Lanxess is sinds 3 augustus met productielocaties aanwezig in zowel Antwerpen als Rotterdam. Het chemiebedrijf heeft de overname van Emerald Kalama Chemical afgerond. Alle nodige wettelijke goedkeuringen zijn verleend. De aankoopprijs is ruim een miljard Amerikaanse dollar  (EUR 870 miljoen). Lanxess financiert de overname uit eigen middelen.

Onderdeel van de overname is ook de fabriekslocatie van Emerald Kalama in Rotterdam. Met de locaties in Washington (VS) en Widnes (Groot-Brittannië), neemt het Duitse chemiebedrijf in totaal 470 werknemers over.
Door de overname wordt Lanxess één van de grootste leveranciers van smaak- en geurstoffen – een gebied waarvoor het concern op de lange termijn sterke groeipercentages verwacht. De stoffen worden voornamelijk gebruikt in verzorgingsproducten, cosmetica, exclusieve parfums en in voedsel en dranken.

Antwerpen

In de Benelux was Lanxess al met een grote productielocatie vertegenwoordigd in Antwerpen. Tot eind 2018 had het bedrijf ook 50 procent in handen van Arlanxeo, met fabrieken op Chemelot in Nederlands Limburg. Maar dat bedrijf is inmiddels volledig in handen van olie- en chemiegigant Saudi Aramco.

Shell Geothermie en Eneco hebben een vergunning gekregen voor het opsporen van aardwarmte in de regio Rotterdam.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft een vergunning afgegeven voor onderzoek naar aardwarmte in Capelle aan den IJssel, Rotterdam, Lansingerland, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas. Aardwarmte kan als bron een bijdrage leveren aan het verder verduurzamen van warmtenetten. Het biedt de mogelijkheid om meer woningen en gebouwen aardgasloos te verwarmen.

Eneco en Shell brengen de komende jaren het potentieel voor aardwarmte in de ondergrond in kaart. Ook maken ze afspraken met mogelijke afnemers van de aardwarmte. Daarnaast worden de techniek en kosten verder uitgewerkt. En de partijen zoeken naar mogelijke locaties voor boringen en bekijken hoe deze eruit kunnen komen te zien.

Shell en Eneco geven aan dat het nog onbekend is wanneer ze beginnen met het ontwikkelen van aardwarmtelocaties en het aanboren van warmtebronnen. De komende jaren is dit in ieder geval nog niet aan de orde.

Het Finse UPM heeft groeiplannen voor biobrandstof en start met de eerste engineeringsfase voor een geavanceerde bioraffinaderij. Deze krijgt een capaciteit van 500.000 ton hooogwaardige hernieuwbare brandstoffen. UPM ziet Rotterdam als mogelijke plek voor de nieuwe raffinaderij.

UPM is een Fins bedrijf dat van reststromen hernieuwbare materialen maakt. De producten uit de geplande bioraffinaderij kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt als duurzame vliegtuigbrandstof. Grondstof voor de raffinaderij zijn houtige biomassa en duurzaam vloeibaar afval en andere restgrondstoffen.

Het bedrijf gaat nu een engineeringstudie doen om de businesscase op te stellen, technologie te selecteren en kijken welke investeringen nodig zijn. Ook kijkt UPM of ze groene waterstof kan gebruiken in de raffinaderij. Daarnaast onderzoekt ze waar de fabriek kan komen te staan. Daarvoor heeft het bedrijf Rotterdam en Kotka (Finland) op het oog.

De verwachting is dat de engineeringfase voor de nieuwe bioraffinaderij een jaar duurt.

Victor van der Chijs wordt de nieuwe voorzitter van de Rotterdamse ondernemersvereniging Deltalinqs en Rotterdam Port Promotion Council (RPPC). Hij zal hij op 1 april 2021 officieel als voorzitter van start gaan. Hij volgt Atzo Nicolaï op die begin 2020 startte en in de afgelopen zomer onverwachts overleed. 

