York Capital rondde de verkoop af van Aldel en de bijbehorende activa aan Aloft Holdings NL, een Zwitsers metaalbedrijf dat de huidige CEO van Aldel, Chris McNamee oprichtte. Het nieuwe bedrijf versterkt hiermee zijn ambities om een leidende rol te krijgen in de groene Europese aluminiumproductie.

Het door de hoge elektriciteitsprijzen geplaagde Aldel komt in handen van het management. De belangrijkste klanten en financieringspartners van Aldel steunen de overname, waaronder Glencore International, dat zijn steun aan het bedrijf vernieuwde en uitbreidde.  Door de overname krijgt Aldel een betrokken eigendomsstructuur op lange termijn en een sterkere balans vanaf de eerste dag.

De overname wordt geschraagd door een ervaren managementteam dat de sector goed kent en dat zich inzet voor de strategie om een leidende Europese producent van groen aluminium te worden.  De verwezenlijking van deze strategie is van cruciaal belang om te voldoen aan de toezegging van de Nederlandse overheid, samen met andere grote economieën, om ambitieuze energietransitie-doelstellingen te verwezenlijken.

Groen aluminium

Aldel wil een van Europa’s leidende bedrijven worden op het gebied van goedkoop en energie-efficiënt aluminium.  De fabriek van Aldel heeft een capaciteit van 150 000 ton staven en walsplakken per jaar.  De huidige productie van staven bedraagt ongeveer 70.000 ton per jaar.

Aldel hoopt zijn productielijnen voor primair aluminium in de toekomst opnieuw te kunnen opstarten, en werkt in dat verband actief samen met belanghebbenden. Aldel werkt met name samen met de Nederlandse regering om duidelijkheid te krijgen over een gelijk speelveld met andere EU-landen met betrekking tot indirecte CO2-kostencompensatie (ICC) voor de huidige fase van de emissiehandel (2021-2030).  Een gelijk speelveld voor ICC-betalingen zou de investeringen in onze activa en onze mensen op middellange en lange termijn helpen ondersteunen.

Nieuwe metaalgroep

Het is de bedoeling dat Aldel de kern gaat vormen van een nieuwe internationale metaalgroep die zowel organisch als door overnames kan groeien.  Aloft heeft een strategische adviesraad opgericht, bestaande uit vooraanstaande personen uit de sector, om haar beter in staat te stellen deze strategie ten uitvoer te leggen.

Elektrificatie en elektrochemie bepalen de komende jaren steeds meer het gezicht van investeringsprojecten in de procesindustrie. Op de korte en middellange termijn gaat het vooral om de vervanging van fossiele brandstoffen door duurzame elektriciteit. En groene waterstofprojecten worden steeds talrijker. Pas later volgen mogelijk complexere elektrochemische processen.

Het hele artikel vind je in onze digitale Projecten Special 2021!

Elektrochemie is in trek. Professor Marc Koper begrijpt dat wel. ‘De enige manier waarop we onze maatschappij kunnen verduurzamen is door te elektrificeren.’ Elektrochemie biedt dan interessante nieuwe oplossingen. Denk aan groene waterstof. Zelf sleepte hij dit jaar twee gerenommeerde prijzen in de wacht, waaronder de Spinozapremie. Daardoor kan hij de komende tijd vijf miljoen euro extra besteden aan onderzoek.

In de boekenkast op de werkkamer van professor Marc Koper op de Universiteit van Leiden liggen pontificaal twee boeken. Niet netjes gerangschikt, zoals de andere boeken die rechtop daarachter staan. Er ligt dus geen stof op Modern Electrochemistry volume 1 en 2, geschreven door John O’M. Bockris en Amulya K.N. Reddy. In tegenstelling tot de titel ogen de boeken – met hun gedateerde harde rode kaft – echter niet zo modern. En dat klopt ook. Ze zijn uitgegeven begin jaren zeventig. ‘Bockris heeft echt veel betekent voor de elektrochemie’, stelt Koper. ‘Dit boek was in zekere zin de start van de ‘moderne’ elektrochemie.’

