De ijzerbrandstoftechnologie van RIFT zet forse stappen richting commerciële toepassing. Zo ontwikkelde de startup een reactor die roest weer omzet in ijzerpoeder met behulp van waterstof. Partner Ennatuurlijk test een ijzerpoedergestookte boiler van één megawatt voor stadswarmte. Als de proef goed verloppt, schaalt Veolia de techniek op naar vijf megawatt.

Renawable Iron Fuel Technlogy (RIFT) test de eerste iron fuel productie-installatie ter wereld op het Connectr Energy Demo Field. Een belangrijke stap, want inmiddels is er ook al een intentieverklaring getekend met Connectr partner Veolia. Samen willen zij een eerste vijf megawatt commerciële pilot plant realiseren. Door deze stappen te zetten komt de ijzerbrandstoftechnologie dichter bij commerciële toepassing.

Reactor

IJzerpoeder wordt al eeuwenlang gebruikt in vuurwerk. Het poeder ontbrandt zeer snel en laat daarbij veel thermische energie los. Wat overblijft is roest. RIFT gebruikt ijzerpoeder als brandstof voor de productie van hogetemperatuurwarmte. Daarmee is het een duurzaam alternatief voor bijvoorbeeld gasboilers, kolencentrales of endotherme industriële processen.

RIFT bouwt een circulair systeem dat het geoxideerde ijzerpoeder met behulp van waterstof regenereert. In de onderzoeksfase stuurde men de roest nog naar Italië, waar de enige reactor stond die de oxidatiereactie kon omkeren. Nu hebben de ondernemers zelf een reactor gebouwd op het Energy Demo Field.

Boiler

Tegelijkertijd test men ook een zogenaamde iron fuel boiler in de Warmtekrachtcentrale van energieleverancier Ennatuurlijk. Het duurzame energiebedrijf wil vanaf eind mei zijn warmtenet voeden met deze nieuwe ijzerbrandstoftechnologie. Goed voor de verwarming van ongeveer 500 van de 6.500 op het warmtenet aangesloten huishoudens.

Belangrijk onderdeel van de pilot wordt het verder testen van de technologie op leveringsbetrouwbaarheid en regelbaarheid. Maar ook de hele logistiek en het omzetten van het roest wederom naar ijzer in RIFT’s iron fuel productie test systeem moet goed worden getest. Als deze test naar tevredenheid verloopt, zal men samen met Veolia opschalen naar de vijf megawatt installatie. Die zou volgens planning eind 2023 operationeel moeten zijn.

Eerdere tests

Het Metal Power consortium testte de technologie in 2020 al op kleine schaal bij de brouwerij van Bavaria in Lieshout. Een honderd kilowatt boiler produceerde twee dagen lang warmte voor de brouwerij van Swinkels Family Brewery.

Duurzame warmte, hernieuwbaar gas en elektrificatie zijn van groot belang voor de energietransitie maar scoren slecht bij de afgelopen SDE++ subsidierondes. De NVDE bepleit een budget van twaalf miljard euro in de ronde van 2022 om ook deze technieken een goede kans te geven.

De NVDE vroeg onderzoeksbureau Aurora uit te rekenen welk budget nodig is om ook duurzame warmte, hernieuwbaar gas en elektrificatie een goede kans te geven in 2022. Alle technieken zijn nodig om de hoge klimaatdoelen van het nieuwe kabinet te halen. Haast is geboden want het kost veel tijd om de projecten ook uit te realiseren. Daarom is deze SDE-ronde van groot belang om voldoende projecten te laten draaien in 2030.