Van der Chijs was de afgelopen zeven jaar bestuursvoorzitter van Universiteit Twente met daarnaast diverse nevenfuncties. Daarvoor bouwde hij het Rotterdamse architectenbureau OMA van architect Rem Koolhaas uit tot wereldspeler en was hij voorzitter van de topsector Creatieve Industrie. In het verleden heeft hij ook uiteenlopende managementfuncties gehad bij Schiphol.

Schakel

Deltalinqs behartigt de gezamenlijke belangen van de logistieke, haven- en industriële bedrijven in de mainport Rotterdam. Bij de ondernemersvereniging zijn ruim 700 bedrijven aangesloten uit veertien verschillende sectoren. RPPC wil als internationale netwerkorganisatie de verbindende schakel zijn tussen het havenbedrijfsleven, internationale verladers en expediteurs, overheden en andere stakeholders.

DCMR gaat tijdens inspecties actief aandacht besteden aan milieuvervuiling plastic zwerfkorrels in de Rotterdamse haven. Dat in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Ook wil de milieudienst samen met bedrijven en andere organisaties onderzoeken hoe het probleem is op te lossen. 

Afgelopen vrijdag riep managing director Ann Geens van polypropeenproducent Ducor partijen op om samen te werken bij de aanpak van dit probleem.  Tegelijkertijd deed ze ook haar beklag over de dubbele houding van milieudienst DCMR. Het helpt volgens haar niet dat Ducor een dwangsom van de DCMR boven het hoofd hangt.

De Plastic Soup Foundation heeft het probleem aanhangig gemaakt bij de milieudienst. Ann Geens vrijdag: ‘Twee keer heeft de DCMR in een periode van zes weken informatie bij ons kunnen ophalen. Maar ze hebben ons geen vraag gesteld. De Plastic Soup Foundation heeft dus geen terugkoppeling gekregen. Nu stelt de DCMR dat we in gebreke zijn gebleven, terwijl ze zelf nog geen onderzoek heeft gedaan. Sterker nog, er is nog nooit een proces verbaal opgemaakt.’

Maatregelen

Wat dat betreft lijkt DCMR een januskop te hebben. Geens: ‘Aan de ene kant werken we heel goed en prettig met mensen van de milieudienst samen, om oplossingen te vinden. Aan de andere kant wordt het spel politiek gespeeld. Dat zijn toch twee verschillende houdingen.’

Uiteraard een recent persbericht van DCMR, dat mogelijk door de corona-crisis nauwelijks door de pers is opgepakt, blijkt dat de milieudienst ook de samenwerking opzoekt. ‘DCMR onderkent dat de verspreiding van plastic in het milieu een groeiend maatschappelijk probleem is en zoekt de samenwerking met andere organisaties om het probleem breder te agenderen. De Plastic Soup Foundation heeft het probleem bij DCMR hoog op de agenda gezet door een handhavingsverzoek in te dienen over plastic korrels die vanuit Ducor Petrochemicals in het milieu terecht kwamen. Ducor krijgt de last onder dwangsom voor een vervuiling door plastic korrels naar de omgeving. Het bedrijf heeft al maatregelen genomen om verspreiding tegen te gaan en gaat nog verdergaande maatregelen nemen om verspreiding van de plastic korrels te voorkomen.’

Veroorzaker opsporen

Ook is DCMR blij met de proactieve houding van Ducor: ‘Vanuit de eigen maatschappelijke betrokkenheid bij het probleem van de plasticvervuiling, heeft het bedrijf zich bereid getoond een bijdrage te leveren aan het schoonmaken van de Brittannië- en Londonhaven in Rotterdam. Hier verzamelt zich veel plastic afkomstig uit verschillende bronnen. Omdat de vervuiling bijvoorbeeld uit bovenstrooms gelegen gebieden komt of in een ver verleden is veroorzaakt, is het niet eenvoudig om de veroorzaker op te sporen.’

