaat uit subsidie voor een warmtetransportnet in Zuid-Holland. En 750 miljoen euro voor het ombouwen van delen van het bestaande gasnet tot een landelijke ‘Waterstof backbone’ die de Nederlandse industrieclusters verbindt.

Hulp bij verduurzamen

De overheid komt Nederlanders die duurzame keuzes maken tegemoet in de kosten. Daarom worden bestaande subsidieregelingen uitgebreid zodat consumenten een tegemoetkoming van 1000 tot 2100 euro kunnen krijgen voor de aanschaf van een hybride warmtepomp. Ook werkt het kabinet maatregelen uit gericht op extra stimulering van (betaalbare) elektrische auto’s en helpt het kabinet (MKB-)bedrijven bij verduurzaming door de aanschaf van elektrische bestelbussen te subsidiëren. Ook verhoogt het kabinet het budget van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE++) met drie miljard euro.

Tijdens de openings-talkshow van de Europese Industry & Energy Summit 2020 zal moderator Joost Hoebink spreken met onder anderen Diederik Samsom (EC), Anja-Isabel Dotzenrath (RWE Renewables) en Klaus Schäfer (CTO Covestro). Onderwerp op 8 december is de rol van Europa in de industriële energietransitie.

Er is niet één enkele oplossing. Als we de klimaatverandering willen tegengaan, hebben we verschillende technologieën en ideeën nodig die elkaar ook kunnen versterken. Systeemintegratie en -inclusie lijken in dit opzicht zeer belangrijk. En ook een geïntegreerde internationale aanpak. Europese landen, bedrijven en onderzoeksinstellingen kunnen samen veel verder gaan dan alleen. Maar hoe? Wat is het perspectief? En wie neemt de voortrekkersrol op zich?

Programma opening EIES2020:

9.00 Kick off

9.05 Welkomstwoord van Victor Everardt (havenwethouder van de stad Amsterdam)

9.15 Interview André Faaij (wetenschappelijk directeur TNO energietransitie) om het thema in een deskundig perspectief te plaatsen.

Pitch stop

9.30 Interview Diederik Samsom (kabinetschef Frans Timmermans) over de Green Deal en het perspectief van de Europese Commissie op de industriële transitie.

9.45 Interview Anja-Isabel Dotzenrath (CEO RWE Renewables) over de Europese energietransitie vanuit het perspectief van een Europees bedrijf.

Pitch stop

10.05 Interview Bert van der Lingen (Nederlandse Consul Generaal van Antwerpen) over de rol en de mogelijkheden van de buurlanden in de Europese energietransitie.

10.15 Interview Klaus Schäfer (CTO Covestro) over de rol en kansen van grote industriële bedrijven in de Europese energietransitie.

10.30 Einde talkshow

European Industry & Energy Summit 2020

Tijdens European Industry & Energy Summit 2020 op 8 en 9 december zenden wij uit vanuit vier studio’s: Amsterdam, Eemshaven (Groningen Seaports), Rotterdam (Plant One Rotterdam) en Geleen (Brightsite Chemelot Campus).  We bespreken thema’s als Europese plannen, waterstof, infrastructuur, innovatie en systeemintegratie. Verschillende partners presenteren in side-events hun visie op onderwerpen als CCUS, elektrificatie, elektrochemie, energiebesparing- en opslag, en veel meer.

Inschrijven voor de livestreams is kosteloos (pay as you like).

Mijn vorige column in mei van dit jaar (Never waste a good crisis) ging over de coronacrisis en hoe deze ook positieve neveneffecten had op vlak van milieu en algemene levenskwaliteit. Nu staan we aan het begin van de langverwachte tweede golf. Die steekt even fel van wal wat betreft exponentiële groei, voorlopig nog met veel besmettingen en relatief weinig doden, maar dat kan snel veranderen.

Een groot verschil met de eerste golf is dat er van positieve neveneffecten geen sprake meer is. Er zijn nu vooral negatieve effecten, effecten die minder worden veroorzaakt door het virus zelf, maar vooral door de maatregelen ertegen. Het publieke leven komt grotendeels tot stilstand en de economie wordt langzaam doodgeknepen. In hoeverre het middel niet erger is dan de kwaal, is nog maar de vraag. De publieke discussie hierover is ook een belangrijk verschil met de eerste golf. In de eerste golf heerste vooral angst en gelatenheid. Zelfs de Italianen die zoals bekend geen vertrouwen hebben in hun overheid, gingen gedwee in een draconische lockdown, ook al ging dat geheel tegen hun aard en gewoontes in. Uit angst om het vege lijf te redden, maar ook uit een zelden geziene solidariteit en verantwoordelijkheidszin van de bevolking.

