John Kapteijn is service engineer bij Holland Water. Bij klanten installeert hij systemen waardoor bacteriën zoals legionella zich niet kunnen ontwikkelen, vermeerderen en verspreiden in watersystemen. Dat doet hij zowel in de industrie bij bijvoorbeeld koeltorens, maar ook bij drinkwaterleidingen van hotels en ziekenhuizen.

Hoe zorgt jullie installatie ervoor dat legionella niet kan ontstaan?

‘We plaatsen onze installatie waar het water binnenkomt. In ons systeem zitten koperen en zilveren elektroden. Die geven koper- en zilverionen af aan het water. Die materie gaat door het hele waterleidingnetwerk.’ Deze koper- en zilverionen zijn schadelijk voor bacteriën, waardoor ze zich niet kunnen ontwikkelen.

Wat doe jij bij Holland Water?

‘Ik werk zowel in onze werkplaats als bij klanten. In de werkplaats bouwen en testen we de systemen voordat ze naar een klant toe gaan. Bij klanten installeer, activeer en onderhoud ik de systemen. Daarnaast train ik onze klanten in wat ze zelf moeten doen om de werking van ons systeem te optimaliseren. De installatie is namelijk geen tovermachine. De klant moet zorgen dat het water in beweging blijft om de koper- en zilverionen op hun plek te krijgen. Als er bij ons nieuwe medewerkers komen, dan train ik ze. En ik geef ook training aan buitenlandse klanten. Ik leer ze hoe ze de installatie kunnen onderhouden.’

Wat voor onderhoud is er nodig?

‘Twee tot vier keer per jaar gaan we bij klanten langs voor onderhoud. Tijdens het onderhoud verwijderen we bijvoorbeeld eventuele aanslag, reinigen we het systeem en vervangen we elektrodes als dat nodig is. En als er nieuwe mensen bij de technische dienst van een klant zijn komen werken, geef ik die een kleine training.’

Hoe groot is de installatie waarmee je een watersysteem legionellavrij kunt maken?

‘We hebben verschillende soorten. Een klein systeem voor bijvoorbeeld een b&b met twee kamers past in de meterkast. Maar een systeem voor een hotel waar duizend kubieke meter per jaar doorheen gaat, is zo groot als een groot whiteboard. We kunnen dat vlak tegen de muur hangen, vaak in de kelder van een gebouw. Mensen zijn verbaasd hoe weinig ruimte het inneemt.’

Wat vind je leuk aan jouw werk?

‘Ik ben graag met mensen bezig en met techniek. Als ik een training geef, mag ik altijd graag alle neuzen dezelfde kant op krijgen. Ze noemen ons soms service engineers plus. Ook leuk is dat we behoorlijk aan het groeien zijn en we een steeds breder portfolio krijgen. Nu zijn we bijvoorbeeld bezig met UV-installaties waarmee je ook kunt voorkomen dat er legionella in het water komt. Je krijgt nieuwe producten en nieuwe mensen en daar zit ook weer educatie bij. Zo blijf je aan de gang.’

Techniekhelden

De industrie wemelt van de techniekhelden. Want hoe kunnen we producten maken voor auto’s, smartphones of medicijnen zonder technici die de machines en installaties in conditie houden? De techniekheld mag wat ons betreft best eens op het podium worden gehesen. Ben of ken jij iemand in de procesindustrie of energiesector die enthousiast kan vertellen over hun beroep? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl. In ons magazine tonen we de grote verscheidenheid aan beroepen in de industriële omgeving.

Met een bijdrage van drie miljoen euro van Nationaal Programma Groningen kan het opleidingsprogramma Waterstof Werkt van start gaan. Met de subsidie uit het provinciaal programma stellen de projectpartners een breed opleidingsprogramma samen op het gebied van waterstof. Het gaat dan om opleidingen, trainingen, traineeships en stageplekken op mbo-, hbo-, wo- en professioneel niveau.

Afgelopen vrijdag overhandigden Adriaan Beenen (regioambassadeur Noord bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en Nienke Homan (gedeputeerde van de provincie Groningen en bestuurslid Nationaal Programma Groningen) een symbolische cheque aan de betrokken partners.

De provincie Groningen is enorm bezig met de waterstofeconomie. Ze krijgt investeringen van de overheid en het bedrijfsleven. Dit creëert kansen voor de regio op het gebied van groei, innovatie en werkgelegenheid. Om deze nieuwe energie-economie te laten slagen, is de beschikbaarheid van voldoende geschoolde mensen in de regio heel belangrijk. Onderwijsinstellingen werken daarom samen aan een gecoördineerde aanpak en programma in de noordelijke regio. Er wordt onder meer een leergemeenschap met het bedrijfsleven opgezet, met aandacht voor om- en bijscholing. Ook een kennisdatabank voor waterstof is in de maak.