Vraag en aanbod

Hoewel de elektrochemie momenteel veel aandacht krijgt en ook gehonoreerd wordt met veel onderzoeksgeld, is ze dus zeker geen nieuw terrein. Zelfs niet in de industrie. Elektrochemische processen zijn nodig om bijvoorbeeld chloor te maken uit zout, of aluminium te produceren uit aluin. Denk ook aan de productie van siliciumcarbide. En vergeet ook niet kleinere processtappen in minder grondstoffelijke productieomgevingen. Koper: ‘Ik ben eens met een groep studenten bij de scheerapparatenfabriek van Philips in Drachten geweest. Sowieso zijn al die robots daar indrukwekkend. Om kleine gaatjes in de stalen scheerkoppen te krijgen, wordt een elektrochemische techniek gebruikt.’

Marc KoperOok in laboratoria worden elektrochemische reacties gebruikt bij tal van onderzoeken. En het is nog veel breder. Elektrochemische reacties hebben plaats in allerlei alledaagse toepassingen, bijvoorbeeld in batterijen van mobiele telefoons, laptops en in toenemende mate elektrisch aangedreven auto’s. Alleen al de toepassing van batterijtechnologie is enorm in de lift. Te meer omdat duurzaam opgewekte energie om opslag vraagt, omdat het moment van productie niet altijd perfect aansluit op het moment van vraag.

Prof. Marc Koper: ‘De fossiele route is nog veel te goedkoop. Door de uitstoot van CO2 duurder te maken, krijgt groen waterstof ook een eerlijke kans.’

Extra impuls

Alleen al daarom is het logisch dat aandacht voor elektrochemie juist nu enorm toeneemt. Helemaal nu de klimaatcrisis om actie vraagt. Koper: ‘De enige manier waarop we onze maatschappij kunnen verduurzamen, is door over te schakelen op groene stroom. Dan zullen we echt zoveel mogelijk moeten elektrificeren. Ook bijvoorbeeld grote chemische productieprocessen.’

De huidige aandacht voor waterstof werkt zeker ook opstuwend. Niet dat waterstof een oplossing is voor alles, maar volgens Koper zal waterstof een belangrijke rol spelen bij de grootschalige opslag van energie en ook als grondstof en hulpstof in de chemie. ‘Ik denk dat waterstof uiteindelijk alleen via de elektrochemische route gemaakt wordt. Op de kortere termijn kunnen we misschien niet om de blauwe route heen (waterstof uit aardgas waarbij de CO2 ondergronds wordt opgeslagen, red.), maar elegant is die route natuurlijk niet. Uiteindelijk zal elektrolyse van water de overhand nemen.’

Een belangrijke factor is ook dat duurzaam opgewekte stroom steeds goedkoper is geworden. Voor elektrochemische processen, zoals de elektrolyse van water tot waterstof, is veel elektriciteit nodig. ‘Begin jaren zeventig hadden Bockris en anderen hun hoop gevestigd op kernenergie. Maar in de decennia daarna leek deze route steeds minder voor de hand te liggen.’ Pas de laatste jaren lijkt het antwoord zichzelf te vormen. ‘Wind- en zonne-energie zijn sneller dan verwacht veel goedkoper geworden.’ Dat heeft de populariteit van elektrificatie en elektrochemie een extra impuls gegeven.

Onderzoeker

Toch is de productie van groen waterstof nog lang niet concurrerend genoeg ten opzichte van de traditionele grijze route, steam reforming van aardgas, geven diverse rekenaars aan. Volgens Koper is daarvoor maar één remedie: ‘Een stevige CO2-heffing. De fossiele route is nog veel te goedkoop. Door de uitstoot van CO2 veel duurder te maken, krijgt groen waterstof ook een eerlijke kans.’ Maar dat is economie. Niet per se het terrein van Marc Koper.

Lange tijd stond Koper te boek als enige hoogleraar in de elektrochemie in Nederland. ‘Of ik het jammer vind dat mijn positie steeds minder uniek wordt? Nou, nee hoor. Ik vind het eigenlijk wel prettig dat ik meer collega’s krijg, waarmee ik ideeën kan uitwisselen.’

Dat het terrein populairder is geworden, betekent ook dat er meer geld beschikbaar is. Dat kan opportunisme in de hand werken. Ook in de wetenschap. ‘Natuurlijk vraag ik me wel eens af, hoe het landschap er over tien jaar uit ziet. Is dan het nieuwe er vanaf en blijkt het allemaal misschien te veel gehypet? We gaan het zien.’ Maar echt druk lijkt Koper zich er niet om te maken. Hij is een onderzoeker in hart en nieren.