Tabakspandemie

Vandaag woedt er echter een grote discussie over de proportionaliteit tussen de maatregelen en de omvang van het probleem. Die discussie is goed, de waarheid zal wel ergens in het midden liggen. Diezelfde vraagstelling dient ook te worden gesteld voor veel andere problemen. Er zijn tal van problemen in de wereld die elk jaar opnieuw miljoenen doden eisen, maar waar helemaal niets tegen wordt ondernomen, dat is gewoon business as usual. Voor een virus met een relatief beperkt aantal slachtoffers wordt echter de hele wereld op zijn kop gezet. Hierop kan natuurlijk worden geantwoord dat het aantal doden nog veel hoger zou zijn zonder doortastende maatregelen. Dat is mogelijk, maar het Zweedse tegenvoorbeeld spreekt wat mij betreft boekdelen.

Er valt gewoon geen lijn te trekken in de proportionaliteit tussen een probleem en de maatregelen. Neem nu het voorbeeld van tabak, het dodelijkste consumentenproduct dat ooit op te markt is gebracht. Tabak veroorzaakt wereldwijd elk jaar opnieuw acht miljoen doden. Het is niet alleen dodelijk, maar ook nog eens erg verslavend en toch is het op elke straathoek te koop. Politici weifelen enorm om het tabaksgebruik terug te dringen, ze worden immers grondig beïnvloed door de tabakslobby en de economische belangen van de tabaksindustrie. Reclame voor tabak is in vele landen nog de gewoonste zaak van de wereld en elke ontradingscampagne van de overheid wordt op gewiekste wijze tegengewerkt door zeer goed gefinancierde organisaties van de tabaksindustrie. Het resultaat is dat wereldwijd het aantal doden nog elk jaar stijgt, het is niet overdreven om te spreken van een wereldwijde tabakspandemie.

Smaak te pakken

Als dezelfde daadkracht waarmee dit virus te lijf wordt gegaan ook aan de slag werd gelegd om de tabakspandemie een halt toe te roepen, dan leefden we in een veel betere wereld. Het verschil in respons zit hem dus niet in de omvang van het probleem, maar in de aard van het probleem. In tegenstelling tot tabak is het virus een gemeenschappelijke vijand zonder vrienden, lobbyisten of economische belangen. Er kan zonder tegenspraak hard tegen worden opgetreden, met politici in een heldenrol. Van een gebrek aan daadkracht is hier geen sprake, eerder van een teveel.

In feite is de coronacrisis een technisch beheersbaar probleem dat binnenkort zal verdwijnen als eenmaal de vaccins beschikbaar worden. De grote vraag is wat er zal gebeuren na deze pandemie, of we iets zullen geleerd hebben uit deze crisis. Keert alles terug naar het oude of wordt er deze keer echt gewerkt aan een nieuwe en betere wereld? De klimaatcrisis is hier de grote gorilla in de kamer. Vele malen gevaarlijker en moeilijker beheersbaar dan het coronavirus en dat probleem zal volgend jaar zeker niet opgelost raken. Politici zijn duidelijk aan zet in de klimaatproblematiek. Benieuwd of ze op vlak van daadkracht de smaak te pakken hebben gekregen.

Niet alleen de luchtvaart en de transportsector over land, maar ook de scheepvaart moet de CO2-uitstoot drastisch gaan verminderen. Als het aan het Europees Parlement ligt, dan moet de maritieme transportbranche in 2030 jaarlijks zeker veertig procent minder uitstoot produceren. Verder komt er een speciaal ‘Oceaanfonds’ om schepen energiezuiniger te maken en te investeren in nieuwe technologieën.

Het Europees Parlement kwam woensdag bijeen in Brussel om te praten over de toestand in de scheepvaart. Die sector is, ondanks de wens van de Europese Commissie, nog lang niet groen genoeg. Daardoor blijft ze achter bij andere transportsectoren. Zodoende wil de Commissie een klimaatrichtlijnen voor de maritieme transportbranche aanscherpen. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) moet rapporteren over de voortgang in het groener maken van de sector. Maar komt volgens parlementariërs haar afspraken nog onvoldoende na.