Over het project

Het programma Waterstof Werkt is een initiatief van New Energy Coalition in samenwerking met onderwijsinstellingen en bedrijfsleven. Het programma heeft een totale omvang van ruim zeven miljoen euro. Verder wordt het gefinancierd door betrokken partners uit het bedrijfsleven, de onderwijsinstellingen en New Energy Coalition. Waterstof Werkt moet de komende jaren een impuls geven aan het regionale onderwijs om in te spelen op de kennisvraag voor banen in de duurzame energiesector en de waterstofeconomie in het bijzonder. Het project loopt van 2022 tot 2027.

Het projectconsortium bestaat uit: ROC Alfa-college, ROC Noorderpoort, Hanzehogeschool  Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, New Energy Coalition.

Twaalf vakmensen uit de Belgische chemie- en farmasector geven dit schooljaar een aantal uur per week les op het middelbaar onderwijs. Door enkele uren per week voor de klas te staan, kunnen ze hun praktijkervaring doorgeven, meer meisjes en jongens warm maken voor wetenschappelijke en technische studies of beroepen en het lerarentekort een beetje helpen verzachten.

Vakmensen uit het bedrijfsleven die naast hun job ook deeltijds lesgeven in het secundair onderwijs. Dat is duaal lesgeven in een notendop. Dit schooljaar start het eerste proefproject dat de weg kan vrijmaken voor een bredere uitrol de komende jaren. Zo geeft Steven Rusch, procesingenieur bij Janssen Pharmaceutica, vanaf deze maand het vak ‘Scheidingstechnieken’ aan de TSO-leerlingen van het 6de jaar Chemie en het 7de jaar Productie- en Procestechnologie en Chemische Procestechnieken in het Stedelijk Lyceum Eilandje in Antwerpen.

Praktische toepassingen

Het voordeel is dat leerling les krijgen van experts uit de chemie- en farmasector die de formules uit theoretische handboeken kunnen illustreren met praktische toepassingen. Bedrijven kunnen de wisselwerking met het onderwijs versterken en hun medewerkers een waardevolle educatieve ervaring bieden die hun loopbaan verrijkt. Middelbare scholen uit ASO (Algemeen Secundair Onderwijs) en TSO (Technisch Secundair Onderwijs) kunnen via duaal lesgeven dan weer een beroep doen op lesgevers met praktijkervaring die ze momenteel moeilijk vinden.

Proefproject

Duaal lesgeven is een twee jaar durend proefproject gelanceerd door Vlaams minister van Werk en Economie Hilde Crevits en Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts, uitgewerkt in nauwe samenwerking met onder andere sectorfederatie essenscia vlaanderen en de bedrijven uit de chemie en life sciences. Het initiatief ontvangt onder de projecttitel ‘Teach Up’ financiële steun vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Vlaamse Overheid en wordt inhoudelijk opgevolgd door een expertenpanel van academici en vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, het bedrijfsleven en de overheid.

De eerste lichting van twaalf pioniers in duaal lesgeven zijn afkomstig van zes pioniersbedrijven: BASF, Eastman, INEOS, Janssen Pharmaceutica, Pfizer en Vynova. Ze volgden eerst een verplichte didactische en pedagogische vooropleiding. Ze geven onder andere les in biotechnieken, chemie, mechanica, systeemhydraulica en toegepaste fysica.

Foto ter illustratie

BioMCN heeft twee oefenstations in haar opleidingslokaal ingericht voor leerling operators. De operator training simulator (OTS) is een exacte kopie van het procesbesturingssysteem in de meetkamer van het bedrijf.

Bij het doorgaans stabiele productieproces van BioMCN is het voor nieuwe operators lastig om de paneelfunctie aan te leren. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat er twee jaar achter elkaar van onderhoudsstop naar onderhoudsstop wordt geproduceerd zonder noemenswaardige verstoring in het proces. Dan is het proces van starten of stoppen van de installatie moeilijk onder de knie te krijgen. En omdat een start enkele dagen duurt, zal de paneeloperator ook niet alle fases van de start meemaken. Om toch de nodige praktische ervaring op te doen, heeft BioMCN nu twee simulatoren voor leerling operators.

Realistisch

De simulator bestaat uit een paneeloperator-station met acht beeldschermen, een fieldoperator-station met twee beeldschermen en een instructeur-station met twee beeldschermen. Omdat de OTS een exacte kopie is van het proces, is het voor de leerlingen heel realistisch om ermee te werken. Processen aansturen en stoppen of opstarten van de verschillende onderdelen van de fabriek, zijn 1 op 1 gekopieerd.

Groene waterstof gaat zorgen voor werkgelegenheid in Nederland. Dat blijkt uit onderzoek van de onafhankelijke denktank CE Delft.

De arbeidsvraag ligt volgens CE Delft in 2030 tussen de 6.000 en 17.300 fte en in 2050 tussen de 16.400 en 92.400 fte. Het gaat om banen die ontstaan door een eenmalige vraag naar arbeid vanwege bouw en aanleg, maar ook om banen door onderhoud en exploitatie.

CE Delft heeft per sector, voor een laag en hoog scenario onderzocht wat de potentiële arbeidsvraag is gerelateerd aan groene waterstof. Het lage en hoge scenario zijn beide klimaatneutraal, maar zijn anders opgebouwd. Het lage scenario heeft zowel minimale toepassing als minimale (Nederlandse) productie van groene waterstof. Het hoge scenario heeft zowel maximale toepassing als maximale eigen productie.