Puzzelen

Voor zijn aanstelling als hoogleraar aan de Universiteit Leiden, was hij verbonden aan de Technische Universiteit Eindhoven. ‘Met veel plezier overigens. En ik kon ook doen waar ik goed in was. Maar ik merkte wel een verschil tussen mij en de studenten daar. Technologen willen installaties bouwen, die stellen minder fundamentele vragen. Hier in Leiden willen studenten – net als ik – meer weten hoe het werkelijk zit. Laat mij maar puzzelen en eigenlijk een beetje aanrommelen.’

Aanrommelen? Is dat niet een beetje te bescheiden voor een hoogleraar die sinds zijn inauguratie in 2005 verschillende toonaangevende publicaties op zijn naam heeft staan en dit jaar niet één, maar twee gerenommeerde prijzen in de wacht sleepte. Met de toekenning van een ERC Advanced Grant en de Spinozapremie haalde hij in 2021 maar liefst vijf miljoen euro aan onderzoeksgeld binnen. Dat kan toch geen aanrommelen zijn? Koper glimlacht. ‘Misschien maak ik het – bewust of onbewust – wat kleiner, om mezelf niet in de voet te schieten. Als ik het te groot maak, dan ben ik misschien wel bang dat ik minder kan doen waar mijn hart echt naar uitgaat: onderzoek doen. Natuurlijk is het mooi als mijn werk impact heeft. Zou ik me daar te veel daar op richten, dan gaat dat ten koste van mijn bezieling. Ik wil blijven puzzelen.’ Hij is niet onderzoeker geworden omdat hij ‘een wereldverbeteraar’ is. ‘Ik wil op een atomair niveau begrijpen wat er gebeurt, als je elektriciteit door een chemische vloeistof stuurt.’

‘Als ik het te groot maak, dan ben ik misschien wel bang dat ik minder kan doen waar mijn hart echt naar uit gaat: onderzoek doen.’

Instabiliteit

Een interessante puzzel die Koper momenteel bezighoudt is de stabiliteit van platina-elektrodes. ‘Platina is weliswaar edel, maar ook daar zitten grenzen aan. Tijdens oxidatie-reductie-cycli verliest de elektrode platina. Als je niet oppast dan is de hele elektrode zo weg.’ Dat is onwenselijk, te meer omdat platina erg kostbaar is.

Er zijn volgens de hoogleraar twee oplossingsrichtingen. ‘Je gaat op zoek naar een alternatief voor platina. Maar dat is voor veel toepassingen lastig. We kunnen ook onderzoeken waar die instabiliteit van de elektrode aan ligt. Als we dat weten, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat de elektrodes langer meegaan? Recycling van platina is ook interessant. Maar dat ligt wat minder op mijn terrein. Wij onderzoeken op atomair niveau, onder andere met allerlei vormen van spectroscopie, waar de instabiliteit vandaan komt.’

Inzichten

Hoewel de puzzels die Koper zoekt niet pur sang economisch of ideëel gedreven zijn, worden ze vaak wel door maatschappelijke urgentie ingegeven. Een ‘leuke puzzel’ ligt volgens hem op het vlak van elektrolyzers voor de productie van groen waterstof. ‘Daarbij zijn twee mogelijkheden. Ze werken met een zuur of een alkalisch milieu. In het alkalische milieu gaat het proces langzamer. Als geleerden zijn we er nog steeds niet uit waar dat aan ligt. Het voordeel van alkalische elektrolyzers is echter wel dat ze met nikkel-elektrodes kunnen werken. Die zijn relatief goedkoop.’

Diegene die er in slaagt om de productiesnelheid van alkalische elektrolyzers te verhogen, is keizer, weet ook Koper. ‘Er zijn daar al veel theorieën over. Het gaat erom dat we onze hypotheses constant onderzoeken en uitdagen. En ook snel bij kunnen stellen, als uit onderzoek nieuwe inzichten voortkomen. Op dit specifieke vlak van alkalische elektrolyzers dacht ik er twee jaar geleden anders over dan nu. We moeten onze hypotheses continu ter discussie stellen. Dan kom je uiteindelijk tot scherpere inzichten.’