Verdrag

De IMO werkt momenteel aan een wereldwijd en ambitieus akkoord voor terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen. Maar volgens bepaalde Europarlementariërs gaat dat niet snel genoeg. Zij vragen de Commissie daarom om de integriteit van de IMO-maatregelen te onderzoeken. Zoals het halen van de doelen van het Parijsakkoord. Een internationaal verdrag over broeikasgassenuitstoot van de scheepvaart is dringend nodig, vinden leden van het Europees Parlement. Voortaan gaat de grote maritieme scheepvaart ook Europese emissierechten betalen, zo bepaalde het Europarlement. De grote maritieme scheepvaart deed dat als enige nog niet. Voor alle schepen moet de uitstoot van CO2 sowieso met veertig procent per jaar omlaag. In 2030 moet dit doel bereikt zijn.

Oceaanfonds

Daarnaast willen leden van het Europees Parlement dat er een speciaal ‘Oceaanfonds’. Deze moet worden gefinancierd uit de opbrengsten van emissieveilingen. Het is de bedoeling dat van 2023 tot 2030 geld uit deze pot getrokken kan worden om de scheepvaart energiezuiniger te maken en om in nieuwe technologie te investeren. Verder moet het fonds geld uittrekken voor alternatieve brandstoffen en groene zeehavens. Zeker twintig procent van de inkomsten van het fonds moet worden gebruikt voor het beschermen, herstellen en beheren van mariene ecosystemen die worden beïnvloed door de opwarming van de aarde, zoals koraal.

Sterk signaal

De Nederlandse Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) is tevreden met de bereikte resultaten, maar pleit ook voor meer dadendrang. ‘In de Green Deal heeft de Europese Commissie al aangeven dat het Europese ETS ook moet gelden voor internationale scheepvaart, zonder in te gaan op het wanneer en hoe. Voordat zoiets vervolgens het gehele wetgevende proces doorlopen is, gaat er een heleboel kostbare tijd verloren. Het Europees Parlement vult het daarom nu in en besparen we een hoop tijd. Het is tijd voor daadkracht, scheepvaartemissies lopen de klauwen uit.’

Een overgrote meerderheid van het Europees Parlement stemde donderdag voor de maatregelen. ‘Vandaag sturen we een sterk signaal overeenkomstig met de Green Deal en de klimaatnoodtoestand. Monitoring en rapportage van CO2-uitstoot is belangrijk, maar statistieken alleen besparen geen gram broeikasgas!’ aldus rapporteur en Europarlementariër Jutta Paulus (Groenen) uit Duitsland.

Het PBL berekende de nationale kosten van het energieakkoord . Tot 2023 zullen de kosten voor de uitvoering van het akkoord jaarlijks zo’n drie miljard euro bedragen. Daarna dalen de kosten weer. Uitvoering van het Klimaatakkoord zal nog vele malen duurder zijn.

Het in 2019 tot stand gekomen Klimaatakkoord is op dit moment het uitgangspunt voor het nationale klimaatbeleid. Het PBL raamde de nationale kosten hiervan ten opzichte van het daarvóór al ingezette beleid vanwege het Energieakkoord uit 2013. De kosten van het eerdere beleid, inclusief de kosten om de doelen uit het Energieakkoord vast te houden, belopen in totaal ongeveer 52 miljard euro in de periode 2000 – 2050. Omgerekend is dat ruim één miljard euro per jaar of 0,1 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP).

De totale nationale kosten voor de periode 2013 – 2023 (looptijd Energieakkoord) raamt het PBL op 23 miljard euro, gemiddeld is dit 2,1 miljard euro per jaar. Uitgedrukt als percentage van het Bruto Binnenlands Product hebben ze een omvang van respectievelijk 0,1 en 0,3 procent van het BBP.

Prijsdalingen

Tot 2023 lopen de jaarlijkse nationale kosten op, maar daarna dalen ze weer. Veel hernieuwbare energievormen zoals wind op land, wind op zee en zonnepanelen hebben tussen 2000 en 2020 forse kostendalingen doorgemaakt. Herinvesteringen in de periode 2024 – 2050 om de effecten van het beschouwde beleid vast te houden vallen daarom lager uit dan de investeringen die tot nu toe zijn gedaan.