De SDE-ronde van 2021 had een budget van vijf miljard euro. Er zijn echter projecten ingediend voor twaalf miljard euro. De subsidie gaat daardoor vooral naar CO2-opslag, zonne-energie en enige restwarmte. Vrijwel alle vormen van duurzame warmte sneuvelden de afgelopen twee jaar in de SDE-regeling. Zoals geothermie, aquathermie, zonthermie en bioketels. Maar ook elektrificatie, zoals  warmtepompen en elektroboilers. Net als duurzaam gas: waterstof en groen gas. Daarmee gaan veel mogelijkheden voor CO2-reductie verloren, terwijl Nederland die zo hard nodig heeft om de klimaatdoelen te halen.

Scenario’s

Volgens Aurora sneuvelen duurzame warmte, hernieuwbaar gas en elektrificatie bij een te krap budget. Het bureau Aurora beschrijft zijn verwachtingen voor de SDE++-ronde die dit jaar in juni open gaat. In het middelste scenario komen vrijwel alle technieken aan bod, bij een SDE++ budget van twaalf miljard euro.

Hoe lager het budget, hoe meer technieken afvallen. Duurzame bronnen voor bijvoorbeeld warmtenetten vallen naar verwachting als eerste af. In het scenario met een hoge schatting van de aanvragen, drukt vooral CO2-opslag veel warmtetechnieken uit het subsidiebootje, net als projecten voor waterstof en groen gas. Zeker bij een budget onder de 12 miljard blijft daar dan opnieuw weinig van over.

Gezien de huidige gascrisis is het opvallend dat juist de technologieën die direct aardgas vervangen, sneuvelen als het budget te beperkt is. Bij CO2-opslag of -gebruik is er vaak nog steeds aardgas nodig. Dit is een extra reden om te zorgen dat die duurzame vervangers van aardgas wel aan bod komen.

Aparte budgetten

De kans op veel aanvragen is volgens de NVDE reëel, gezien alle druk die er terecht op bedrijven staat om te verduurzamen. ‘Technieken om aardgas te vervangen door duurzame warmte en hernieuwbaar gas zijn keihard nodig, voor de energietransitie en om minder afhankelijk te zijn van het gas uit het buitenland,’ zegt Olof van der Gaag. ‘De SDE++ is het werkpaard van de energietransitie en de ronde van 2022 is cruciaal om tijdig een groot aantal projecten van de grond te krijgen.’

De overheid denkt al na over aparte budgetten in de SDE++ voor de verschillende categorieën. De NVDE vindt dat een goede, structurele oplossing nodig is om te borgen dat alle benodigde technieken aan bod komen. Helaas is dat in 2022 nog niet mogelijk. Daarom is de enige oplossing: zorg dragen voor een ruim budget.

“Er is voorlopig niet zoiets als ‘teveel CO2 -reductie’; dit is het moment voor de nieuwe minister Jetten om alles uit de kast te halen”, aldus Van der Gaag. ‘Bovendien zal door de hoge energieprijzen en ETS-prijzen maar een deel van het geld daadwerkelijk worden uitgekeerd.’ De SDE++ vult het gat tussen kostprijs en marktprijs en is daardoor feitelijk een soort garantieregeling. Op dit moment wordt er nauwelijks betaald uit de SDE-pot, en biedt de regeling alleen die garantie voor als de energieprijzen weer een keer inzakken.

In het Belgische gedeelte van North Sea Port wordt gewerkt aan een netwerk van pijpleidingen voor waterstof, CO2 en warmte. North Sea Port, Fluxys Belgium, ArcelorMittal Belgium en de Federale minister van Energie Tinne Van der Straeten spraken dit woensdag af.

De pijpleidingen verbinden bedrijven die waterstof, CO2 en warmte produceren, importeren, vervoeren en opslaan met bedrijven die dit als grondstof gebruiken in hun productieprocessen. Vraag en aanbod worden dus op elkaar afgestemd, een cruciale stap in het uitbouwen van een Belgische waterstofhub. Het nieuwe netwerk in het Belgische deel wordt aangesloten op het pijpleidingennetwerk in Nederland. Vervolgens moet deze pijpleidinginfrastructuur in het havengebied aansluiten op het landelijke netwerk van Fluxys.