Tekort technisch personeel

In vrijwel alle sectoren die in het rapport zijn genoemd bestaat de arbeidsvraag voor een groot gedeelte uit technisch geschoold personeel (mbo-techniek). Volgens de onderzoekers toont een studie (Ecorys, 2021) dat er in de energietransitie in 2030 een tekort zal zijn aan 23.000 tot 28.000 werknemers. Maar terwijl het tekort oploopt, daalt het aanbod van mensen met technische kwalificaties juist sterk. ‘Als Nederland de ambities op klimaatgebied wil waarmaken, dient er geïnvesteerd te worden in het technisch lager beroepsonderwijs. Hiernaast kan bij- en omscholing bijdragen om de arbeidsvraag en het aanbod op elkaar aan laten sluiten’, aldus CE Delft in zijn rapport.

In 2018 heeft CE Delft een onderzoek uitgevoerd naar werkgelegenheidseffecten door groene waterstof. Het huidige rapport is een uitbreiding en update van dat onderzoek en is op verzoek van Shell uitgevoerd.

 

Om de procesindustrie nog veiliger te kunnen maken, zouden technici die dagelijks in risicovolle omgevingen werken moeten laten zien dat ze veilig werken. Dat kan binnenkort via het regionale safety center.

Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: een safety center is niet nieuw. Grote bedrijven zoals Shell, ExxonMobil en BP richtten al praktijkruimtes in waar eigen personeel en dat van contractors kennis kan maken met de op de site verplichte persoonlijke beschermingsmiddelen, geldende veiligheidsprocedures en gedragsregels. Enige uitdaging is dat technici nog wel eens op meerdere sites werken. Zo kan het zijn dat iemand die net het safety center van BP heeft doorlopen, de volgende dag een vergelijkbare training krijgt bij ExxonMobil. Dat kost extra tijd die een techneut liever in het uitvoeren van projecten steekt. Bovendien is het ook maar de vraag of iemand op die manier alert blijft op gevaarlijke situaties. Waarom zouden de bedrijven niet samenwerken en één centrale praktijkbegeleiding afnemen? Dat vonden ook Deltalinqs en VOMI, die de handen ineen sloegen.

Gelijke trainingen

‘De opkomst van safety centra onderschrijft het belang dat de petrochemische industrie hecht aan veiligheid’, zegt Marco Kemmers, directeur van Deltalinqs Training & Services. ‘Maar met drie safety centra, wordt het voor aannemers wel ingewikkelder om van site naar site te gaan. Nu heeft Deltalinqs al een regionaal trainingscentrum op de RDM Campus. We vroegen ons af of we daar niet een safety center aan konden toevoegen. Al snel vonden we aansluiting bij VOMI, de brancheorganisatie voor dienstverlenende bedrijven in de procesindustrie. Het is namelijk zowel in het belang van de asset owners als de dienstverleners om veiligheid gezamenlijk te organiseren.’

Gelukkig sloten ExxonMobil, BP, Shell en DSM zich al snel aan bij het initiatief. Kemmers: ‘Niet dat ExxonMobil, BP en Shell hun eigen safety centra opdoeken, maar ze willen wel meewerken aan een equivalent van de praktijktrainingen. Met als achterliggende gedachte dat als een lasser of bijvoorbeeld een steigerbouwer een training bij ExxonMobil volgt, hij niet dezelfde training bij BP hoeft te volgen. Om dat voor elkaar te krijgen, moesten we wel eerst de overeenkomsten en verschillen tussen de trainingen in kaart brengen. Na een gap-analyse zien we dat de praktijktrainingen grotendeels overeenkomen. De verschillen zitten met name in het aantal life saving rules of bijvoorbeeld de hoogte vanaf waar valbescherming verplicht is. We zijn nu de laatste hand aan het leggen aan harmonisering van de trainingen, zodat we vanaf 1 april kunnen beginnen met de eerste praktijkbegeleiding in het regionale safety center.’

Register

De toetsing is opgebouwd uit drie delen. Eerst krijgen cursisten een e-learning link zodat ze hun theoretische kennis kunnen opvijzelen. Een toets bij de safety centers moet uitwijzen of de theorie is blijven hangen. Vervolgens krijgt een deelnemer diverse scenario’s voorgeschoteld waarmee deze kan laten zien de theorie ook in de praktijk te kunnen brengen. Kemmers: ‘We kozen bewust voor generieke toetsen met scenario’s die de meeste veldwerkers wel eens meemaken. Uitgangspunt is de leerstof van de training Risico herkennen en beheersen in de petrochemie.’

Zo kan een cursist bijvoorbeeld een gesloten ruimte betreden, waar deze kan kiezen uit diverse soorten verlichting. Als de cursist de theorie goed toepast, weet deze welke apparatuur hier wel of niet te gebruiken en waar potentieel gevaarlijke situaties ontstaan.