Het PBL verwacht bovendien dat de energieprijzen in de toekomst hoger zullen liggen dan in het verleden, waardoor de kosten voor hernieuwbare energie ten opzichte van fossiele energie gunstiger uitvallen.

Vermeden CO2-uitstoot

De maatregelen hebben geleid tot een afname van de CO2-uitstoot. In totaal bedraagt de vermeden CO2-uitstoot circa veertig megaton per jaar vanaf 2020. Dat is ongeveer een kwart van de huidige CO2-uitstoot in Nederland.

Nationale kosten

Nationale kosten worden in deze studie gedefinieerd als het saldo van jaarlijkse directe kosten en directe baten van maatregelen vanuit maatschappelijk kostenperspectief. Directe kosten zijn bijvoorbeeld de jaarlijkse rente en afschrijvingen op investeringen (kapitaalskosten) voor installaties of apparatuur voor de opwekking van hernieuwbare energie en kosten voor de bediening en onderhoud daarvan. Denk aan investeringen in windturbines, zonnepanelen en andere installaties en apparatuur om hernieuwbare energie op te wekken. Directe baten kunnen baten zijn als gevolg van bespaarde of geproduceerde energie. Denk aan de waarde van de door windturbines geproduceerde elektriciteit.

Eindelijk lijkt er een aanzetje voor een duidelijk industriebeleid in Nederland. ‘Nederland heeft de ambitie en de kans om de (Europese) vestigingsplaats te zijn voor duurzame (basis)industrie,’ stelt minister Wiebes van EZK 15 mei in een brief aan de Tweede Kamer. Een kabinetsvisie als aanzet voor industriebeleid?

Decennialang leken Nederlandse regeringen meer oog te hebben voor de dienstensector, dan voor de “vieze en gevaarlijke” industrie. Dat terwijl de Nederlandse economie ook voor een groot deel dreef op de industrie in en rond Rotterdam, Zuid Limburg, Zeeuws-Vlaanderen, het Noordzee-kanaal, de Eemsdelta en meer clusters. Als dat al werd onderkend, dan werd de industrie vooral gezien als noodzakelijk kwaad. Hooguit een moetje.

De afgelopen jaren zag ik regelmatig optredens van minister Wiebes, die daarover gelukkig net iets anders lijkt te denken. Dat bleek telkens weer als hij sprak voor een industrieel publiek, zoals bij het Deltalinqs Diner, de opening van nieuwe fabrieken of tijdens ons eigen congres Eemsdeltavisie 2019. Hij ziet wel een belangrijke rol voor de industrie, met name ook bij de energietransitie en het realiseren van de klimaatambities.

Mondjesmaat

Ook voor hem is dat regelmatig zwemmen tegen de maatschappelijke stroom in. Het imago liep de afgelopen jaren extra deuken op. De discussies over het klimaatakkoord, de plastic soup, mogelijke afschaffing van dividendbelasting, hoge salarissen in de top en meer deden het – toch al niet geweldige – imago van de industrie geen goed. Soms terecht, soms ook niet. Natuurlijk deed de industrie zelf pogingen om het imago wat op te vijzelen. Door te laten zien dat ze aan veel mooie producten bijdraagt. Dat auto’s lichter en dus zuiniger worden door kunststoffen en dat windmolens en zonnepanelen niet zonder composieten kunnen. Maar de boodschap kwam vaak niet aan.

En industriële bedrijven blinken doorgaans niet uit in transparantie. Ze werken vaak achter gesloten deuren aan energiezuinige processen en verschillende innovaties die fabrieken minder “vies en gevaarlijk”  maken. Dat komt maar mondjesmaat naar buiten. Veel te voorzichtig, of bang voor wat dan ook. De communicatie-afdelingen zitten vaak op dezelfde gang als legal. En meer dan eens zit het hoofdkantoor vast in de houdgreep van de aandelenbeurs of private equity. Open en enthousiaste vertegenwoordigers van bedrijven worden al gauw de mond gesnoerd. Dat is allemaal niet best voor het imago… Onbekend maakt onbemind.

