Staatssecretaris Tamara van Ark (SZW) wil een verkenning voor een alcohol- en drugstest op de werkvloer houden. In eerste instantie richt zij zich op BRZO-bedrijven waar een zwaar ongeval grote maatschappelijke gevolgen kan hebben. VNCI, de vereniging van de chemische industrie in Nederland met veel leden die onder BRZO-regels vallen, vraagt al geruime tijd om zo’n wettelijke grondslag en denkt graag met het ministerie mee over de verdere vormgeving.

VNCI ziet graag een voortvarende aanpak zodat bedrijven hun verplichting kunnen nakomen, namelijk om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om een zwaar ongeval te voorkomen. BRZO-bedrijven vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015. “Waar zich grote veiligheidsrisico’s kunnen voordoen doordat werknemers onder invloed verkeren van alcohol of drugs moeten deze werknemers van de werkvloer geweerd kunnen worden. Niet alleen voor hun eigen veiligheid, maar ook voor die van hun collega’s”, verwoordt de staatssecretaris in haar brief aan de Tweede Kamer.

Wettelijke grondslag nodig

Volgens de Autoriteit Persoonsgegevens kan het afnemen van een alcohol- en drugstest alleen met een wettelijke grondslag. Die grondslag is er wel voor bijvoorbeeld boordpersoneel van vliegtuigen of deelnemers aan het wegverkeer. Voor personeel van bedrijven waar gewerkt wordt met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen bestaat deze nog niet. Deze kunnen hun alcohol-, drugs- en medicijn (ADM)-beleid nog niet effectief vormgeven. Daarom bestaat de behoefte om als sluitstuk van dat beleid eventueel ook te kunnen testen, vooral in risicovolle beroepen.

Met de brief aan de Tweede Kamer erkent de staatssecretaris de noodzaak voor een wettelijke grondslag. Er kunnen nu concrete stappen gezet worden om te kijken in welke gevallen en hoe dit mogelijk gemaakt kan worden. Daarbij is het belangrijk – voor werkgever én werknemer – dat er duidelijke voorwaarden worden geformuleerd waaronder de inbreuk op privacy van de werknemer gerechtvaardigd is en moet er in goede waarborgen zijn voorzien. Het zal ook alleen als sluitstuk op een ADM-beleid kunnen gelden.

Hierover zijn in de afgelopen tijd diverse gesprekken gevoerd met sociale partners in de Stichting van de Arbeid om te bezien in welke specifieke gevallen behoefte en noodzaak bestaat aan het afnemen van een alcohol- en drugstest.

Veilig werken

Werkgevers en werknemers zijn samen verantwoordelijk voor veilig en gezond werken en zij werken samen bij de uitvoering van het arbobeleid. Onderdeel van dit beleid is het tegengaan van gebruik (of verkeren onder invloed) van alcohol en drugs op het werk. Samen met medicijngebruik valt dit onder het zogenoemde ADM-beleid. Gezien de risico’s die verbonden zijn aan het werken op een BRZO-locatie, is dit in het belang van alle medewerkers. Veiligheid voor iedereen binnen een duidelijk wettelijk kader is het uiteindelijke doel.

Daarnaast past het terugdringen van alcohol- en drugsgebruik binnen het Nationaal Preventieakkoord dat VNO-NCW/MKB-Nederland samen met de ministeries van VWS en SZW onder de naam Vitaal Bedrijf zijn gestart.Dit programma richt zich erop zoveel mogelijk bedrijven en organisaties integraal en structureel te laten werken aan een gezonde leefstijl van werkenden. Het terugdringen van alcohol- en drugsgebruik is één van de speerpunten.

Het is een woelige periode voor de industrie.  Het imago staat onder druk, onder andere in de maatschappelijke discussies over de energietransitie. Dat terwijl de chemische industrie er juist een enorm positieve invloed op kan hebben met innovaties. Volgens Manon Bloemer, de nieuwe directeur van de Koninklijke VNCI, moet de chemie zichzelf daarom veel meer laten zien. ‘Met meer Marinussen Tabak had de industrie een veel minder groot imagoprobleem.’ 16 oktober is Bloemer een van de keynotes van Eemsdeltavisie 2019.

Ze kwam dit voorjaar over van Vopak. Met plezier kijkt ze terug op haar tijd bij de wereldwijde gigant in de opslag van brandstoffen en chemicaliën. Vooral de ambitie van het op- en overslagbedrijf sprak haar aan. ‘Binnen de opslagsector wil Vopak voortdurend koploper zijn als het gaat om verduurzaming en veiligheid’, stelt Manon Bloemer. ‘Dat boeide me enorm en ik haalde er ook veel voldoening uit.’ Steeds nieuwe stappen zetten, dat werkt ook stimulerend.

Bij Vopak was dat vooral als alerte volger. Want het is ook zoals haar ex-collega Jan Bert Schutrops het een paar jaar geleden in Petrochem realistisch verwoordde: ‘Bedrijven als Vopak bepalen niet het tempo van de energietransitie. We zijn goed in de logistiek en de opslag van moleculen en van daaruit ontwikkelen wij onze visie. Daarbij volgt het bedrijf op de voet de keuzes van de partijen die bepalend zijn in de transitie.’