Marc Koper

Moleculair niveau

Natuurlijk volgt Koper de discussie over mogelijke richtingen in de energietransitie. Als je hem ernaar vraagt, dan wil hij die vooral vanuit de wetenschap duiden. Dan komt hij bijvoorbeeld tot de conclusie dat via elektrochemische omzetting waterstof kansrijk is, en misschien ook mierenzuur. Omdat het hierbij om relatief eenvoudige, efficiënte reacties gaat. Bij de elektrolyse van water tot waterstof en zuurstof is op moleculair niveau een overdracht van slechts twee elektronen nodig, stelt hij. ‘Daardoor kan die reactie snel en zonder veel efficiëntieverlies worden uitgevoerd. Bij de overdracht van meer elektronen wordt de reactie toch complexer. Misschien dat die routes uiteindelijk wel interessant worden in de chemie, om bijvoorbeeld op een elektrochemische wijze ethyleen te maken of methanol. Chemische bouwstenen mogen doorgaans meer kosten dan energiedragers.’

Spannende ideeën

Koper heeft nog niet voldoende tijd gehad om na te denken wat hij met de Spinozapremie gaat doen. ‘En dan heb ik ook nog de Europese subsidie te besteden’, glimlacht hij. Hij wil er nog eens goed over nadenken. De Spinozapremie is vrij te besteden. ‘Ik wil het graag in een project stoppen waarvoor ik anders moeilijk financiering zou krijgen, iets buiten mijn eigen comfortzone. Bijvoorbeeld op het snijvlak van de organische chemie, waar ik toch minder in thuis ben, met elektrochemie. Ik heb al een paar mailtjes naar collega’s in dit vakgebied gestuurd. Ze reageren allemaal enthousiast. Het is interessant om met ze na te denken waar de puzzels liggen.’

Mogelijk neemt hij ook een getalenteerde promovendus of postdoc aan, op een onderwerp naar eigen keuze. Want, ‘dat is vaak de beste manier om op spannende ideeën voor onderzoek te komen.’

Dow en Shell onderzoeken de mogelijkheden voor de aanleg van een multi-megawatt proefinstallatie voor elektrisch kraken. Deze zou in 2025 op moeten starten. Vorig jaar kondigden de twee bedrijven al aan kraakfornuizen met stroom te willen verhitten.

Shell en Dow hebben van de Nederlandse overheid via een MOOI-financiering (Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie) een subsidie toegekend van 3,5 miljoen euro aan hun programma. Ook kondigen de twee bedrijven aan samen te werken met TNO en het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT). De samenwerking tussen de vier partijen is erop gericht om de doelen op de korte en langere termijn sneller te behalen.

In het eerste jaar van de samenwerking hebben Dow en Shell de elektrificatieoplossingen voor de huidige stoomkrakers verder ontwikkeld, en hebben ze tegelijkertijd gewerkt aan ontwerpen van nieuwe geëlektrificeerde krakers op de langere termijn. Het doel is om de CO2-uitstoot te verlagen in lijn met de plannen van de bedrijven in 2030. Uiterlijk in 2050 willen ze netto emissievrij zijn. Gezamenlijke teams in Nederland en de Verenigde Staten hebben hun expertise op het gebied van elektrisch ontwerp, metallurgie, koolwaterstoftechnologie en vloeistofdynamica ingezet om concepten te verfijnen, emissievoordelen te valideren, octrooien te ontwikkelen, de duurzaamheid van elektrische verhittingselementen aan te tonen en samen te werken met leveranciers van apparatuur.

BASF en RWE presenteerden vrijdag een plan voor een twee gigawatt offshore windpark in het Duitse deel van de Noordzee. Hiermee willen ze de chemische site in Ludwigshafen voorzien van groene elektriciteit. Ook moet een driehonderd megawatt elektrolyzer de productie van groene waterstof mogelijk maken. Het gaat om een investering van vier miljard euro.

Het doel van het project van RWE en BASF is om de productieprocessen voor basischemicaliën te elektrificeren. BASF wil in 2050 klimaatneutraal zijn. In 2030 wil het chemiebedrijf wereldwijd 25 procent minder CO2 uitstoten dan in 2018.