‘Door de dialoog aan te gaan met de begeleider en de medecursisten kan een cursist laten zien dat de voorschriften zijn geïnternaliseerd. Idealiter zouden we per training twintig procent van alle theoretische VCA-kennis willen toetsen in de praktijk. Bij een herhaling krijgt een cursist een ander scenario voorgeschoteld, zodat deze op den duur alle theorie ook in de praktijk heeft gezien. We hebben nu afgesproken dat de certificering twee jaar geldig is. Dat betekent uiteraard dat we de status per medewerker goed moeten bijhouden. Deltalinqs heeft al een examenregister waar het de resultaten vastlegt van stof- en poortinstructies. Het idee is om datzelfde register in te zetten om de praktijktrainingen veiligheid vast te leggen. We streven er naar de onderlinge registratie van de safety centers op 1 april rond te hebben.’

Competenties

VOMI-voorzitter Jeroen Maan, ziet veel voordelen in regionale safety centers voor zijn leden en zou het initiatief het liefste als een olievlek laten verspreiden over de overige industrieclusters. ‘Het werkt veiligheid verhogend als er eenduidigheid is in het veiligheidsbeleid over verschillende opdrachtgevers heen. Daarnaast is het efficiënter. Alleen al de equivalentieverklaring kan al heel wat duidelijkheid geven. Door samen te werken, worden de regels eenduidiger en duidelijker voor gasten op de sites.’

Maan zou op den duur echter nog verder willen gaan. ‘Onze leden hebben een grote wens om ook de toetsing van beroepscompetenties te centraliseren. Uitzendbureaus leveren soms lassers uit Oost-Europa bij wie het niveau niet direct te herleiden is uit de certificaten op diploma’s. Vaak vragen bedrijven die personen dan om een paar proeflassen te maken. Het testen van competenties is vast onderdeel van het proces. Door dit als branche op te pakken verhogen we de efficiency en is er meer hands-on-tool-time beschikbaar. Bovendien voorkom je met een registratiesysteem dat iemand die niet competent blijkt via een achterdeurtje toch op een site binnenkomt.’

Straks zijn er dus vier safety centra actief: die van BP, ExxonMobil, Shell en het regionale safety center. Maan: ‘Bedrijven die overwegen zelf een safety center in te richten, kunnen zich bij het regionale safety center aansluiten.’

Pitlane

Dat BP een safety centrum inrichtte was Coen den Heijer van ExxonMobil niet ontgaan. De veiligheidscijfers van de ExxonMobil-site in de Botlek waren al goed op orde. Toch zag ook Den Heijer dat het lezen van teksten, bekijken van video’s en afnemen van toetsen een redelijk passieve manier was om contractors de basis veiligheidsinstructies mee te geven. ‘We werkten het idee van een veiligheids pitlane uit, waar we analoog aan de Formule 1, heel snel de praktijksituaties konden laten zien. Net als in de Formule 1 waar teams eerst een aantal checks doen voordat ze een band verwisselen of tanken, moet een technicus ook eerst een loss prevention self assesment-checklist uitvoeren. Bij iedere volgende klus, moet je steeds bewust zijn van de potentiële gevaren en van de maatregelen die je kunt nemen om gevaarlijke situaties te voorkomen.’

Ook de inrichting van het centrum was teamwerk. De ene contractor leverde een steiger, de andere een flensverbinding. ‘Op die manier konden we mensen laten ondervinden hoe ze het veiligste een ladder konden beklimmen en welke persoonlijke beschermingsmiddelen ze moeten gebruiken. We zagen al snel dat mensen enthousiast waren en bewuster werden van de risico’s op een site. Een lasser of monteur onthoudt toch beter welke labels er aan een vrijgegeven flens moeten hangen als deze die al een keer in de praktijk heeft gezien. Over het algemeen geldt dat mensen beter dingen onthouden als ze iets in de praktijk hebben toegepast. Dat geldt misschien nog wel meer voor technici, die vaak meer doeners zijn.’

Ervaringen delen

Inmiddels is het centrum een groot succes. Den Heijer: ‘We hebben zelf trainers die met groepjes door de pitlane lopen. Maar we leiden ook onze contractors op zodat ze hun eigen mensen kunnen begeleiden. Onze gasten krijgen onderweg films te zien van gevaarlijke situaties, kunnen safety games spelen en bijvoorbeeld een flens open maken. Bij grote turnarounds moeten we de trainingen uiteraard al lang van tevoren plannen. Dan komen er immers vijftienhonderd externen over de vloer. Wat vooral opvalt aan deze praktische aanpak is, zoals ik het noem: ‘het wauw-effect’. Mensen krijgen niet zomaar de zoveelste film voorgeschoteld, maar zien dat ExxonMobil veiligheid echt serieus neemt. Dat effect nemen ze ook mee in hun werk op de site.’

safety

RDM Training Plant Deltalinqs. Foto: Freek van Arkel

De samenwerking op het gebied van safety centers in de regio, juicht Den Heijer van harte toe. ‘We hebben al de nodige equivalentie-toetsen doorlopen en zagen dat zo’n tachtig procent al overeenkwam. Het is goed om dingen zoveel mogelijk te harmoniseren, al zullen er altijd wel wat smaakverschillen tussen de sites blijven. Wij hanteren nu eenmaal andere kleuren en codes op onze labels dan Shell of BP. Het zou niet handig zijn als we die allemaal moeten standaardiseren. Het kan dan ook zijn dat we die specifieke informatie nog op een andere manier moeten communiceren. Waar mogelijk willen we zoveel mogelijk samenwerken en ervaringen delen.’