Communicatief

Toen ze de kans kreeg om nog dichter op de verandering te komen, greep ze die een paar maanden geleden met beide handen aan. Als de nieuwe directeur van de VNCI vertegenwoordigt ze nu bedrijven die volgens haar zeer bepalend zijn en dat ook willen zijn. ‘Dat beeld had ik vooraf heel sterk. De chemische industrie zit in het hart van de transitie. Het moet nu ook echt gebeuren. Daar is de industrie van doordrongen. De urgentie wordt door de hele sector gevoeld. Het beeld dat ik vooraf had, blijkt dus te kloppen.’

Ze deinst ook niet terug voor het imago van de chemie dat de laatste tijd onder druk staat. Discussies zullen er immers altijd zijn. Ze maakt zich alleen wel zorgen over het effect op jongere generaties. ‘We hebben heel veel enthousiaste mensen nodig om de transitie ook daadwerkelijk vorm te geven.’

In dat kader is Manon Bloemer erg blij met het open en zeer communicatieve karakter van Plant Manager of the Year 2019 Marinus Tabak, die in juni is verkozen. Als nieuw jurylid heeft ze de verkiezing van dichtbij meegemaakt. ‘Met meer Marinussen Tabak had de industrie een veel minder groot imagoprobleem.’ Maar niet iedereen hoeft zo communicatief te zijn. De chemie heeft naast boegbeelden ook mensen nodig die enthousiast op andere, vaak minder zichtbare plaatsen aan de transitie werken.

Vooroplopen

Ze impliceert met de behoefte aan meer Marinussen wel dat het imagoprobleem niet alleen van buitenaf komt. ‘Als industrie moeten we veel meer naar buiten treden. Onbekend maakt onbemind. En er is juist zoveel om trots op te zijn. Veel chemische patenten staan bijvoorbeeld op naam van Nederlandse bedrijven. En Nederland heeft 0,2 procent van de wereldbevolking en maar liefst twee procent van de chemische productie. Dat is een factor tien. Daarover mogen we best wat vaker onze trots uiten. Meer Hollands Glorie. Laten we mooie verhalen vertellen, want die zijn er. Ook om op die manier jonge mensen aan te trekken en te laten zien wat we doen. Die jonge generatie hebben we nodig om nieuwe technologie te ontwikkelen. Er zijn momenteel drie technologiegebieden die zeer hoopgevend zijn en ervoor kunnen zorgen dat we op den duur klimaatneutraal kunnen produceren. En waarin we als Nederlandse chemie voorop kunnen lopen. Ten eerste elektrificatie van de industrie en elektrochemie. Ten tweede de bio- en circulaire grondstoffen. Heel interessant welke ontwikkelingen er nu bijvoorbeeld zijn in de chemische recycling van kunststoffen. De derde lijn is CCU/CCS. Het afvangen van CO2 om het op te slaan of om het, wat nog beter is, als grondstof in te zetten voor de chemie.’

Studiereis

Zelf wil de VNCI nog meer de brug slaan tussen de industrie en de samenleving. Bijvoorbeeld door vaker regionaal aanwezig te zijn. Vorig jaar, toen de vereniging honderd jaar bestond, heeft de VNCI daarvoor Behind the Scenes in het leven geroepen. Verbindende evenementen in en rondom de chemische clusters in Nederland. ‘We merken aan de sfeer tijdens deze bijeenkomsten dat deze aanpak heel goed werkt. De volgende stap is dat we nog meer de samenleving daarbij betrekken.’

Manon Bloemer VNCI

Manon Bloemer (VNCI): ‘Onbekend maakt
onbemind. En er is juist zoveel om trots op te zijn.’

In die zin is de VNCI-directeur ook heel blij met de komende Behind the Scenes op 16 oktober in Delfzijl, die tijdens – en geïntegreerd met – het congres Eemsdeltavisie 2019 wordt georganiseerd. De laatste in de reeks, maar mogelijk ook de meest bezochte. Bloemer: ‘Fantastisch bijvoorbeeld de wedstrijd voor studenten en young professionals die in dat licht wordt georganiseerd. Dat is precies de verbinding die we moeten zoeken.’ Zes teams met drie jonge mensen hebben in dit kader hun whitepapers ingeleverd. Daarin beschrijven ze de stappen die de Eemsdelta de komende jaren het beste kan zetten om de inmiddels bekende klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 ook daadwerkelijk te kunnen halen. Tijdens Eemsdeltavisie strijden drie finalistenteams om een studiereis naar Japan.

Veiligheidscultuur

Naast innovatie rond de energietransitie en druk op de arbeidsmarkt is er nog een ander terugkerend thema voor de VNCI: veiligheid. Zo werd de industrie onlangs verrast door een artikel in het NRC. Uit onderzoek van criminologen van de Universiteit van Leiden en de Vrije Universiteit van Amsterdam zou een verontrustend beeld ontstaan. Tussen 2006 en 2017 begingen 494 chemiebedrijven samen 7.362 overtredingen. Volgens het onderzoek overtreedt zeven procent   stelselmatig de regels.