Industriële spelers binnen North Sea Port kunnen voor het transport van hun CO2, waterstof en warmte gebruik maken van het pijpleidingennetwerk. Dat is van belang voor bijvoorbeeld ArcelorMittal Belgium om de CO2-uitstoot te verminderen bij de productie van (groen) staal en dit als grondstof voor andere bedrijven aan te bieden. Ook is de infrastructuur voor waterstof en CO2 nodig om hergebruik van CO2 mogelijk te maken. Zoals in projecten als North-C-Methanol waarbij een industrieel consortium groene waterstof wil combineren met CO2 voor de productie van groene methanol. Het grensoverschrijdende karakter van de waterstofinfrastructuur is van belang in het kader van de aantakking van de windmolenparken in Zeeland: windenergie die voor de productie van waterstof wordt gebruikt.

WarmtelinQ onderzocht de haalbaarheid van een regionaal systeem dat warmte van de bedrijven in het Rotterdamse havengebied transporteert naar Rotterdam en Den Haag. Gasunie publiceerde onlangs het integrale ontwerp voor een dergelijk systeem. En nu blijkt uit de zojuist gepubliceerde Voorjaarsnota dat het project nog eens tien miljoen euro subsidie krijgt. Én een lening van 37,5 miljoen euro voor een aftakking naar de regio Leiden.  

Gasunie onderzocht op verzoek van het ministerie van EZK hoe een duurzaam warmtesysteem in de provincie Zuid-Holland eruit zou kunnen zien. Dit leidde tot een integraal ontwerp voor het warmtetransportnet Zuid-Holland. Het onderzoek Integraal Ontwerp warmtetransport Zuid-Holland weegt de mogelijkheden af voor een regionaal warmtesysteem. Regionaal warmtetransport kan, door warmtevraag en -aanbod te koppelen, een oplossing vormen voor de urgente vraag naar duurzame warmte en vermindering van CO2-uitstoot.

Transitieplannen

Aan het integraal ontwerp ging uitgebreid onderzoek vooraf naar de balans tussen verwacht gebruik, technische mogelijkheden en beschikbaarheid van restwarmte in de Rotterdamse Haven. Uit het onderzoek blijkt dat WarmtelinQ vanuit maatschappelijk oogpunt bezien een optimaal warmtesysteem is, dat bovendien groeimogelijkheden biedt.

Het Integraal Ontwerp is gebruikt als onderbouwing voor de Regionale Structuurvisies Warmte van de RES Rotterdam-Den Haag en heeft de potentie om ook andere RES-regio’s van input te voorzien. Het Integraal Ontwerp kan daarnaast als basis dienen voor de gemeentelijke Transitievisies Warmte.

De Rijksoverheid lijkt de plannen volop te steunen maakte een extra bedrag van tien miljoen euro vrij. Dit is in aanvulling op de 75 miljoen euro die is opgevraagd vanaf de aanvullende post. Daarnaast wordt een lening van 37,5 miljoen euro afgegeven voor de aftakking naar de regio Leiden (WarmteLinQ+)

Stepping Stones

Het ontwerp van WarmtelinQ gaat uit van een aantal ‘stepping stones’ die samen een transportnetwerk voor warmte vormen: WarmtelinQ als hoofdtransportleiding van de Rotterdamse haven naar Leiden en aftakkingen vanuit het tracé Vlaardingen-Den Haag naar de tuinbouwgebieden Westland en Oostland. Tegen de tijd dat het systeem wordt overvraagd zou een leiding vanuit Europoort meer warmtebronnen in de Rotterdamse haven kunnen aansluiten.

Ook de al bestaande warmteleidingen, onder andere in de Rotterdamse regio, zijn meegenomen in het integraal ontwerp. Al met al zou hiermee ongeveer een kwart van de warmtevraag in de bebouwde omgeving van Zuid-Holland kunnen worden ingevuld, vanuit verschillende bronnen.