Arbeidsmarkt

Een voedingsmiddelenfabriek van DSM Gist Productie Bedrijf wijkt in meerdere opzichten af van de petrochemische fabrieken van ExxonMobil en BP. ‘Mensen zijn nu eenmaal minder gealarmeerd als ze een spill kunnen opeten’, zegt sitemanager Wilfred Buijs. ‘Aan de andere kant moeten we juist ook weer veel meer rekening houden met voedselveiligheid.’

De veiligheidsrecords van de site in Delft zijn niet slecht, maar Buijs ziet wel trends die de prestaties onder druk kunnen zetten. ‘Zoals gezegd is het veiligheidsbewustzijn in de voedingsmiddelenindustrie in het algemeen wat lager dan in de chemie. De producten die we hier produceren, kunnen morgen op je bord liggen. Toch werken we ook hier met hoge druk, hoge temperaturen, basen en zuren die allemaal potentiële risico’s vormen voor mensen die in de buurt ervan werken. Een tweede trend waar we indirect mee te maken krijgen, is dat een aantal BRZO-bedrijven assessment centers inrichten en daarmee de poortcontrole verscherpen. Dat is goed voor de prestaties van die bedrijven, maar de afgewezen mensen komen wel ergens anders terecht.’

Als derde trend ziet Buijs dat de druk op de arbeidsmarkt stijgt. ‘We kunnen steeds moeilijker technisch geschoold personeel aan ons binden. De vijver wordt kleiner en als gevolg daarvan moeten we soms de lat wat lager leggen. Tegelijkertijd willen we niet inboeten op het veiligheidsbewustzijn van ons eigen personeel en dat van onze contractors.’

Benelux

De vraag van Deltalinqs om aan te sluiten bij de regionale safety centers kwam dan ook als geroepen voor Buijs. ‘De keerzijde van jarenlange hoge veiligheidsscores is dat personeel nog nauwelijks in aanraking komt met gevaarlijke situaties. Dat klinkt tegenstrijdig, maar mensen leren het meest van hun fouten. Als je dit in een gecontroleerde omgeving kunt organiseren, krijg je veilig gedrag veel beter tussen de oren. Natuurlijk hebben ook wij site-specifieke trainingen, zoals hoe je equipment moet achterlaten in een voedselveilige omgeving. Maar de generieke veiligheidsinstructies die normaal gesproken op papier of via films worden gecommuniceerd, kan je heel goed in een safety center laten beleven.’

DSM gaat zelfs zover dat ook de andere locaties in de Benelux gebruik willen maken van dergelijke safety centra. ‘Uiteraard kijken we eerst hoe we het centrum op de RDM-campus kunnen inzetten om het veiligheidsgedrag van technische medewerkers te screenen en verbeteren. We gaan dat tevens vastleggen in het ‘digital safety passport’. Met name tijdens turnarounds krijgen we veel personeel over de vloer uit heel Europa. Ook die mensen zullen we moeten helpen onze veiligheidsinstructies te internaliseren. Laat ze maar zien wat we veilig vinden en laat ze maar ‘stop’ roepen als ze zien dat iets fout dreigt te gaan.’

Inmiddels heeft ook Huntsman aangegeven interesse te hebben. “Vanuit Huntsman is er een continue drive om onze safety performance te verbeteren. Dit doen we voor de veiligheid van onze mensen en onze buren. Cruciaal is dat alle samenwerkende partijen hier in meegenomen worden. In dat kader heeft de ontwikkeling van dit regionale safety centre onze support en we volgen het op de voet. In een samenwerking bundel je de krachten en kennis, wat de veiligheid uiteindelijk ten goede komt.”

Ik ben zeer voor diversiteit. Het doet me dan ook een deugd dat we bij onze evenementen en in onze bladen bijvoorbeeld steeds meer deskundige vrouwen aan het woord krijgen. Bij ons Watervisiecongres hadden we in het hoofdprogramma evenveel vrouwen als mannen aan tafel, mijzelf als witte man meegerekend. Hopelijk krijgen we daarnaast ook steeds meer kleur in de industrie en we hebben ons voorgenomen om nog meer op zoek te gaan naar jonge wijze mensen, om te interviewen.

Inclusiviteit en diversiteit heeft echter niet alleen met gender, kleur, leeftijd en afkomst te maken. Maar ook met variatie in kennis en inzichten. Standpunten worden immers ook bepaald door de positie die mensen innemen. Sta je buiten een gebouw, dan zie je wat anders dan wanneer je binnen loopt. Dat is zeer van invloed.