Er is nog helemaal geen sprake van een eindrapport, stelt Bloemer. Dat komt pas het einde van dit jaar. Het artikel kwam onverwacht aan het einde van de zomer en is gebaseerd op een verslag van de onderzoekers in december vorig jaar. Hoor en wederhoor is niet toegepast. Bloemer: ‘Het is bovendien lastig om op een rapport te reageren dat nog moet verschijnen.’

Ze wil vooral voorkomen dat het een reactieve discussie wordt. ‘Vooropgesteld zijn we zeer geïnteresseerd in het onderzoek en de database waaruit de cijfers komen. We gaan graag in gesprek met de onderzoekers en hebben ook al contacten gelegd. We willen blijven leren om de veiligheidscultuur te verbeteren. Dat is een continu proces.’

Crimineel

Toch wil ze er kort op reageren. De overheid brengt op basis van dezelfde database jaarlijks het rapport De Staat van de Veiligheid uit, dit is openbaar toegankelijk. Dat beeld ziet er heel anders uit. Bloemer: ‘Uit de cijfers van de afgelopen jaren blijkt dat het aantal overtredingen in de chemische industrie juist afneemt. En dat er een duidelijke beweging is van zwaar, naar middel naar licht. Alleen daarom al vind ik het woord crimineel dat rond het onderzoek van de criminologen hangt heel zwaar. Maar nogmaals, we willen graag leren, vooral van elkaar. Zo is Veiligheid Voorop een belangrijke samenwerking om dat industriebreed verder te brengen.’

Al met al zijn haar eerste honderd dagen bij de VNCI voorbijgevlogen. ‘Ik heb daar ook over nagedacht. Tussen 2020 en 2050 resten ruim honderd maal honderd dagen. Dat is dus zo voorbij.’ No time to waste dus, om er maar eens een oude leus van een grote ngo bij te halen.

Behind the Scenes@Eemsdeltavisie

Manon Bloemer is een van de sprekers tijdens Eemsdeltavisie 2019, dat geïntegreerd met Behind the Scenes van de VNCI op 16 oktober in Delfzijl wordt georganiseerd. Thema: Natural Steps. Met de industrie-agenda voor de Eemsdelta en de uitkomsten van de Industrietafel Noord-Nederland zijn stevige, generieke doelstellingen geformuleerd. Er is gekozen voor een purpose driven aanpak waarbij niet op voorhand voor een enkele oplossingsrichting wordt gekozen. Maar wat betekenen deze ambities voor de korte en middellange termijn? Welke stappen kunnen ons dichter bij de uiteindelijke doelen brengen. En hoe kunnen we leren van stappen die we in het verleden hebben gezet?
Andere sprekers zijn onder andere Berend Aanraad (The Natural Step), Johan  Visser (Nouryon) en Marinus Tabak (RWE, Plant Manager of the Year 2019).

Kijk voor het volledige programma en om u nog snel aan te melden op: www.eemsdeltavisie.nl

Manon Bloemer is per 1 mei de nieuwe directeur van de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). Zij volgt Colette Alma op die na vijftien jaar afscheid neemt.

Manon Bloemer is momenteel werkzaam als managing director bij Vopak. Na haar studie bedrijfskunde in Rotterdam werkte zij de eerste veertien jaar bij Unilever. In 2006 maakte Bloemer de overstap naar Vopak, waar zij in 2013 managing director werd. Over haar nieuwe functie zegt ze: ‘Veilig, schoon en groen, dat zijn de thema’s waar het om draait. Ik kijk ernaar uit om daar samen met het professionele VNCI team en alle leden aan te mogen werken. De chemie is met recht een Topsector.’

Scheidend directeur Colette Alma: ‘De brede kennis en ervaring van Manon sluiten uitstekend aan bij de uitdagingen en vragen waar de chemische industrie op het moment voor staat. Ik heb er vertrouwen in dat zij van grote toegevoegde waarde voor onze organisatie zal zijn en draag met een gerust hart het stokje over.’

De miljoeneninvestering om de CO2-uitstoot terug te dringen die het kabinet in de miljoenennota heeft aangekondigd is een goede stap op weg naar een Klimaatakkoord stelt de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI).

Voorzitter Bernard Wientjes: ‘Het is een goede zaak dat het kabinet 300 miljoen euro investeert in innovaties die bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Dit is een stap op weg naar een nieuw klimaatakkoord. Het extra geld dat het kabinet nu gaat investeren in innovatie kan een belangrijke bijdrage leveren aan het laten groeien en bloeien van de vele innovaties die nu al worden ontwikkeld in de chemische industrie in ons land. Het is belangrijk dat een substantieel bedrag ingezet gaat worden voor de industrie in ons land. De chemie kan met haar innovaties als geen ander bijdragen aan de verbetering en vernieuwing van processen en producten die de uitstoot van broeikasgassen fors terugbrengen.’