Vattenfall wil een elektrische boiler van 150 megawatt bouwen in Diemen. Deze kan duurzame warmte leveren op momenten dat er veel stroom uit zon en wind is. De installatie is krachtiger dan de omstreden biomassacentrale van 100 megawatt die Vattenfall in Diemen wilde bouwen.

De vergunningen en subsidie voor de boiler zijn rond. Het definitieve besluit volgt medio 2022 nadat de onlangs opgestarte aanbesteding is afgerond. De e-boiler kan dan in 2024 in gebruik worden genomen. De installatie is een soort waterkoker, die stroom omzet in warm water dat kan worden geleverd aan huishoudens en bedrijven of dat kan worden opgeslagen in de al aanwezige warmtebuffer. De e-boiler gaat alleen aan als er veel stroom uit zon en wind is.

De elektrische boiler wordt geplaatst bij een van de twee bestaande gascentrales in Diemen: Diemen-34. Het e-boilergebouw beslaat circa 20 bij 30 meter grondoppervlak en is maximaal 15 meter hoog. Het gebouw heeft plek voor twee elektrische boilers. Eén e-boiler heeft een diameter van zo’n 3,5 meter en een hoogte van 6,5 meter. Het vermogen van een e-boiler kan variëren tussen de 10 en 100 megawatt.

Infographic van een deel van de e-boiler. Bekijk hier de uitgebreide tekeningen

Biomassacentrale

De e-boiler heeft meer capaciteit dan de eventuele biomassacentrale van 100 megawatt waarover veel discussie is, maar kan dus minder worden ingezet. Er is namelijk nog niet voldoende groene stroom om de e-boiler veel te laten draaien. Met de huidige verwachte inzet van de e-boiler denkt Vattenfall ongeveer vijftien procent van de warmte duurzaam te kunnen leveren. Het aantal uur dat de e-boiler aan kan, zal de komende jaren wel stijgen vanwege de groei van het aantal wind- en zonneparken in Nederland. Met de Nederlandse overheid wordt momenteel bekeken hoe de elektrische boiler in de duurzaamheidsregelgeving en bouwregels kan worden gewaardeerd.

Daarnaast werkt Vattenfall aan de ontwikkeling van andere duurzame bronnen voor warmte, zoals geothermie, datacenterwarmte en aquathermie. Vattenfall wil in 2040 honderd procent duurzame warmte leveren in de regio Amsterdam.

De warmte die bij de productie van waterstof ontstaat, kan worden ingezet in huishoudens, kassen en kantoren. Dat zegt Havenbedrijf Rotterdam, die het beschikbare warmteaanbod in 2030 schat op 23 petajoule. Daarmee kan de Rotterdamse haven in 2030 omgerekend circa 500.000 huishoudens van warmte voorzien. In 2050 kan dit zelfs oplopen tot zo’n één miljoen huishoudens.

Het produceren van waterstof gaat gepaard met efficiëntieverliezen. Een vuistregel is dat circa 25 procent van de energie verloren gaat bij de productie van waterstof. Die 25 procent komt vrij in de vorm van warmte. Indien men deze warmte echter opvangt en als voeding voor een warmtenetwerk gebruikt, is dit efficiëntieverlies plotseling een bron van energie voor andere toepassingen.

Gasunie zette in samenwerking met Havenbedrijf Rotterdam het project WarmtelinQ op voor de aanleg van een hoofdtransportleiding voor warmte van de haven naar Den Haag. Uiteindelijk is het ook de bedoeling dat de kassen in het Westland hierop worden aangesloten. WarmtelinQ is de eerste fase van een regionaal warmtenet door de provincie en voorziet in de levering aan omgerekend 130.000 huishoudens.