Nieuwe realiteit

Je mag het misschien niet zeggen, maar de huidige coronacrisis is haast een reddende engel voor de industrie. Of op zijn minst een blessing in disguise. Het laat zien dat plastic veel meer is dan alleen het afval in de oceanen. Het materiaal kan ook levens redden en de basisindustrie blijkt vitaler voor de samenleving is dan vaak lijkt. Of zoals de minister het in zijn brief verwoordt: ‘De COVID-19-uitbraak heeft ons laten zien dat de basisindustrie ook tal van producten levert die noodzakelijk zijn voor het voorkomen en bestrijden van besmetting en het behandelen van patiënten. Gezien de belangrijke functie in de keten behoren de beroepen in de basisindustrie tot de cruciale beroepsgroepen ten tijde van de COVID-19-uitbraak.’ De minister is alvast wakker.

Tegelijkertijd grijpt hij dit momentum handig aan om de vitale industrie te koppelen aan de uitdagingen op het gebied van het klimaat. ‘De Nederlandse basisindustrie heeft nu een goede positie op wereldwijde markten. De wereldwijde spelregels veranderen echter sterk door de invoering van klimaatbeleid. Uiteindelijk worden alle landen hierdoor geraakt; de toekomst van deze industrieën zal in belangrijke mate bepaald worden door de snelheid waarmee landen zich kunnen aanpassen aan deze nieuwe realiteit.’

Experts

Uiteraard gaan we nog heel wat discussies krijgen over de richtingen die de minister kiest. Met enige nuance kiest de minister wel een duidelijke lijn, waarbij hij oplossingen niet op voorhand uitsluit. In de discussie over CO2-opslag bijvoorbeeld: ‘Het kabinet zet in op grootschalige opwekking en omzetting van groene energiedragers (waterstof, groene elektriciteit) en verwerking van CO2 in nieuwe producten (CCU) of zolang dat niet kan CCS in lege gasvelden op zee.’

Voor het eerst sinds lange tijd laat een minister zien dat hij ook op de hoogte is van belangrijke nieuwe technologieën. Waterstof, groen gas, CCUS kon hij natuurlijk niet missen. Maar dat hij ook uitgebreide aandacht besteedt aan elektrificatie, elektrochemische conversie en chemische recycling geeft aan dat hij niet over één nacht ijs gaat, of in ieder geval aandachtig heeft geluisterd naar experts in de industrie.

Veertig tot vijftig miljard

Ook lijkt de minister het advies van Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur serieus te nemen. Dat presenteerde daags voor de brief van de minister een uitgebreid rapport. Daarin raadt ze aan om een centrale energie-infrastructuur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. Het gaat bij deze investeringen in de infrastructuur al gauw om veertig tot vijftig miljard euro.

Of dat geld zo maar op de plank ligt, is natuurlijk zeer de vraag in deze bijzondere periode. Vast staat wel dat vitale sectoren in de huidige crisis veel zichtbaarder zijn geworden. De zorg, het onderwijs, de voedselvoorziening, maar ook de procesindustrie. En dat een stevig beleid en ook ondersteuning nodig is om deze sectoren te versterken en waar nodig ook richting te geven, moge ook duidelijk zijn.

Ik schrijf deze column midden in de coronacrisis. In nauwelijks een maand tijd heeft een pandemie de wereld totaal veranderd. Mensen leven en werken vooral thuis, vliegtuigen staan bijna allemaal aan de grond, van toerisme is geen sprake meer, oorlogen worden stilgelegd en de economie balanceert op de rand van de afgrond. Door de enorm afgenomen vraag is de prijs van petroleum sterk gedaald en ging zelfs een tijdje onder nul.

De wereld komt tot stilstand door een piepklein virus dat nauwelijks 15 genen bevat. Ter vergelijking: een mens heeft circa 30.000 genen. Een virus is niet in staat tot zelfstandig leven en balanceert in feite op de grens tussen de dode en de levende dingen. Dat zo’n klein ding zoveel effect op onze maatschappij kan hebben, geeft goed aan hoe kwetsbaar we eigenlijk wel zijn. Iemand neemt één hap van een exotisch dier en er komt een proces op gang dat wereldwijd de economie platlegt, die duidelijk gericht was op optimalisatie en te weinig op robuustheid.

Het nieuws wordt beheerst door het dagelijkse dodental van het virus dat nog steeds stijgt. Het wereldwijde aantal doden is ondertussen opgelopen tot meer dan 280.000 mensen. Dat lijkt veel, maar elk jaar sterven er ook 1,3 miljoen mensen in het verkeer en zelfs meer dan 7 miljoen als gevolg van luchtverontreiniging. Gezien de sterk afgenomen luchtverontreiniging zou het eindresultaat van deze pandemie wel eens positief kunnen zijn: dankzij dit virus waren er minder doden! Sterfte door het verkeer en luchtverontreiniging zijn problemen die zich sinds jaar en dag stellen, maar geen haan die er naar kraait. Voor een acuut probleem zoals deze pandemie komt de wereld wél in actie. Alles wat voorheen onmogelijk was kan ineens wel: thuiswerk, televergaderen, minder verkeer, niet vliegen, minder consumptie en meer aandacht voor elkaar.