2050

Deze innovatie-impuls van het kabinet ziet de VNCI als een belangrijk stap op weg naar het nieuwe klimaatakkoord. Een akkoord waarmee overheid, wetenschap en bedrijfsleven samen werk maken van de ambitie om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 te terug te brengen tot bijna nul. Maar om deze transitie voor elkaar te krijgen moet de chemische industrie zich niet alleen richten op de korte termijn maar moet ze ook nu al volop inzetten op innovatie en de doorontwikkeling van de technologieën die nodig zijn voor 2050 maar nu nog niet rendabel zijn. Hierbij is het cruciaal om in de uitvoering samen te werken met de overheid en gezamenlijk te zorgen dat Nederland een aantrekkelijk land blijft om in te investeren. De vandaag aangekondigde impuls is een goed vertrekpunt.

Nu de VNCI haar honderdjarig bestaan viert, zijn de uitdagingen misschien wel groter dan ooit. Vooral de klimaatproblematiek vraagt om andere keuzes. Hoewel ze te boek staat als een van de grote boosdoeners, kan de chemische industrie juist een belangrijke rol spelen in de oplossing. Voorzitter Mark Williams: ‘De chemie is een onmisbare schakel bij de ontwikkeling van een circulaire toekomst.’

Dit jaar viert de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) uitbundig haar honderdste verjaardag. Volgens voorzitter Mark Williams is daar ook alle reden voor. ‘Het waren hele succesvolle jaren voor de chemische industrie in Nederland. Het is een geavanceerde en zeer efficiënte sector in Nederland. Internationaal leidend op het gebied van innovatie en best in class in operations’, stelt de Engelsman, in zijn dagelijks leven vicepresident Europe van chemiebedrijf Sabic.

‘Neem bijvoorbeeld de vijf krakers in Nederland. Sinds 2010 zijn er wereldwijd 23 nieuwe krakers gebouwd, waarvan geen een in Noordwest-Europa. Die krakers zijn stuk voor stuk meer state-of-the-art dan de Nederlandse. Toch slaagt de Nederlandse chemie er in om de mondiale uitdaging op dit vlak aan te gaan. Ze slaagt er telkens weer in om alle kansen voor verbetering te benutten.’

Niet altijd opgemerkt

Uiteraard is er nog genoeg te verbeteren. ‘We zijn goed in techniek, maar niet zo goed in dat te laten zien. Technici denken nog te vaak dat als ze hun werk maar goed doen, dat iedereen dat ook ziet. Dat is natuurlijk niet zo. De chemie heeft nog steeds het wankele imago van een sector die weliswaar nodig is, maar ook vies en onveilig is. Dat is helaas niet zomaar weg te poetsen.’

Williams erkent ook dat het de chemie niet helpt dat ze vaak ver van de consument af staat. Onbekend maakt ook onbemind. Bedrijven die consumentenartikelen bieden, staan er vaak beter op. Helemaal als ze zich zoals de Ikea’s, BMW’s en Coca Cola’s van deze wereld, zichtbaar onderscheiden op het gebied van verduurzaming. Nederlandse chemiebedrijven als DSM en AkzoNobel strijden al jaren om de eerste plaats in de Dow Jones Sustainable Index, maar dat wordt lang niet altijd opgemerkt.

Jubail

Williams herkent die kloof in zijn dagelijkse functie bij Sabic, dat sterk in Nederland is vertegenwoordigd met grote productielocaties op industriepark Chemelot in Zuid-Limburg en in Bergen op Zoom. Doordat het ook nog eens een Saudisch bedrijf is, blijft er voor de samenleving een indringende oliegeur om het chemieconcern hangen. Dat terwijl Sabic, meer dan heel veel andere bedrijven, op zoek is naar alternatieven. ‘We zijn echt met heel veel innovatieve projecten bezig. Onder andere hier in Nederland onderzoeken we nadrukkelijk de mogelijkheden om afvalplastic te recyclen.’

Tijdens het World Economic Forum begin dit jaar in Davos liet het chemieconcern op dat vlak duidelijk haar ambities zien. Daar ontvouwde Frank Kuijpers, general manager duurzaam ondernemen, de ambities van Sabic: ‘Wij zijn de eersten in de branche die zich inzetten voor het opschalen van hoogwaardige recyclingprocessen voor chemische recycling van gemengd kunststofafval naar het oorspronkelijke polymeer. Sabic heeft de knowhow, de middelen en de wil om de afvalstroom te helpen verminderen.’

tekst gaat verder onder de afbeelding

Mark Williams: ‘We zijn goed in techniek, maar niet zo goed in dat te laten zien.’