De industrie bestaat vooral uit – meestal witte, mannelijke – technici, die elkaar wel vinden in hoe de wereld is opgebouwd. Daar mag best wel wat meer verscheidenheid in komen. En misschien is dat ook al een tijdje gaande. Gezien ook de toenemende variatie in onze kolommen en bij onze evenementen.

Echter de wereld van alpha’s mag daarentegen wel een extra snufje logica van de bèta’s gebruiken. Neem bijvoorbeeld de politiek. Op de kieslijsten van de parlementsverkiezingen staan misschien twaalf mensen met een technische achtergrond die straks op het pluche terecht kunnen komen. Maximaal, want meer dan de helft staat op een net-wel-net-niet-positie op een lijst. Dus maximaal acht procent van de volksvertegenwoordigers straks is bèta. Zes procent is waarschijnlijker.

Het lijkt me sterk dat dat een goede afspiegeling is van de samenleving. Sowieso heeft meer dan een zesde van de werkende Nederlanders een technisch beroep, ongeveer 17 procent. Dus daar zit al een factor twee tot drie. Maar wat nog belangrijker is; klimaat en energietransitie staan hoog op de agenda. Een beetje meer bèta-inzicht kan dan geen kwaad. Dus mijn pleidooi: meer vrouwen in de industrie en meer bèta’s in de politiek. Lijkt me een prima deal!

Jan van Dinther van Siemens is onlangs uitgeroepen tot Jong Haventalent 2021. Een jaar lang is hij de ambassadeur en het rolmodel voor jong talent in de haven van Rotterdam. Hij wil concrete energietransitie-projecten in de haven zichtbaar maken en jongeren helpen de juiste studie te kiezen om daaraan bij te kunnen dragen in de toekomst. Volgens hem kunnen jongeren met hun digitale vaardigheden en brutaliteit een grote bijdrage leveren aan de energietransitie.

Jan van Dinther (26 jaar) is energy transition developer bij Siemens. ‘De energietransitie is een heel complex vraagstuk. Daarom vind ik mijn vak ook erg interessant. Ik maak softwaremodellen die kunnen helpen bij allerlei problemen in de energietransitie. Complexe problemen kun je nabouwen in de vorm van een simulatiemodel. Aan de hand van zo’n model, kun je besluitvormers beter inzicht geven in wat het probleem is, waar de pijnpunten van een dilemma liggen en assisteren om betere oplossing te bedenken. In simulatiemodellen kun je spelen zonder dat je de echte wereld beïnvloedt.’ Denk bijvoorbeeld aan een digital twin. Dat is niet alleen de exacte kopie waar een bedrijf zijn operatie op kan managen. Maar je kunt daarin ook kijken naar de toekomst en onderzoeken wat bepaalde maatregelen voor invloed op jouw systeem hebben.

Investeren of niet?

Van Dinther is momenteel betrokken bij het Gridmaster-project. Een project waarbij met behulp van een simulatiemodel wordt gekeken naar investeringen in de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven (zie ook kader). ‘Netbeheerders leveren daar modellen voor aan’, legt Van Dinther uit. ‘Die koppelen wij aan modellen van de industrie. Met Gridmaster kijken wij wat de operatie van de industrie voor effect heeft op de infrastructuur.’

energietransitie

‘Als je jongeren wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft.’

Jan van Dinther, energy transition developer Siemens en Jong Haventalent 2021

En dat is uitdagend. Hoe de industrie opereert, kan namelijk nogal verschillen nu en in de toekomst. Van Dinther: ‘Er spelen heel veel factoren mee. In het Gridmaster-model kunnen we met algoritmes en slimme analysestappen veel verschillende scenario’s opstellen en doorrekenen die zich kunnen afspelen in de onzekere toekomst. Aan de hand van de door Gridmaster verkregen inzichten kunnen netbeheerders beter beslissen waar ze in investeren en waarin niet.’

Gridmaster

Het is een bekend kip-ei-probleem: netbeheerders en industrie wachten op elkaars plannen. Een consortium met partijen uit de energie-infrastructuurmarkt in de Rotterdamse haven heeft er een oplossing voor bedacht. Het consortium, Gridmaster genaamd, ontwikkelde een simulatiemodel waarin verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Het project duurt tien maanden.

De zogenoemde Gridmaster-methode moet leiden tot kansrijke investeringsplannen voor de energie-infrastructuur in de Rotterdamse haven. Denk hierbij aan aardgas, waterstof en elektriciteit. De Gridmaster-methode bestaat uit een adaptief simulatiemodel van het energiesysteem van de Rotterdamse haven waarmee de prestaties van investeringsplannen voor grote hoeveelheden verschillende (toekomst)scenario’s kunnen worden geanalyseerd. Met dit zogenaamde stresstesten krijgt het consortium inzicht in de toekomstbestendigheid van een investering over bijvoorbeeld tien of dertig jaar.

Bij de Gridmaster-methode wordt het integrale energiesysteem voor de komende decennia (2020–2050) in een computermodel omgezet. Alle instrumenten, modellen en resultaten die in het kader van het project worden gecreëerd, worden openbaar gemaakt. Omdat het integrale energiesysteem in één gedigitaliseerd model is ondergebracht, biedt dit veel onderzoeksmogelijkheden naar investeringen in andere delen van het energiesysteem, zoals de landelijke infrastructuur. Daar spelen vergelijkbare uitdagingen rond investeringen onder grote onzekerheid.