Groene waterstof

Om dat voor elkaar te krijgen, is veel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen nodig. BASF wil bijvoorbeeld in de toekomst geen fossiele grondstoffen meer gebruiken voor haar stoomkrakers. Daarvoor ontwikkelt ze met Sabic en Linde elektrisch verwarmde stoomkrakers. Daarnaast wil het chemiebedrijf over naar het gebruik van groene waterstof. Twintig procent van de elektriciteit die wordt opgewekt met het nieuwe windpark willen RWE en BASF gebruiken voor de productie van groene waterstof. Ze willen daarvoor een driehonderd megawatt elektrolyzer bouwen. Ook andere bedrijven kunnen gebruik maken van deze groene waterstof.

Geen subsidie

Het project van de twee bedrijven zou kunnen leiden tot 3,8 miljoen ton CO2-emissies per jaar, waarvan 2,8 miljoen ton rechtstreeks bij BASF in Ludwigshafen. Het gaat om een investering van vier miljard euro. Voor het windpark is geen subsidie nodig. BASF en RWE willen het project tegen 2030 uitvoeren.

Engie overweegt de bouw van een elektrolyzer in de Kooyhaven in Den Helder. De installatie zet de stroom om van een nieuw zonnepark vlakbij de gasbehandelinginstallatie van NAM. Het groene waterstofgas is met name bedoeld voor de transportsector.

Engie en Port of Den Helder overwegen de bouw van een één tot anderhalf megawatt elektrolyzer in de Kooyhaven in Den Helder. De elektrolyzer zou de stroom van een nieuw drie megawattpiek zonnepark op industrieterrein Oostoever omzetten in groene waterstof. De elektrolyzer lost ook eventuele congestieproblemen op het lokale net op.

Het groene waterstofproject maakt deelt uit van een verduurzamingstraject dat Port of Den Helder samen met Engie, Total, Damen Shipyards, Alliander en andere partners uitstippelde. De haven bouwt voor een belangrijk deel op de offshore gasindustrie, een sector die langzaam maar zeker zal verdwijnen.

Waterstofvaartuig

In het gebied van de Kooyhaven bouwt Total waterstof vulpunten waar personenvoertuigen en vrachtwagens kunnen tanken en schepen waterstof kunnen bunkeren. Als onderdeel van het project ontwikkelt Damen Shipyards een servicevaartuig dat elektrisch vaart op waterstof. Het schip zal onder andere gebruikt worden door onderzoeksinstellingen en Port of Den Helder.

Lokale productie

Om de elektrolyzer te voeden met groene stroom bouwt Engie in eerste instantie een zonnepark van 2,8 megawattpiek. Voor dit zonnepark is in november 2020 een vergunning verleend. Zodra de uitslag van de SDE++ subsidie aanvraag bekend is, start men de bouw van het park. In een later stadium volgt dan een groter zonnepark. Het streven is begin 2022 de keten van een zonnepark, elektrolyzer en tankstation volledig operationeel te hebben.

Netbalans

Samen met de regionale netbeheerder onderzoeken de betrokken partijen of de waterstofinstallatie een rol kan spelen in de netcongestie. Door bij aanbod van veel zon en wind waterstof te produceren en daarmee te voorkomen dat zonneparken of windparken moeten worden uitgezet. Ook kijkt Engie naar het inzetten van de elektrolyzer als flexibel regelvermogen.

Blauwe waterstof

Vorig jaar kondigde het samenwerkingsverband van bedrijven en overheden in Den Helder H2Gateway aan de mogelijkheden te verkennen voor grootschalige productie van blauwe waterstof. H2Gateway wil een faciliteit ontwikkelen voor de centrale productie van ongeveer 0,2 megaton blauwe waterstof per jaar voor de industrie.

 

Gebruiken we in 2050 nog veel koeien en andere dieren voor onze voedselvoorziening? Is er dan nog verse koolstof – fossiel of plantaardig – nodig voor de productie van onze materialen? En is onze energievoorziening dan eindelijk volledig gedecarboniseerd?

Ik vraag bewust nog niet af of het mogelijk is, want technisch zal er dan veel kunnen. In Petrochem schetst Marcus Remmers, chief technology officer van DSM, een beeld dat mij op dat vlak positief stemt. Er zijn ontwikkelingen in de biotechnologie en elektrochemie die echt veelbelovend zijn. Koren op de molen voor een technologie-optimist.