En er is meer, stelt Williams. ‘Wist je dat Sabic ’s werelds grootste installatie heeft op het gebied van CCU?’ In Saudi-Arabië nog wel. ‘Echt, Arabische bedrijven zijn op het gebied van verduurzaming vaak veel verder dan we denken.’ Op het grote petrochemische complex van Sabic in Jubail heeft het Duitse Linde een paar jaar geleden ‘s werelds grootste installatie gebouwd dat CO2 als grondstof gebruikt. De fabriek comprimeert en zuivert ongeveer 1500 ton ruwe kooldioxide per dag afkomstig van twee nabijgelegen ethyleenglycolfabrieken. Het gezuiverde gasvormige CO2 wordt geleverd aan drie fabrieken voor productie van methanol en ureum. Daarmee wordt elk jaar naar schatting 500.000 ton CO2-uitstoot bespaard.

Routekaart

Williams is er duidelijk over: ‘De chemie is een onmisbare schakel bij de ontwikkeling van een circulaire toekomst. Het vraagt om inspanning van de hele keten. De rol van de chemie wordt ongetwijfeld steeds zichtbaarder. Helemaal als de wetgeving op dit vlak strenger gaat worden.’

Ook in de Nederlandse chemie zijn volop projecten en bestaan er nog veel meer ideeën die kunnen bijdragen aan een circulaire toekomst. Juist omdat chemische industrie een belangrijke rol kan spelen, probeert de VNCI die nu al op te eisen met de Routekaart 2050 ‘Chemistry for Climate’, die ze enkele maanden geleden presenteerde. Het is volgens het rapport niet de vraag of het kan, maar hoe. Want meer dan negentig procent CO2-reductie in 2050 is technisch mogelijk.

Forse bijdrage

Om deze doelstellingen van Parijs te halen, zijn nu al investeringen nodig. Zowel voor de korte termijn als voor de doorontwikkeling van technologie na 2030. Williams: ‘Daarbij is snelheid vereist. De opgave is gigantisch. Dit onderzoek laat zien dat de vereiste versnelling alleen mogelijk is bij een drastische transformatie van de industrie en door middel van interactie met andere maatschappelijke spelers.’

Steun van de overheid is daarbij onontbeerlijk, stelt de VNCI-voorzitter. In de vaak lange ontwikkelingsfase, wanneer technologie nog niet rendabel is, kan volgens hem overheidssteun de snelheid aanzienlijk verhogen en risico’s en kosten verminderen.

Een belangrijke rol van de overheid is het faciliteren van programma’s op cruciale thema’s zoals waterstof, elektrificatie, het opvangen en (ondergronds) opslaan van CO2 (CCS), het inzetten van CO2 als grondstof (CCU), recycling en bioraffinage. Op termijn en bij de juiste marktcondities kunnen deze technologieën een forse bijdrage leveren aan emissiereductie.

Langer in de economie

Belangrijk is ook een intensieve samenwerking van de chemie en de energiesector. Om bijvoorbeeld op den duur grootschalig waterstof en andere chemische bouwstenen te producen met groene stroom, zijn enorme investeringen in windparken en zonne-energie nodig. Volgens het rapport is tot 2050 26 miljard euro aan investeringen nodig in de chemische industrie en wel 37 miljard in het energiesysteem.

Uiteraard is er kritiek op het rapport. Zo zou het volgens critici te veel een lobbyrapport zijn, vooral om meer overheidsgelden binnen te krijgen. En er zouden te weinig echt concrete oplossingen in staan. Maar er is ook bijval. Een gematigd applausje vanuit de milieubeweging bijvoorbeeld. En dat is weleens anders geweest. Williams is daar zichtbaar content mee.

tekst gaat verder onder de afbeelding
chemie

‘Wist je dat Sabic ’s werelds grootste installatie heeft op het gebied van CCU?’

Vooral directeur van Natuur & Milieu Marjolein Demmers liet zich bij de presentatie van het rapport voorzichtig positief uit: ‘We moeten voor het snelste pad kiezen en gelukkig straalt het rapport dat ook uit. Ruim negentig procent CO2-reductie is voor nu een mooi streven, maar we moeten waar kan ook extra versnellen.’

Natuurlijk had ze ook nog wat ‘aandachtspuntjes’, bijvoorbeeld over de rol van biomassa. ‘Biomassa staat ter discussie. Van belang is om de inzet van biomassa zoveel mogelijk circulair te maken. We moeten koolstof langer in de economie houden.’

Bedenkingen

Williams kan zich hier wel in vinden. ‘Dit hebben we echt niet geregisseerd. Bij de presentatie wilden we verschillende partijen aan het woord laten. Ze kwamen met waardevolle aanvullingen, zeker ook Marjolein Demmers.’

De VNCI-voorzitter begrijpt de bedenkingen van Natuur & Milieu bij CCS. Demmers tijdens de presentatie: ‘CCU is een interessante circulaire mogelijkheid. CCS is nog lineair en moet hooguit als een tussenstap worden gezien. Natuurlijk wijzen verschillende onderzoeken uit dat CCS onvermijdelijk is, maar laten we de rol van deze end-of-pipe-oplossing zo klein mogelijk houden.’

Bedenkingen die overigens ook worden gedeeld met verschillende chemiebedrijven. Zo stelde Max van der Meer van Huntsman een paar maanden geleden nog in Petrochem dat het CCS-dossier enorm afleidt. ‘Er gaat heel veel aandacht uit naar het ondergronds opslaan van CO2. Daarmee missen we enorme kansen om CO2 als grondstof te zien.’