Aantrekkelijk

Ook kunnen netbeheerders zien onder welke omstandigheden een investering een goed idee is. Zo kunnen ze bijvoorbeeld zien dat als er ontwikkeling a, b of c gaande is in de waterstofeconomie, ze rekening moeten houden met investering x, y, of z. Van Dinther: ‘Die signalen kun je uit het simulatiemodel halen die je dan vervolgens ook in het echt gaat monitoren en opvangen. Dat maakt het adaptief.’

Dit soort projecten zijn volgens Van Dinther een goed voorbeeld van digitalisering in de energietransitie en aantrekkelijk voor jongeren. ‘Ik ben ervan overtuigd dat jongeren graag een maatschappelijke bijdrage willen leveren. De energietransitie is natuurlijk een mooie kans dat te doen. Maar vaak weten ze niet wat ze kunnen doen, hoe ze dat kunnen doen en wat ze ervoor moeten kunnen.’

energietransitie

Als Jong Haventalent wil hij jongeren inspireren om voor een studie te kiezen waarmee ze kunnen bijdragen aan de energietransitie. Dat doet hij door in gesprek te gaan met opleidingen en jongeren zelf. Hij wil hen inspireren door concrete projecten te laten zien (zie kader op de volgende pagina). ‘Hierdoor kun je jongeren iets specifieker laten nadenken over wat ze kunnen gaan doen. Zo kun je wat meer richting geven over studies die daarbij horen op mbo, hbo of de universiteit.’

Brutaliteit

Van Dinther denkt ook dat de digitale vaardigheden en brutaliteit van jongeren een grote bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie. ‘Jongeren groeien anders op dan het meeste senior management is opgegroeid. Het is vanzelfsprekend dat ze digitale vaardigheden hebben. Bepaalde concepten zien ze makkelijker voor zich. Als je hen wat laat bouwen, denken ze misschien verder dan management kan of durft. Met brutaliteit van jongeren bedoel ik dat je niet altijd de huidige status quo volgt. Brutaliteit is ook hoe je nadenkt over het nemen van risico’s. Je hoort nu vaak dat er een onrendabele top is en de vraag hoe de overheid dat op gaat lossen. Maar bij innovatie hoort het om durfkapitaal in te zetten. Dat is in Nederland nog relatief schaars.’

Het jonge haventalent denkt dat jongeren kunnen helpen om projecten op te durven starten zonder dat precies bekend is hoe ze gaan eindigen. ‘Puur omdat we technologisch vooruit willen. Ik denk dat we van sommige energietransitieprojecten nooit helemaal gaan bewijzen dat de businesscase rond is totdat we het een aantal keer hebben geprobeerd.’

Voorbeeldprojecten

Jan van Dinther inspireert jongeren graag voor studies die kunnen bijdragen aan de energietransitie door over projecten in de haven van Rotterdam te vertellen waar Siemens bij is betrokken. Volgens hem zouden bedrijven echter zelf ook meer aan jongeren kunnen vertellen wat ze doen en hoe er bij hun gewerkt kan worden aan de energietransitie.

Walstroom

Een van de projecten waar Van Dinther over vertelt, is walstroom voor de grootste kraanschepen ter wereld. Hierdoor hoeven deze schepen hun motor niet meer te laten draaien. Wat geluidsoverlast en CO2-uitstoot scheelt. Dieselgeneratoren die normaal gesproken aan staan om een schip van elektriciteit te voorzien, kunnen door de walstroom aansluiting uitgeschakeld blijven.

Locomotive workshop Rotterdam

Locomotive Workshop Rotterdam (LWR) op de Tweede Maasvlakte is een hypermoderne werkplaats voor het onderhoud aan elektrische locomotieven. Het is onderdeel van een Europees netwerk van onderhoudswerkplaatsen. Rotterdam is als grootste zeehaven van Europa de logistieke toegangspoort tot het Europese spoorwegennet. De komst van LWR maakt het voor exploitanten van goederentreindiensten aantrekkelijker meer goederen over het spoor te vervoeren van en naar de Rotterdamse haven.

Gemaal van de toekomst 

In Prinsenland is een gemaal omgebouwd tot het ‘Gemaal van de Toekomst’. Naast schone energieopwekking kunnen de prestaties van het gemaal real time worden gemonitord en geoptimaliseerd. De ombouw reduceert het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Zuinige motoren, slimme pompen, zonnepanelen, duurzame verlichting en groene daken dragen hieraan bij. Dit pilotproject is ook een voorbereiding op de gevolgen van de klimaatverandering. Extremere perioden van neerslag, hitte, droogte en overstroming maken het uitdagender de waterhuishouding op orde te houden.