Even wegdromen. Momenteel zijn er grote vorderingen in laboratoria en zelfs al daarbuiten op het gebied van cellulaire landbouw. Die moet producten mogelijk maken die heel dicht in de buurt komen van, of zelfs identiek zijn aan dierlijke voedingsmiddelen en materialen. Kweekvlees bijvoorbeeld. Met het genetisch materiaal van een beperkt aantal dieren is het straks waarschijnlijk mogelijk om de hele wereldbevolking van vlees te voorzien. Ik zou er alvast voor tekenen als omnivoor. Ik vind vlees lekker, maar ben me ook bewust van de nadelen van de huidige vleesconsumptie. Vlees eten zonder dat er dieren voor worden doodgemaakt? Ik teken er direct voor. Ook als het me wat extra kost.

‘Wellicht is een volledige circulaire chemische industrie mogelijk, als de ultieme kringloop wordt gesloten: massaal hergebruik van CO2 en CO.’

Optelsom

En ook dromen over de toekomstige chemie. De eerste fabrieken die CO2 als grondstof omzetten in koolwaterstoffen zijn er al. Je hebt daar wel heel veel energie voor nodig en zeer geconcentreerde bronnen van CO2 en – het liefst groene – waterstof. Ook worden de eerst stappen gezet met koolmonoxide (CO) uit de staalindustrie. Om in de toekomst kunststoffen te maken, zijn fossiele bronnen sowieso niet meer nodig. Een groot deel van de chemische bouwstenen kan worden teruggewonnen uit afvalplastics. Misschien is er tijdelijk een aanvulling nodig met koolwaterstoffen uit biomassa. Maar op den duur is wellicht een volledige circulaire chemische industrie mogelijk, als de ultieme kringloop wordt gesloten: massaal hergebruik van CO2 en CO.

Het lijkt minder een kwestie van kunnen dan van kiezen. Er kan veel, maar waar kiezen we voor? Volgens de Franse filosoof Sartre staat bij alles onze keuze centraal. Zelfs geboren worden, ziet hij als een keuze. Natuurlijk kunnen we over dat laatste discussiëren. En zeker ook over onze keuzevrijheid. Maar geven we ons niet te vaak over aan het idee dat we nergens invloed op hebben? Misschien hebben we als individu weinig invloed. Maar als bedrijf, land, continent, samenleving zijn er natuurlijk meer mogelijkheden. Nu al liggen er veel meer vleesvervangers in de schappen van supermarkten dan een paar jaar terug. Dat is een optelsom van heel veel keuzes.

Biodiversiteit

Durven we als samenleving de transitie ook echt aan? Durven we ook echt te innoveren? Volgens de Vlaamse denker Jef Staes bevindt de hele samenleving zich momenteel in de chaotische overgangstijd van het 2D- naar het 3D-tijdperk. De overgang zal niet zonder slag of stoot gaan. De mensen die in het oude tijdperk aan het roer staan, zullen niet zonder slag of stoot de macht overdragen aan een nieuwe generatie mensen die veel beter geschikt is om met de nieuwe mogelijkheden om te gaan. Staes in een eerder interview: ‘Termen als fake news zijn middelen van de oude generatie om vernieuwing te blokkeren.’

Ik heb het Jef nog niet gevraagd, maar de huidige boerenprotesten zouden ook zo maar uitingen kunnen zijn van het oude tijdperk. Willen we over dertig jaar nog steeds een leefbare wereld hebben, dan kunnen we niet op de oude manier doorgaan. Dan zullen we bijvoorbeeld stapsgewijs veel efficiënter met de beschikbare grond om moeten gaan. Alleen met innovatie en transitie kunnen we het hoofd bieden aan de uitdagen op het gebied van klimaat, biodiversiteit en een groeiende wereldbevolking. Daar moeten we iedereen in meenemen, ook diegenen die dat nu nog niet zien zitten en misschien oude gebruiken nog moeten loslaten. Te beginnen bij onszelf. Die keuze hebben we alvast.

Reageren? Via de mail: wim@industrielinqs.nl of via Twitter: @wimraaijen

Op dinsdag 8 december is Klaus Schäfer, CTO bij Covestro, een van de sprekers tijdens de openingstalkshow van de European Industry & Energy Summit 2020. Wij spraken hem in een eerdere editie van Petrochem over CO2, inzet van koolstof en duurzame ambities van de industrie.