Carbon productivity

Het langer vastleggen in producten en het hoogwaardiger inzetten van koolstof is misschien wel de belangrijkste uitdaging van de chemische industrie. Om de uitstoot van CO2 en het probleem van plastic-afval aanzienlijk te reduceren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld niet per se om het terugdringen van het gebruik van kunststof, maar een verbeterde inzet daarvan. En uiteraard hergebruik.

Wat dat betreft bevalt het idee van carbon productivity Williams zeer. Koolstof vooral zo inzetten dat het juist verspilling tegengaat. ‘We kunnen wel plastic verbannen uit verpakkingen van voedingsmiddelen, maar kunststof biedt juist ook geweldige oplossingen tegen verspilling van voedsel. We moeten daarom naar hele productketens kijken. Ik pleit voor veel meer onafhankelijke analyses van de levenscyclus van producten (LCA’s), zodat de samenleving een consistent en totaal beeld krijgt van de impact van koolstof. Op die manier kunnen veel betere keuzes worden gemaakt.’

Kunnen we een motor laten draaien op waterstof in plaats van diesel? Is productie met mais of suikerriet beter voor het milieu? Kunnen we kwalitatief goede nylon maken van afgedankte visnetten? Dit zijn vragen die bedrijven zich de afgelopen jaren zijn gaan stellen vanuit een besef dat het anders moet. Maar wat is voor deze vraagstukken de beste oplossing? Bij voorkeur een oplossing die in economisch èn ecologisch belang is.

Natuurlijk kapitaal is een verzamelnaam voor alle natuurlijke hulpbronnen en -diensten die door (chemische) bedrijven worden gebruikt. Denk aan grondstoffen zoals olie en biomassa. Natuurlijk kapitaal kan ook diensten leveren zoals het afbreken van verontreinigingen, vastlegging van CO2 en koeling door grondwater. Inmiddels weten we dat het gebruik van deze middelen en processen geen vanzelfsprekendheid is. Grondstoffen worden schaars of raken zelfs op. CO2-emissie moet, in lijn met de afspraken die gemaakt zijn in het Klimaatakkoord, flink worden teruggebracht. En een derde reden om hierover na te gaan denken, is dat bedrijven hun ‘licence to operate’ dreigen kwijt te raken als zij op dezelfde voet verder gaan.

Niet vanzelfsprekend

Als aanzet voor bewustwording en inzicht in de meerwaarde werd onlangs een werksessie gehouden. Deze workshop ‘Inzicht in meerwaarde natuurlijk kapitaal voor chemie’ werd georganiseerd door de VNCI in samenwerking met een coalitie van vijf organisaties die samenwerken om natuurlijk kapitaal te verankeren in besluiten van bedrijven en overheden: VNO NCW, MVO Nederland, IUNC Nederland, NBA en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. ‘Het is belangrijk dat bedrijven zich bewust zijn van hun afhankelijkheid van en impact op natuurlijk kapitaal. Die impact en afhankelijkheid in beeld brengen en monetariseren is nog geen vanzelfsprekendheid. Maar bedrijven die het al doen, zien het als vorm van risicomanagement en essentieel voor strategische besluitvorming op langere termijn. Ook leidt het tot kostenbesparing’, aldus Elsbeth Roelofs van MVO Nederland.

Koplopers

Een aantal koplopers, bedrijven die heel bewust en intensief bezig zijn met het in beeld krijgen van het natuurlijk kapitaal dat wordt aangewend voor diverse bedrijfsprocessen, deelden hun ervaringen. Op die manier werden aanwezigen aangezet om ook na te denken over hoe afhankelijk zij van bepaalde stoffen zijn en of het anders kan. Zo gebruikt Dow Terneuzen water uit de Biesbosch dat ook een zoetwaterbron is voor de groeiende bevolking uit de Randstad. ‘Dow is op verschillende manieren met succes bezig om die afhankelijkheid van het zoete water uit de Biesbosch te reduceren. Zo reduceren ze ook hun impact’, legt Roelofs uit. AkzoNobel liet weten dat keuzes die worden gemaakt om een lagere milieu-impact te bewerkstelligen, in veel gevallen ook zorgen voor lagere kosten. ‘Het is goed te horen dat bedrijven zoeken naar manieren om natuurlijk kapitaal te gebruiken voor waardecreatie en als manier om strategische besluitvorming voor het bedrijf te voeden.’

Initiatieven

De sessie was ook bedoeld om te onderzoeken of er draagvlak is om op sectoraal niveau gezamenlijk mee aan de slag te gaan. ‘Het zou mooi zijn als we in de sector ervaringen kunnen delen en ervoor kunnen zorgen dat niet iedereen zelf het wiel moet gaan uitvinden. Hoe kunnen we helpen bij de besluitvorming?’