Dat techniek vele kanten kent, weet Hielke Weda maar al te goed. Hij adviseert als application engineer bij SMC Nederland bedrijven op het gebied van industriële automatisering. ‘De oplossingen die wij verkopen zijn zo divers, dat een vraag van een klant al snel een technische puzzel wordt. Als je dan samen met je team de oplossing vindt, geeft dat een kick.’

Hielke kreeg het goede voorbeeld van zijn vader die gasinstallateur was. Toch was hij naar eigen zeggen geen modelleerling. Toen hij op aanraden van zijn ouders voor een MBO4-opleiding koos, groeide de liefde voor techniek langzaam. De keuze viel op werktuigbouwkunde, waar hij via een stage in contact kwam met de luxe scheepsbouw. Zo leuk dat de zeevaartschool lonkte. Maar een jaar lang weg van huis en het leven aan boord van een gastanker en een cruiseschip bleken te veel te vragen van het sociale leven. ‘Als je ergens van leert, is het wel van het leven aan boord van een schip’, zegt Weda. ‘Je hebt nu eenmaal weinig spare parts aan boord en dus moet je creatief omgaan met wat je wel hebt. Op een cruiseschip moet je bovendien niet alleen verstand van motoren hebben, maar ook van alle randsystemen.’

Wat zijn de uitdagingen in je werk?

Weda: ‘SMC levert technische oplossingen voor een breed scala aan bedrijven. De oplossingen variëren van pneumatiek tot elektrische aandrijvingen, procestechnologie en nog veel meer. Het mooie is dat je de ene keer oplossingen bedenkt voor een halfgeleiderfabrikant, terwijl je de andere keer dezelfde soort apparatuur moet inzetten voor een tuinder of bijvoorbeeld een bierbrouwer. Je moet dus goed naar de klant luisteren en je verdiepen in diens problemen. Soms moet een klant bijvoorbeeld een product oppikken met een pick-and-place-robot, een machine die met behulp van vacuüm iets kan oppakken. Dan vraag ik een voorbeeld van het product op te sturen. Niks leuker dan in onze werkplaats testen te doen met een compressor en een vacuümgrijper.’

Wat is er zo leuk aan techniek?

Hoewel de techniek uitdagend genoeg is, haalt Weda het meeste plezier uit het samenwerken met collega’s en klanten. ‘Techniek is maar een deel van het werk dat je doet’, zegt Weda. ‘Je moet ook met een klant kunnen communiceren om diens vragen te kunnen vertalen naar een oplossing. Die oplossing zit  bij diverse afdelingen en productspecialisten, zodat je ook daar moet kunnen overbrengen wat de klant wil. Vroeger zag je veel meer onderscheid tussen het werk van werktuigbouwers en elektrotechnici. Tegenwoordig moet je van beide iets afweten en ook nog kunnen programmeren. Dat maakt het werk complexer, maar ook een stuk afwisselender.’

Kan je er nog meer mee?

Alsof het niet genoeg is, is Weda in zijn vrije tijd ook nog brandweerman. ‘Dat is een serieuze opleiding, maar wel een mooie afwisseling met mijn dagelijkse werk. Mijn technische achtergrond helpt wel degelijk, bijvoorbeeld als een dakbedekking loslaat of een auto moet worden opengeknipt. Je ziet bij de brandweer dan ook veel techneuten rondlopen. Die weten vaak net wat beter hoe ze een probleem moeten aanpakken.’

Techniekhelden

Techniekhelden zijn technici die onmisbaar zijn voor het bedrijf of die iets bijzonders doen of hebben gedaan met grote impact. Heeft u een collega die u in het zonnetje wilt zetten? Laat het ons weten via redactie@industrielinqs.nl

De Universiteit Maastricht start in september met een nieuwe bacheloropleiding ‘Circular Engineering’. Deze opleiding zorgt voor een nieuw soort ingenieur die niet geschoold is in één vakgebied, maar over diverse disciplines heen kan kijken, rekening houdt met de footprint van materialen en naast technologie ook gevoel voor maatschappelijke verhoudingen heeft.

De circulaire ingenieurs hebben de kennis en vaardigheden om producten, processen en diensten te ontwerpen, ontwikkelen en optimaliseren om de circulariteit voor een duurzame samenleving en industrie te bevorderen. Dit type engineer denkt multidisciplinair en is in staat om de kloof tussen verschillende disciplines te overbruggen. Omdat het beroep snel veranderd is het bovendien noodzakelijk adaptief te zijn en snel te kunnen schakelen.

Samenwerking met Brightsite
De bètawetenschappen spelen een steeds prominentere rol binnen de UM. Binnen Faculty of Science & Engineering zijn de afgelopen jaren diverse nieuwe onderwijsprogramma’s gestart en nieuwe instituten opgericht waarbij nadrukkelijk de verbinding met het bedrijfsleven wordt gezocht. Een daarvan is Brightsite, het kenniscentrum voor de transitie in de chemische industrie. Naast het ontwikkelen van innovatieve technologieën en het stimuleren van de commerciële toepassing ervan richt het kenniscentrum zich op onderwijs. Binnen Brightsite’s programmalijn ‘Onderwijs en menselijk kapitaal’ is Circular Engineering de eerste bachelor die van start gaat.