Covestro, het vroegere Bayer MaterialScience, wil leiderschap tonen als het gaat om de inzet van koolstof in hoogwaardige producten en ook op het vlak van energie-efficiëntie. Toen wij chief technology officer (CTO) Klaus Schäfer spraken was hij een dagje op de Maasvlakte in Rotterdam naar aanleiding van een innovatief investeringsproject. Op hun gezamenlijke productielocatie bouwen LyondellBasell en Covestro een nieuwe verbrandingsinstallatie en een biologische verwerkingsfabriek van afvalstromen. Met deze investering van maar liefst 150 miljoen euro moet het afvalwater van de bestaande fabrieken op de site op een biologische manier worden omgezet in warmte. Dat kan dan weer ter plekke in de vorm van stoom worden ingezet in de bestaande productieprocessen op de Maasvlakte-site. Met de nieuwe installaties verwachten de twee bedrijven de CO₂-uitstoot van het productieproces met 140.000 ton per jaar te verminderen. Dat is een reductie van twintig procent.

De CTO van Covestro is duidelijk verguld met deze nieuwe investering. Misschien ook omdat de twee bedrijven met het project technologisch en innovatief duidelijk hun nek uitsteken. Schäfer: ‘Als je het benadert vanuit de people, planet, profit gedachte, dan zit de plus vooral in de eerste twee. Op het gebied van het milieu is het natuurlijk een geweldig project en de investering levert ook nieuwe banen op. Alleen op het gebied van winst houdt het eigenlijk nog niet echt over. Het is een grensgeval. We verliezen er geen geld op, maar het levert ook niets op.’ Dat kan overigens wel veranderen. Bovendien lopen de bedrijven met de investering op de Maasvlakte voor op toekomstige Europese en Nederlandse regelgeving. Verwacht wordt dat soortgelijke investeringen sowieso moeten worden gedaan.

Dode hond

Met een  nuchtere blik kijkt Schäfer naar de duurzame ambities van de chemische industrie en van Covestro in het bijzonder. Vooral doen wat nu technisch mogelijk en economisch haalbaar is, lijkt zijn credo. Zo haalde het concern een paar jaar geleden de internationale pers met de installatie die CO2 omzet in polyurethaan, in het Duitse Dormagen. Twintig procent van het uiteindelijke product heeft kooldioxide als grondstof. Schäfer: ‘CO2 is een dode hond, je kunt er weinig mee. Om kooldioxide te activeren, heb je immers heel veel energie nodig. Dat is misschien mogelijk als er exotherme processen in de buurt zijn waarvan we de energie kunnen gebruiken, zoals in Dormagen.’ Covestro heeft samen met de Universiteit van Aken een katalysator ontwikkeld die de activeringsenergie voor CO2 verlaagt om een chemische reactie te laten plaatsvinden. De ontwikkelde katalysator is in dit geval de sleutel tot succes.

Er wordt momenteel veel gesproken over elektrochemische routes en ook Covestro onderzoekt ze uitvoerig. Vooral voor de langere termijn. ‘Laatst vertelde een deskundige van een collega-bedrijf me dat de productie van waterstof via elektrochemische weg nog achtmaal duurder is dan de gangbare route.’

Nieuwe machines

Zelf heeft de CTO op de kortere en middellange termijn veel verwachtingen van koolmonoxide. ‘Dat is meer een jong hondje. Daar kun je chemisch al meer mee dan met CO2. We onderzoeken onder andere hoe we van CO2 eerst CO kunnen maken, om zodoende veel meer mogelijkheden te hebben. We zoeken daarnaast een samenwerking met de staalindustrie, omdat in hoogovens naast veel CO2 ook veel CO vrijkomt.’

Hier passen wederom relativerende, nuchtere woorden. Innovatieve processen leveren vaak ook andere producten op. ‘We moeten onze klanten goed kennen en ze helpen met de nieuwe producten te leren omgaan. Vaak zijn ze enthousiast als we duurzamere producten leveren. Dat enthousiasme wordt echter een stuk minder als ze horen dat ze hun installaties moeten aanpassen of zelfs nieuwe machines nodig hebben. Daarom is het natuurlijk belangrijk dat we ze daar dan ook in ondersteunen.’

 

Bron: Petrochem 10-2018

European Industry & Energy Summit 2020

Tijdens European Industry & Energy Summit 2020 op 8 en 9 december zenden wij uit vanuit vier studio’s: Amsterdam, Eemshaven (Groningen Seaports), Rotterdam (Plant One Rotterdam) en Geleen (Brightsite Chemelot Campus).  We bespreken thema’s als Europese plannen, waterstof, infrastructuur, innovatie en systeemintegratie. Verschillende partners presenteren in side-events hun visie op onderwerpen als CCUS, elektrificatie, elektrochemie, energiebesparing- en opslag, en veel meer.