Zware elektrolyzers

Zwaardere elektrolyzers zijn sterk in opkomst. Zo werken Nouryon, bp en Havenbedrijf Rotterdam in het H2-Fifty project aan een installatie met een vermogen van 250 megawatt en ontwikkelt Shell een waterstoffabriek van circa 200 megawatt vermogen. Energiebedrijf Uniper en Havenbedrijf Rotterdam onderzoeken op hun beurt de komst van een waterstoffabriek met een capaciteit van 100 megawatt vermogen. Dat zijn aanzienlijke opschalingen van de capaciteit. Even ter vergelijking: In Nederland is de grootste elektrolyzer nu één megawatt en Duitsland telt een exemplaar van 10 megawatt.

Warmtebronnen

Het totaal beschikbare warmteaanbod uit de haven komt volgens de laatste inzichten op 23 PJ in 2030. Daarvan komt 11,9 petajoule warmte uit de waterstoffabrieken en 12,1 petajoule uit de chemiesector. In 2050 is het warmteaanbod opgelopen tot 45 PJ. Omgerekend naar alleen huishoudens biedt de haven daarmee in 2030 warmte voor circa 500.000 huishoudens. In 2050 is het aanbod voldoende voor zo’n 1 miljoen huishoudens. Met collectieve warmte als vervanger van cv’s op aardgas kan een volgroeid warmtenet in Zuid-Holland op jaarbasis 2 tot 3 miljoen ton CO2 reduceren.

Duurzaam warmtecollectief WarmingUP ontvangt een 9,3 miljoen euro subsidie van RVO uit het Meerjarige Missie-gedreven Innovatieprogramma (MMIP). Met een investering van 9,6 miljoen euro van de samenwerkingspartners komt het totaal aan financiële middelen op 18,9 miljoen euro. WarmingUP, onder leiding van TNO, is als collectief in staat om vraagstukken over kostenreductie en verduurzaming in de warmteketen integraal aan te pakken.

Als onderdeel van het Klimaatakkoord wordt de gebouwde omgeving aardgasvrij gemaakt. Warmtenetten zijn daarbij één van de oplossingen. Uitdaging daarbij is om in de bestaande bouw op een kosteneffectieve manier, duurzame warmte te leveren. Verder is een versnelling van het realisatietempo nodig. Gezien de grote opgave waar Nederland voor staat. Een consortium van partijen die actief zijn in de hele keten, van warmtebron tot klant, ging hiervoor een samenwerking aan. RVO maakte bekend dat het nieuwe innovatief duurzaam warmtecollectief WarmingUP 9,3 miljoen euro subsidie ontvangt. Dit geld komt uit het Meerjarige Missie-gedreven Innovatieprogramma (MMIP). Met een investering van 9,6 miljoen euro door de samenwerkingspartners zelf komt het totaal aan beschikbare financiële middelen op 18,9 miljoen euro.

Warmteketen

In de integrale warmteketen van bron tot klant, werken verschillende partijen. Om de hele warmtevoorziening efficiënter te ontwerpen, aan te leggen en te beheren zijn systeem- en procesinnovaties noodzakelijk. Het warmtecollectief WarmingUP is opgericht om deze innovaties in samenhang en in hoger tempo te ontwikkelen.

Doel

WarmingUP, onder leiding van TNO, is als collectief in staat om vraagstukken over kostenreductie en verduurzaming integraal aan te pakken. Ze kan oplossingen daarvoor ontwikkelen die op vele locaties toepasbaar zijn.

Het belangrijkste doel van WarmingUP is de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen die betaalbaar, duurzaam, betrouwbaar, praktisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Het betekent bijvoorbeeld dat met nieuwe kennis duurzame warmtebronnen met verschillende niveaus van temperatuur en volumes slim kunnen worden gecombineerd. Ook kennisontwikkeling voor het realiseren van grootschalige warmteopslagsystemen en het integreren daarvan in warmtenetten is een beoogd resultaat. Het collectief onderzoekt bijvoorbeeld waar en tegen welke kosten ze warmte kunnen winnen via aquathermie of geothermie. Tot slot richt het samenwerkingsverband zich op de ontwikkeling van nieuwe samenwerkings- en financieringsvormen én nieuwe werkwijzen om maatschappelijk draagvlak te realiseren.