Offers brengen

De dwingende en snelle wereldwijde actie tegen een exponentieel groeiend virus staat in fel contrast met het gebrek aan daadkracht tegen de klimaatverandering. Dat is het drama van geleidelijke problemen: zolang de situatie niet acuut is, gebeurt er gewoon niets en wordt de kikker in alle stilte doodgekookt. Alle studies wijzen nochtans uit dat de impact van de klimaatverandering die van het virus vele malen zal overtreffen. Dringende problemen verdringen echter ernstige problemen, zo zit de mensheid in elkaar en dat kan iedereen ook gewoon bij zichzelf vaststellen. Maar het argument dat de mensen geen verandering willen, gaat niet langer op.

Sneller dan hun regeringen pasten de mensen hun gedrag aan. Zelfs Italianen die over het algemeen weinig vertrouwen hebben in hun overheid gingen gedwee in een draconische lockdown, ook al ging dat geheel tegen hun aard en gewoontes in. Uit angst om het vege lijf te redden, maar ook uit een zelden geziene solidariteit en verantwoordelijkheidszin van de bevolking. Voor een goed project met een duidelijk doel en goede communicatie is de bevolking dus wél bereid om hun gedrag ingrijpend te veranderen en verregaande offers te brengen.

Op zijn pootjes landen

Het is niet allemaal kommer en kwel. De wereld is nog nooit zo schoon en stil geweest. Het virus drukt ons met de neus op onze onderlinge verbondenheid en de noodzaak tot samenwerking en solidariteit. Het onthaastingsvirus heeft mijn agenda een heel pak lichter gemaakt en mijn leven flink verbeterd. Er wordt alleen nog maar vergaderd als het echt nodig is, vergaderen om te vergaderen is er niet meer bij. En ik geniet van de stilte, het verschil is gewoon enorm. Deze nieuwe manier van leven en werken zal hopelijk blijven doorwerken lang nadat deze pandemie overwonnen is.

Het virus komt mogelijk uit China en daar weten ze als geen ander dat crises ook opportuniteiten vormen. Vormt dit de ideale aanzet om onze maatschappij en economie anders te gaan organiseren? Met minder consumptie, minder transport, meer lokale productie en minder globalisering. Gaan we nu echt werk maken van een nieuwe en betere wereld of wordt het weer business-as-usual nadat dit overwaait? Of vormt de geleden economische schade het perfecte excuus om vooral niets te veranderen eenmaal de wereld weer op zijn pootjes is geland? Ik hoop dat deze crisis de aanzet vormt tot echte verandering. Never waste a good crisis.

 

Prof. Wim Soetaert is verbonden aan InBio.be, expertisecentrum voor industriële biotechnologie en biokatalyse van de Universiteit Gent.

De Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur bood haar rapport aan minister Erik Wiebes aan. De taskforce raadt aan om een centrale energie-infrastructur te ontwikkelen en een gezamenlijk CCUS-netwerk aan te leggen. Daarnaast zou Nederland moeten investeren in een grensoverschrijdend waterstofnet. De kosten hiervoor zullen tot 2030 neerkomen op zo’n veertig tot vijftig miljard euro.

Overheid, industrie en infrastructuurbedrijven dragen bij aan de realisatie van de transitie. Om deze te laten slagen is een integrale aanpak nodig. De industrie investeert in de verduurzaming van haar processen en producten en infrastructuurbedrijven investeren in de noodzakelijke kabels en leidingen. De taak van de overheid hierbij is verantwoordelijkheid te dragen voor de juiste randvoorwaarden. Met dat uitgangspunt stelde de Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur (TIKI) een advies op in opdracht van minister Wiebes van EZK.

Afstemming

Om het centrale doel van het nationaal klimaatakkoord te kunnen realiseren, is alleen al tot 2030 een investering in de infrastructuur nodig van veertig tot vijftig miljard euro. Die infrastructuur is nodig om aan de toenemende vraag naar klimaatneutrale waterstof, elektrificatie en de afvang en opslag en hergebruik van CO2 te kunnen voldoen.