Er werd een pleidooi gehouden voor vereenvoudiging en standaardisering van methoden en dataverzameling. Ook werd geconstateerd dat een sector guide Natural Capital hier wellicht behulpzaam bij zou kunnen zijn. BASF en AkzoNobel zijn in internationaal verband met een aantal andere chemische bedrijven al bezig om dit vorm te geven.
Een ander initiatief is het werk van de taskforce Climate Related Financial Disclosures dat bedrijven helpt om klimaat gerelateerde financiële risico’s in kaart te brengen. Met andere woorden: welke impact heeft klimaatverandering op natuurlijke hulpbronnen, ecosystemen die worden gebruikt en hoe is dat te waarderen in termen van risico’s voor het bedrijf en de keten?

Aansluiting

Wat Roelofs belangrijk vindt is dat denken vanuit natuurlijk kapitaal naadloos aansluit op bestaande kaders in de chemie, zoals de Routekaart 2050, Responsible care en ook de Sustainable Development Goals. ‘We hebben al de verplichting om de CO2 emissie drastisch te verminderen. Als je daarbij geen rekening houdt met de impact op natuurlijke hulpbronnen en diensten, snij je jezelf toch weer in de vingers. Denken en rekenen met natuurlijk kapitaal geeft strategisch inzicht voor bijvoorbeeld de keuze van de locatie van je installaties, hoe je de watervoorziening regelt, welke grondstoffen je betrekt. En of dit anders kan om de negatieve impact op natuurlijk kapitaal te verminderen en de positieve impact te vergroten.’ Om ondernemers met vragen en oplossingen met elkaar in contact te brengen en kennis te ontsluiten over natuurlijk kapitaal heeft MVO Nederland een online community ingericht. Kijk op www.naturalcapital.community. Bedrijven kunnen hier kosteloos hun organisatievraagstukken (=uitdaging) en producten en diensten (=oplossing) delen, die verband houden met natuurlijk kapitaal.

Bedrijven die mee willen denken of doen in een sectoraal initiatief Natuurlijk Kapitaal en Chemie kunnen contact opnemen met Elsbeth Roelofs, e.roelofs@mvonederland.nl

(Beeld: Dr Mary Gillham Archive ProjectCC BY 2.0)

Chemie in Nederland is de naam van een nieuwe digitaal platform dat ook wel de ‘Wikipedia van de chemie’ wordt genoemd. Dit platform van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) vervangt het voormalige papieren ‘Handboek van de Chemie’.

Chemie in Nederland bevat informatie over producenten, handelaren en dienstverleners in de Nederlandse chemische industrie. Hiermee is per product, merk of dienst te achterhalen welke bedrijven dit leveren. Bijvoorbeeld: als iemand uit de Verenigde Staten wil weten of in Nederland een bepaald product wordt geproduceerd, verwerkt of verhandeld werd voorheen contact opgenomen met de ambassade. Een medewerker keek in het papieren handboek en kon zo doorverwijzen naar een Nederlands bedrijf. Met dit platform kan iedereen altijd zien wat in Nederland wordt geproduceerd op welke plek en er kan direct contact opgenomen worden.

Chemische waardeketens

Gekoppeld aan het platform zijn chemische waardeketens, ook wel ‘chemiebomen’, uitgewerkt, waarin de weergave en beschrijving van de productie (synthese) stappen zichtbaar worden gemaakt. Het is dus zichtbaar welke chemische producten als grondstoffen worden gebruikt in een bepaald proces om tot een product te komen verder in de waardeketen. Alle betreffende chemische stoffen en eindproducten uit de chemiebomen leiden weer naar de bedrijven die in het platform ‘Chemie in Nederland’ te vinden zijn.

De VNCI heeft het platform op 26 maart gelanceerd op Chemelot als één van de grootste geïntegreerde chemische sites in Europa met ongeveer 60 fabrieken die nagenoeg allemaal met elkaar zijn verbonden.

Klik op Chemie in Nederland om het digitale platform te bekijken.

Foto: Robert Claasen (Executive director Chemelot), Colette Alma (Directeur VNCI) en Rein Coster (Hoofd Ondernemerschap VNCI) lanceren de website chemieinnederland.nl. Fotografie: Ilse Leijtens.

De chemische industrie is energie-intensief en zal ook in de toekomst veel energie nodig blijven hebben. Dat neemt niet weg dat de bedrijfstak samen met de overheid daadkrachtig kan en wil bijdragen aan de transitie naar een duurzame CO2-arme samenleving. Dat laten VNCI-voorzitter Mark Williams en VNCI-directeur Colette Alma weten in een brief aan informateur Edith Schippers. 

De Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie roept de onderhandelaars voor een nieuw kabinet op om in het toekomstige klimaatbeleid CO2-reductie als primair sturingsinstrument op te nemen. Daarnaast vraagt de vereniging om de nationale investeringsbank Invest-NL primair te richten op verduurzaming en om het Topsectorenbeleid krachtig door te zetten.

Alma: ‘Door een eenzijdige focus van het Nederlandse klimaatbeleid op duurzame energieopwekking zoals de bouw van windmolenparken en het benutten van biomassa voor energiecentrales laat de overheid kansen liggen. Daarom vragen wij de informateur om in het regeerakkoord waar het gaat over klimaatbeleid, CO2-reductie als primair sturingsinstrument op te nemen.’