Nouryon neemt de warmtekracht-eenheid Delesto 2 weer in gebruik. De installatie op het Chemiepark Delfzijl fungeert vanaf eind 2020 als start-stopinstallatie voor de levering van elektriciteit aan het openbare net op piekmomenten. Ruim acht jaar nadat de eenheid uit gebruik is genomen.

Aanleiding voor het besluit van Nouryon zijn de veranderingen in de energiemarkt, stelt het bedrijf in een open brief aan relaties. Denk daarbij aan de voorgenomen sluiting van kolencentrales en de enorme toename van duurzame energie in de vorm van wind- en zonne-energie. Dat maakt de inzet van flexibele units, zoals gasgestookte warmtekrachtcentrales, volgens Nouryon noodzakelijk. De gunstige prijsontwikkelingen en -verwachtingen op de elektriciteitsmarkt als gevolg hiervan spelen ook een belangrijke rol in het besluit.

Twintig arbeidsplaatsen

De warmtekrachtcentrale  gaat vanaf eind 2020 actief bijdragen aan de transitie naar een stabiel en duurzaam elektriciteitssysteem. De installatie zal daartoe jaarlijks zo’n 125 tot 200 keer als start-stopinstallatie worden ingezet gedurende beperkte periodes van de dagen of weken. Het zwaartepunt zal waarschijnlijk liggen in de herfst, winter en voorjaar. Met de herstart komt 350 MW aan elektrisch vermogen beschikbaar. Voor de site Delfzijl is dit besluit volgens Nouryon van groot belang. De uitstoot van CO2 van een gasgestookte centrale is ongeveer de helft van die van een kolencentrale. Met het besluit zijn in totaal twintig directe arbeidsplaatsen gemoeid.

Kolenstroom

Energiebedrijf Delesto is tegenwoordig honderd procent in handen van Nouryon. Gedwongen door de verslechterende energiemarkt nam het bedrijf in maart 2012 Delesto 2 voorlopig uit bedrijf. De slechte situatie op de energiemarkt werd toen veroorzaakt door een hoge inkoopprijs voor aardgas in relatie tot de lage prijs voor elektriciteit. Ook de concurrentie van goedkope kolenstroom speelde toen mee en ook het groeiende aanbod van gesubsidieerde zonne- en windenergie.

 

 

Energiebedrijf Azteq heeft in Antwerpen een zonnespiegelpark geïnstalleerd. Het park genereert groene warmte op basis van geconcentreerd zonlicht. Het is een proefproject om de haalbaarheid van de technologie aan te tonen. Naast Vlaanderen, staan ook projecten in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Spanje op stapel.

Industriële bedrijven halen de warmte voor hun processen nu nog uit de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals aardgas. Bij concentrated solar thermal energy (CST) concentreren parabolische spiegels het zonlicht en zetten het rechtstreeks om in warmte. De temperatuur kan daarbij oplopen tot vierhonderd graden Celsius. Hoogwaardige warmte dus, en daardoor geschikt voor industriële processen.

De technologie produceert drie keer meer energie per geïnstalleerde vierkante meter dan een zonnepaneleninstallatie. Bovendien kan de warmte worden opgeslagen in geïsoleerde vaten, zodat ze ook ’s nachts bruikbaar is. De technologie is een volledig groen alternatief voor de industriële warmtebehoefte en kan daardoor een significante bijdrage leveren aan reductie van de CO2-uitstoot.