Daarvoor zijn samenwerking tussen de industrie, netwerkbedrijven en overheden essentieel. Maar ook een afstemming tussen netwerkcapaciteitsplanning en de zes industriële clusterstrategieën. Met een afsprakenstelsel over onder meer data-uitwisseling en financieringsarrangementen.

Taskforce

Minister Wiebes startte de Taskforce Industrie Klimaatakkoord Infrastructuur (TIKI) in 2019. De energie, industrie en infra-experts kregen de opdracht de knelpunten in de infrastructuur te benoemen. Ook vroeg de minister met oplossingen te komen. In december 2019 rapporteerde de taskforce, bestaande uit Carolien Gehrels (Arcadis), Marc van der Linden (Stedin) en Hans Grünfeld (VEMW) haar tussentijdse analyse. Ondertussen is de wereld veranderd door de Corona-crisis. Volgens de taskforce kan uitvoering van de adviezen na de crisis een handvat zijn om te starten met investeren in de energie- en industrietransitie.

Oplossingsrichtingen

De adviezen van de taskforce zijn samen te vatten in vier oplossingsrichtingen. Op de eerste plaats is de ontwikkeling van een integrale energiehoofdinfrastructuur nodig. Deze infrastructuur moet een oplossing bieden voor de toenemende vraag naar klimaatneutrale waterstof, elektrificatie en de afvang, opslag of hergebruik van CO2.

CO2-netwerk

Volgens de taskforce moet er ook infrastructuur komen voor carbon capture and storage (CCS) en carbon capture and usage (CCU). Een snelle realisatie kan door voort te bouwen op de vlagschip-projecten Porthos en Athos. Dat is van belang omdat CCS op relatief korte termijn een doelmatige manier is om een substantiële bijdrage te leveren aan de industriële reductieopgave van 14,3 megaton CO2.

Waterstof

Daarnaast dient onderzoek plaats te vinden naar een grensoverschrijdend waterstof /CO2-netwerk. Hierin zit een verdienpotentieel door aansluiting op Duitse en Vlaamse onderdelen van het zogenaamde ARRRA-cluster, dat het grootste chemisch industriële complex op het continent omvat.

Om de uitdagingen rond het klimaat en plastic afval aan te pakken zullen meerdere oplossingen nodig zijn. Dat stelt Frank Kuijpers van Sabic in een beeldinterview met Industrielinqs. De technologische oplossingen van Avantium, mechanische recycling maar ook het voeden van krakers met bio-olie en afvalplastic kunnen een bijdrage leveren. 

Daarmee reageert hij op uitspraken die Tom van Aken, CEO van Avantium, deed in de Talkshow Industrielinqs LIVE op woensdag 6 mei. Van Aken vroeg zich af het terugbrengen van afvalplastic en biomassa en krakers een goede weg is. Het kost namelijk veel energie. Avantium kiest ervoor met haar technologieën om dichter bij de materialen te blijven die de natuur ons biedt. Bijvoorbeeld bij de productie van de biogebaseerde kunststof PEF. Waarvoor  ze momenteel in Delfzijl een fabriek bouwt.

Puntje van zijn stoel

Volgens Kuijpers, wereldwijd Sabic’s hoogste man op het gebied van duurzaamheid, is er niet slechts één weg die naar Rome leidt. De technologische oplossingen van Avantium, mechanische recycling maar ook onze routes zijn allemaal essentieel en nodig. Kuijpers zat af en toe op het puntje van zijn stoel toen hij naar Industrielinqs LIVE keek. Hij was ook als gast aan de digitale tafel aangekondigd, maar kon door technische problemen niet inschakelen.

Getemporiseerd

Hij is enthousiast over het format van de talkshow. Er werd volgens hem een interessant gesprek gevoerd. Wel is het voor hem duidelijk dat het gesprek eerder een vertrekpunt dan het eindpunt van een veel breder dialoog kan zijn. De huidige coronacrisis drukt de aandacht voor klimaat en plastic afval niet naar de achtergrond. Wel zou het volgens hem kunnen dat de snelheid waarmee stappen zijn te zetten iets wordt getemporiseerd.

Volg hieronder het hele interview met Frank Kuijpers. Ook is de talkshow van 6 mei volledig terug te kijken.