Wicked problem

Maar waarom Ducor nog steeds een dwangsom boven het hoofd hangt is niet geheel duidelijk. Te meer omdat DCMR ook onderkent dat het probleem breder is. ‘In de Rotterdamse haven zijn meer bronnen van plastic vervuiling. DCMR zet daarom ook in op verscherpte controles bij andere bedrijven die plastic korrels produceren, verwerken en gebruiken, zowel in de provincie Zuid-Holland als in Zeeland. DCMR zal inspecties intensiveren om te beoordelen of bedrijven voldoende maatregelen hebben genomen om verspreiding van plastic korrels te voorkomen. Wanneer dit niet het geval is, zal DCMR handhavend optreden.’

De vervuiling van onze leefomgeving door plastic is volgens de milieudienst een wicked problem. ‘Het kent vele oorzaken en actoren, die vaak met elkaar verbonden zijn. Het probleem vraagt om een integrale, gezamenlijke aanpak. Daarom onderzoekt DCMR hoe zij met overheidspartners, private partijen en non-gouvernementele organisaties zoals de Plastic Soup Foundation, ook buiten de eigen regio, een bijdrage kan leveren aan de bestrijding van plasticvervuiling.’

Al decennialang wordt er zo nu en dan gefilosofeerd over een hechtere samenwerking tussen de havens van Antwerpen en Rotterdam. Heel soms wordt het woord fusie in de mond genomen, om vervolgens weer snel over te gaan tot de orde van de dag. Wat dat betreft waren Gent en Zeeland doortastender.

In 1999 vroeg Petrochem aan de toenmalige schepen (wethouder) van Antwerpen Leo Baron Delwaide of er niet een grensoverschrijdend havenbedrijf moet komen. Om de industriële belangen in Nederland en Vlaanderen internationaal beter te verdedigen. ‘U bedoelt een Delta-havenbedrijf? Dat is een mooie droom waar we zeker aan moeten denken’, antwoordde hij.

Hij was ook zo realistisch dat hij een fysieke samensmelting van havenbedrijven niet meer tijdens zijn ambtstermijn mee zou maken. ‘Ik ben natuurlijk een oude man, maar mijn jonge opvolger komt nog eens voor de beslissing te staan of er een enkel havenbedrijf moet komen voor alle havens in de hele Delta.’

Maar dat de havens van Rotterdam niet alleen elkaars concurrenten waren, maar elkaar ook zeer konden versterken, was hem toen al duidelijk. Of zoals hij het zelf mooi verwoordde: ‘Ik weet geen voorbeeld van Antwerpen, noch van Rotterdam, dat de opgang van de een ten koste ging van de ander. De activiteiten van beide gebieden versterken elkaar juist.’

Diplomatiek signaal

Ook zijn opvolger als schepen van de haven, Marc van Peel, heeft uiteindelijk niet voor de beslissing gestaan voor een eventuele fusie. Integendeel misschien wel. Van Peel, die vorig jaar afscheid nam, heeft eerder een tijdje op voet van ‘oorlog’ gestaan met zijn noorderburen. Belangrijkste dispuut was de uitdieping van de Westerschelde. Zomer 2009 bepaalde namelijk de Nederlandse Raad van State dat de vaargeul van de Westerschelde voorlopig niet mocht worden verruimd en verdiept omdat onduidelijk was welke gevolgen dat werk had voor de natuurlijke waarden. In een verdrag met Vlaanderen had de Nederlandse regering zich verplicht de Westerschelde beter bevaarbaar te maken voor grote schepen die de haven van Antwerpen wilden aandoen.

De Vlamingen reageerden furieus, met Marc van Peel voorop. Hij stelde zelfs voor om voor om de Zeeuwse mosselen te boycotten. Er werd gesuggereerd dat niet de Nederlandse milieubeweging, maar het Rotterdamse havenbedrijf hierachter zat. Ook de Vlaamse regering was ontstemd. De uitspraak van de Raad van State was reden voor de Vlaamse minister-president Kris Peeters om de Nederlandse ambassadeur te ontbieden. Een zwaar diplomatiek signaal.