Drie proefprojecten

Azteq heeft een park van 1.100 vierkante meter parabolische zonnespiegels geplaatst op de site van het logistieke bedrijf Adpo in Beveren. De zonnespiegels van elk vijf meter lang zijn in lijnen van 120 opgesteld en bewegen met de zon mee om het invallend zonlicht op collectorbuizen te concentreren. Adpo gebruikte tot nu toe gas voor de productie van stoom om tanks en containers op te warmen en te reinigen. Daarvoor zijn temperaturen van meer dan 140 graden Celsius nodig. Het zonnespiegelpark gaat jaarlijks 500 MWh gasverbruik vervangen.

De installatie bij Adpo is nog maar het eerste zonnespiegelpark. Ook in Oostende en Genk komen proefinstallaties met zonnespiegels. In totaal zullen deze drie installaties tussen de 1.260 en 1.390 MWh groene warmte per jaar produceren. De drie proefprojecten kosten bij elkaar 1,425 miljoen euro, waarvan 819.000 euro door de Vlaamse Regering wordt gefinancierd.

Duurzaamheid en innovatie is belangrijk op Chemelot. Een van de bedrijven op het terrein waarvoor dit ook geldt is Utility Support Group (USG). Het bedrijf gaat op korte termijn een haalbaarheidsonderzoek uitvoeren naar een demonstratie power-to-heat installatie.

Power-to-heat (P2H) is een verzamelterm voor het omzetten van elektriciteit in stoom en warmte. Het is op korte termijn te realiseren en vormt een eerste stap in de transitie naar volledige elektrificatie van de industrie, die het gebruik van fossiele brandstoffen overbodig maakt. Voor USG betekent power-to-heat het produceren van warmte of stoom op basis van groene elektriciteit.

Verduurzaming

Sonny Schepers, senior sustainability engineer bij USG, vertelt: ‘Er komt steeds meer druk te liggen op de industrie om de emissie van broeikasgassen te reduceren en invulling te geven aan verduurzaming. We weten dat we in 2050 de emissie van broeikasgassen met 95 procent gereduceerd moeten hebben ten opzichte van 1990. Het gevaar bestaat dat verduurzaming teveel een ambitie blijft. We kunnen natuurlijk veel praten en bedenken, maar het is nog beter om te zien dat we nu concreet invulling gaan geven aan die ideeën.’

Drie externe partijen werken mee aan het onderzoek: Stork Thermeq met expertise op het gebied van elektrische stoomketels, Huikeshoven BV met expertise op het gebied van industriële gloeispiralen en Recoy met expertise op het gebied van de financiële optimalisatie van P2H.

Haalbaarheidsstudie

P2H wordt in recente studies (door onder andere VEMW en VNCI) als een kansrijke en concrete mogelijkheid voor vergroening van de industrie genoemd. Gezien deze potentie van P2H voor de verduurzaming van Chemelot, is het zaak om concrete stappen te zetten en te beginnen met het opbouwen van praktijkervaring. De haalbaarheidsstudie zal niet alleen antwoord geven op de vraag of een demo P2H-installatie mogelijk is, maar ook waar mogelijke beperkingen liggen.

Sonny: ‘Zonder concrete invulling van innovaties en verduurzaming lopen we een achterstand op, met als risico het ingrijpen van de overheid als duurzaamheidsplannen van Chemelot niet worden verwezenlijkt. Om duurzaamheid te stimuleren, denkt de overheid op dit moment na over in te zetten instrumenten en wij verwachten dat op korte termijn subsidiemogelijkheden ontstaan voor P2H. Daar wil je natuurlijk ook snel op kunnen inspringen. Verder biedt P2H in de toekomst financiële voordelen als elektriciteitsprijzen dalen terwijl CO2 en gasprijzen stijgen of als onbalansprijzen steeds grilliger worden.’

De studie start in november en wordt naar verwachting in januari 2019 afgerond. Bij een positieve uitkomst zal een investeringsvoorstel worden uitgewerkt voor de daadwerkelijke realisatie van een demo P2H-installatie.