Samenwerken en investeren

Dergelijke bijdragen aan het klimaatbeleid vragen van de chemie grote financiële, technologische en organisatorische inspanningen. Alma: ‘Onze bedrijven zijn zeer bereid die bijdragen te leveren, maar zijn daartoe uitsluitend in staat als de overheid optreedt als mede-investeerder en een actieve regie voert in de totstandkoming van bijvoorbeeld een warmtemarkt en de aanleg van relevante infrastructuur. De overheid is eveneens een onmisbare partner bij het ontwikkelen van producten op basis van hernieuwbare grondstoffen zoals biomassa en hergebruik van chemische stoffen. Zonder risicoafdekking door de overheid via een nationale investeringsbank, komen de honderden miljoenen euro’s niet beschikbaar voor grootschalige demoprojecten, pilotplants en nieuwe fabrieken die noodzakelijk zijn om nieuwe duurzame productietechnieken op te schalen, in de markt te zetten en om banen in Nederland te creëren.’

Topsector

Tot slot geven Williams en Alma in hun brief aan dat door co-creatie van bedrijfsleven, kenniscentra en overheid, met voortzetting van het Topsectorenbeleid, Nederland zich kan ontwikkelen tot een proeftuin en voorloper in duurzaamheid met relevante producten en diensten voor de wereldmarkt. Alma: ‘Duurzaamheid kan dé drijver worden van een nieuw en succesvol Nederlands industrie- en handelsbeleid.’

De Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) is positief over de Energieagenda die vandaag is gepresenteerd door het kabinet, maar vindt de agenda nog niet af. In de agenda geeft het kabinet op hoofdlijnen aan hoe er in Nederland in 2050 nauwelijks nog CO2 wordt uitgestoten.

VNCI-directeur Colette Alma: ‘Het is goed dat het kabinet zich realiseert dat ons land vanuit economische belang baat heeft bij een tijdig maar ook geleidelijk ingezette energietransitie. Zoals de minister ook stelt kent de chemische industrie een grote opgave en een lange afschrijvingstermijn van investeringen. Het is daarom verstandig dat het kabinet aangeeft dat het de aanbeveling verdient om voor onder andere de chemische industrie aanvullend beleid vast te stellen en bij de invulling van dit aanvullend beleid keuzes te maken gericht op een kosteneffectieve invulling van de transitie richting 2050. Beleidssturing op CO2 is cruciaal. De chemische industrie zal ook in 2050 nog energie-intensief zijn. We willen dan alleen niet meer CO2-intensief zijn. Terecht stelt de minister dat de industrie tijdens deze transitie zijn verdienvermogen en concurrentiepositie moet behouden. Dit vraagt een overheid die mede investeert. Hoe deze rol ingevuld wordt lezen we helaas nog niet terug in de Energieagenda.’

Maatregelen kabinet

Om de transitie in de industrie invulling te geven komt er een mix van stimuleringsmaatregelen en normering en verplichtingen schrijft minister Kamp. De belangrijkste maatregelen volgens de minister zijn het voorkomen van CO2-uitstoot via een ambitieuze inzet op energiebesparing. Onder meer door voortzetting van de verplichting of resultaatafspraak voor energiebesparing (Energieakkoord) en mogelijk minder degressiviteit in de energiebelasting (met oog voor gelijk speelveld ten opzichte van andere lidstaten);

Een andere maatregel is het ontwikkelen en uitrollen van alternatieve warmte-opties, zoals de toepassing van ultradiepe geothermie en het beter benutten van reststromen. En ook noemt de minister het afvangen en opslaan van CO2 (CCS) in gevallen waarbij er geen CO2-arme alternatieven beschikbaar zijn. Het kabinet zet in op realisatie van het demonstratieproject opslag en afvang van CO2 in zee ter hoogte van Rotterdam (ROAD) als eerste stap naar een breder en grootschalig CCS-netwerk.

Investeringsprogramma

Alma: ‘Naast het ontwikkelen van nieuwe technologie betreffen de voorgestelde maatregelen vooral verplichtingen en lasten. Zoals minder degressiviteit in de energiebesparingen. Dit zal niet bijdragen aan een beter investeringsklimaat en als Nederland dit unilateraal doet, leidt dit tot verlies van onze concurrentiepositie ten opzichte van omringende landen. Ook missen we in het pakket nog de benodigde stimuleringsmaatregelen voor bedrijven zoals een proactief investeringsprogramma vergelijkbaar met de 17 miljard euro die Duitsland de komende vier jaar investeert in ondersteuning van energie efficiëntie en infrastructuur voor (rest)warmte. Helaas ontbreken ook voorstellen voor andere vormen van broeikasgasreductie zoals het benutten van biomassa of afval als grondstof voor materialen ter vervanging van fossiele grondstoffen. Deze vormen van reductie zijn essentieel om de verduurzamingsmogelijkheden van de chemische industrie ten volle te benutten.’