Uiteindelijk ging kabinet Balkenende overstag en is in 2010 de uitdieping begonnen. Toch ging het nog niet helemaal zonder slag of stoot. Volgens het verdrag zou Nederland de Hedwigespolder onder water zetten als compensatie voor de uitdieping. Kabinet Rutte I kwam daar echter op terug. Het geduld van Vlaanderen was in 2012 daarom wederom op, waarna de Vlaamse regering een procedure startte om Nederland alsnog te dwingen de polder onder water te zetten. In 2015 stopten de Vlamingen deze procedure echter.

Oliehaven

De concurrentie tussen Rotterdam en Antwerpen springt nog steeds meer in het oog dan de onderlinge synergie en samenwerking. Dat bleek afgelopen jaren maar weer toen zowel Antwerpen als Rotterdam naar de hand van Ineos dongen. Uiteindelijk koos het chemiebedrijf in januari 2019 voor Antwerpen om drie miljard euro te investeren in een ethaankraker en een installatie voor de productie van propyleen.

Ineos-directeur Hans Casier verbaasde zich in een interview in Petrochem over de discussie die vervolgens losbarstte in de Nederlandse pers. Bedrijven zouden de Rotterdamse haven mijden vanwege het Nederlandse klimaatbeleid, was de teneur. Casier: ‘Dat is bij ons onderzoek nooit aan bod gekomen. Rotterdam had bovendien een heel sterk dossier. Het concrete aanbod was misschien zelfs iets beter dan dat van Antwerpen.’ Doorslaggevend was dat er bij vestiging in Rotterdam additionele infrastructuur nodig is. De eigen, bestaande installaties van Ineos in Antwerpen zijn straks immers de belangrijkste afnemers van ethyleen en propyleen uit de nieuwe fabrieken. Door te investeren in Antwerpen is geen extra transport nodig.

Wel bijzonder van deze investering is dat de grondstoffen, de schaliegassen ethaan en propaan straks direct in de Antwerpse haven in vloeibare vorm per schip aankomen. Dat zou nog weleens een deuk in de synergie tussen Rotterdam en Antwerpen kunnen opleveren. Immers Rotterdam is toch de oliehaven en veel, zo niet bijna alle grondstoffen voor de Antwerpse chemie komen via de Rotterdamse haven binnen en gaan vervolgens met name via de uitgebreide pijpleidinginfrastructuur naar het zuiden.

Trilateraal

Je zou dus kunnen zeggen dat de samenwerking tussen Antwerpen en Rotterdam de afgelopen decennia niet veel hechter is geworden. Toch wordt er op landelijk en gewestelijk niveau wel toenadering gezocht, ook met Noordrijn-Westfalen. Twee jaar geleden maakten overheden van Vlaanderen, Nederland en Noordrijn-Westfalen bekend nauw te gaan samenwerken om de chemische industrie verder uit te bouwen. Met een tewerkstelling van meer dan 350.000 mensen en een gezamenlijke omzet van 180 miljard euro is de regio goed voor twintig procent van de Europese chemie. Doel is om het chemiecluster in het hart van Europa aantrekkelijk te houden voor nieuwe investeringen. Daarvoor wordt een trilaterale samenwerking opgezet tussen overheid, industrie en academische wereld in de drie regio’s.

Tonnen-fetisj

Opvallend is verder dat waar Rotterdam en Antwerpen niet dichter bij elkaar zijn gekomen, er wel een ander grensoverschrijdend havenbedrijf is ontstaan: North Sea Port. Per 1 januari 2018 gingen Zeeland Seaports en Havenbedrijf Gent samen. ‘De gebieden sluiten naadloos aan’, stelde CEO Daan Schalck van Havenbedrijf Gent twee jaar geleden in Petrochem. ‘We hebben een onderzoek laten uitvoeren door McKinsey. Daarin werd ook de vraag gesteld wat er zou gebeuren als Gent met Antwerpen zou fuseren. Dat lijkt misschien een voor de hand liggende keuze, maar dat is het niet. In havens als Antwerpen en Rotterdam wordt bijna alles afgemeten aan de opslag en doorvoer van containers. Zowel Gent als Zeeland willen deze tonnen-fetisj juist loslaten. We richten ons allebei veel meer op de toevoegende waarde van de industrie. Na de fusie worden we straks de derde industriehaven van Europa. Voor op- en overslag blijven we rond de tiende plaats steken. Zou Gent samengaan met Antwerpen of Zeeland met Rotterdam, dan zouden we te veel worden meegesleurd in de jacht naar meer tonnen.’

Deze redenering volgend, zou een samensmelting met Moerdijk en bijvoorbeeld Bergen op Zoom een logische vervolgstap kunnen zijn. Schalck (in 2017): ‘Zeker een interessante gedachte, maar laten we vooral niet op de zaken vooruitlopen. De eerste stap is al moeilijk genoeg. Er zijn veel overheden betrokken bij de voorgenomen fusie. En laten we eerst strategisch nog maar interessanter worden. Eerst groeien, daarna verder kijken.’

Emerald Kalama kiest Rotterdam als locatie voor haar Europees hoofdkantoor. Het nieuwe kantoor dient als centrale hub gericht op het bedienen van klanten in Europa, het Midden-Oosten en Afrika.

Emerald Kalama heeft al een grote productiefaciliteit in de Botlek. Daarom is Rotterdam volgens het bedrijf een strategische locatie waar productie, logistiek, management, verkoop en klantenservice elkaar versterken.

De Rotterdamse productiefaciliteit telt momenteel ongeveer 150 medewerkers. Het produceert benzoëzuur, benzaldehyde en gerelateerde downstream-producten. Deze worden gebruikt als bestanddeel voor voedingsmiddelen, cosmetica, huishoudelijke verzorgingsproducten, kleefstoffen en verven.

Emerald werft momenteel voor zo’n tien functies in het Europees hoofdkantoor, dat in de herfst van 2019 open gaat.

Grootschalige productie en toepassing van blauwe waterstof stelt de industrie in Rotterdam in staat haar CO2-emissies al voor 2030 aanzienlijk omlaag te brengen. Dat is de uitkomst van een haalbaarheidsstudie die zestien bedrijven en organisaties verenigd in het project H-vision hebben uitgevoerd.

Met de positieve uitkomst van het onderzoek heeft Rotterdam de kans zich te ontwikkelen tot een hub waar naast bestaande productie straks ook blauwe en groene waterstof wordt gemaakt, gebruikt en verhandeld. Daarmee kan H-vision de start gaan vormen van de waterstofeconomie in Rotterdam en in hoge mate bijdragen aan de klimaatdoelstellingen.

H-Vision

H-vision richt zich in eerste instantie op het maken van waterstof op basis van aardgas en door hergebruik van raffinaderijgas. De CO2 die vrijkomt bij de productie wordt afgevangen en opgeslagen in lege gasvelden onder Noordzee. De zo verkregen blauwe waterstof kan vervolgens als koolstofarme energiedrager in de industrie worden ingezet voor het opwekken van hoge temperaturen en voor de productie van elektriciteit.

H-vision baant hiermee de weg voor groene waterstof die wordt geproduceerd door middel van elektrolyse met stroom uit duurzame bronnen als offshore windparken. Bij deze vorm van waterstofproductie komt geen CO2 vrij. Op dit moment is er te weinig groene stroom voor productie van groene waterstof op industriële schaal.

Investering

Met de bouw van de waterstofinstallaties voor H-vision is in de referentievariant op basis van de huidige inzichten een investering van circa 1,3 miljard euro gemoeid. Inclusief infrastructuur en technische aanpassingen aan industriezijde komt de totale investering op naar schatting 2 miljard euro.

Met de positieve afronding van de haalbaarheidsstudie gaat H-vision een nieuwe fase in, waarin wordt overlegd met de overheid over regelgeving, risicoafdekking en financiële ondersteuning. Ook de keuzes in het uiteindelijke Klimaatakkoord zijn van groot belang.

Maasvlakte

H-vision richt zich nu op een verdere detaillering van technisch ontwerp, financiële onderbouwing, marktpositie en organisatie. Uit de studie is de Maasvlakte als een goede locatie voor de waterstoffabrieken naar voren gekomen. Ook hier wordt verder onderzoek naar gedaan.

Een investeringsbesluit zou in 2021 genomen kunnen worden. In een dergelijke planning kan de eerste installatie begin 2026 de industrie in Rotterdam van koolstofarme waterstof kunnen voorzien.

Een paar uitkomsten van het onderzoek

  • H-vision kan op korte termijn een forse CO2-reductie realiseren. Die loopt op van 2,2 miljoen ton in 2026 tot 4,3 miljoen ton in 2031.
  • Afgezet tegen de totale CO2 -uitstoot van de industrie in Rotterdam over 2018 (26,4 miljoen ton) leidt gebruik van blauwe waterstof als energiedrager in de industrie tot een emissiereductie van 16 procent.
  • De prijs per vermeden ton CO2 bedraagt in de referentievariant €86 – €146 (exclusief ETS-credits), afhankelijk van de economische scenario’s.
  • De te bouwen H-vision waterstofinstallaties krijgen een productiecapaciteit van ruim 700 kiloton op jaarbasis ofwel circa 3200 MW. Daarmee kan de industrie in Rotterdam maar liefst 20 procent van de benodigde warmte en stroom op basis van blauwe waterstof produceren.

Eneco en Shell willen gezamenlijk zoeken naar naar Rotterdamse aardwarmte. Daartoe hebben ze een aanvraag voor een opsporingsvergunning ingediend bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De warmte zal vooral worden ingezet in bestaande en nieuwe warmtenetten.

De opsporingsvergunning geldt voor zowel Rotterdam als Capelle aan den IJssel, Lansingerland, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas. In deze regio heeft de ondergrond een gunstige samenstelling voor de winning van aardwarmte. De aardwarmte kan bovendien eenvoudig worden aangesloten op bestaande en nieuwe warmtenetten.

Beide partijen hebben hun kennis en expertise gebundeld. Ze willen in samenwerking met klanten, bedrijven, omwonenden, de (lokale) overheid en andere belanghebbenden, een positieve bijdrage leveren aan de rol van aardwarmte in de energietransitie.

Geothermie

Aardwarmte, ook wel geothermie genoemd, is bestaande warmte die uit aardlagen op dieptes tussen de 500 meter en 4.000 meter wordt benut. Zowel de nationale overheid, de provincie Zuid-Holland, als lokale overheden zien voor duurzame aardwarmte een belangrijke plek in de energietransitie. De provincie Zuid-Holland is hiervoor bij uitstek geschikt.

Het kan tot een jaar duren voor het ministerie van EZK beslist over de opsporingsvergunning. Indien deze aan Eneco en Shell wordt verleend brengen zij het aardwarmtepotentieel in de betreffende regio in kaart om tegelijkertijd de warmtevraag bovengronds te onderzoeken.

Investeringsfonds Rotterdam Port Fund neemt een belang in ExRobotics. Hier worden robots gemaakt die inzetbaar zijn in explosie-gevaarlijke omgevingen. De modulaire robots – gecertificeerd voor ATEX/IECEx Zone 1 – maken het mogelijk om olie- en gasinstallaties op afstand te inspecteren. Dat is veiliger, sneller en efficiënter dan mensen ter plaatse sturen.

Door de deelname van Rotterdam Port Fund kan ExRobotics haar productiecapaciteit te vergroten en internationale expansie te versnellen. Niet alleen door de financiële bijdrage is daarbij belangrijk, ook de toegang tot het netwerk van het fonds is bevorderend. Voor het Rotterdam Port Fund past het bedrijf in het investeringsprofiel. ‘De potentiële toepassingsmogelijkheden van de robots in de olie- en gasindustrie raken voor ons belangrijke thema’s als veiligheid, onderhoud en digitalisering’, zegt Frans van der Harst van het investeringsfonds.

Initiatief

Deelneming door het Rotterdam Port Fund geeft ExRobotics de mogelijkheid om haar robot wereldwijd te gaan verkopen. Het Rotterdam Port Fund is een initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam, NIBC Bank, InnovationQuarter, Koninklijke Doeksen en de Rotterdamse ondernemers Peter Goedvolk en Luc Braams.