Inschrijven voor de livestreams is kosteloos (pay as you like).

‘De industriële revolutie was eigenlijk meer een evolutie. Als je het op microniveau beschouwt, ging het om een proces van heel veel kleine stapjes’, stelt Jeroen van Woerden, de kwartiermaker van het nieuwe Fieldlab Industriële Elektrificatie. ‘De huidige transitie van de industrie zal ook niet van de ene op de andere dag gaan, maar we kunnen er wel alles aan doen om die te versnellen.’

Hij is geen onbekende in de Rotterdamse en landelijke procesindustrie. In 2016 werd Jeroen van Woerden uitgeroepen tot Plant Manager of the Year, toen hij nog de scepter zwaaide over de site van chemiebedrijf Kemira in de Botlek. Jeroen paste methodes uit de maakindustrie toe in de chemie. Samen met klanten producten ontwikkelen en innoveren. Hij vroeg medewerkers om met ideeën te komen om de installaties te verbeteren en daadwerkelijk met relatief kleine verbeteringen aan de slag te gaan.

‘We hebben nog discussies over wat bij elektrificatie hoort. Hoort daar bijvoorbeeld elektrochemie bij?’

Jeroen van Woerden, kwartiermaker Fieldlab Industriële Elektrificatie

Het lijkt zeer bij Jeroen van Woerden te passen: vele kleine vissen maken één grote. Ogenschijnlijk grote veranderingen gebeuren gewoon niet plotsklaps. Vaak is er een proces voor nodig met tal van kleine stappen. ‘Ook de industriële revolutie was eigenlijk meer een evolutie,’ analyseert hij. ‘Als je het op microniveau beschouwt, ging het om een proces van heel veel kleine stapjes. Een revolutie kan ook veel kapot maken. En een evolutie kun je versnellen. Achteraf lijkt de overgang van traditionele lampen naar ledverlichting heel snel gegaan. Ik heb dat van wat dichterbij gevolgd bij Philips Lighting. Al met al heeft deze overgang minder dan tien jaar geduurd.’

E-boilers

Zo zal het volgens hem ook gaan met de energietransitie. Met zijn nieuwe functie als kwartiermaker van het Fieldlab Industriële Elektrificatie zal hij zich daarom vooral bezighouden met welke stappen de komende tijd zijn te zetten. Het fieldlab moet nog volledig vorm krijgen. ‘We hebben zelfs nog discussies over wat allemaal bij elektrificatie hoort. Hoort daar bijvoorbeeld elektrochemie bij?’

Nog niet zo lang geleden had niemand het er over, maar inmiddels zijn er veel initiatieven op het gebied van elektrificatie van industriële installaties. Elektrische boilers, pompen en zelfs elektrisch aangedreven fornuizen en hele krakers. Het wordt momenteel allemaal genoemd en onderzocht.

Ook over de mogelijkheden van elektrochemie wordt veel gesproken. Power-to-heat, power-to-hydrogen, power-to-x, allemaal mooie termen die een belofte in zich herbergen. Maar het moet nog op veel echt vlakken vorm krijgen. Zo is zijn er wel veel plannen op het gebied van groen waterstof, maar er is nog geen finale handtekening gezet. Van Woerden: ‘Veel innovatieve processen zijn bijvoorbeeld nog duur. Voor het fieldlab is het de taak om uit te zoeken of dat zo blijft of dat ze met wat financiële en technische ondersteuning toch vlot kunnen worden getrokken.’

Industrielinqs nu 3 maanden gratis ontvangen?

Dit artikel komt uit de tweede editie van het Industrielinqs magazine, dat zich richt op de procesindustrie, energiesector en onderlinge infrastructuur. Met het magazine verbinden we industriële ketens zodat ze van elkaar kunnen leren. Belangrijke thema’s zijn: innovatie, energietransitie, onderhoud en veiligheid.

Gebruik kortingscode ILQS20GRATI

Stap voor stap, lijkt het credo. ‘In eerste instantie zullen we ons vooral richten op haalbaarheidsstudies en de eerste pilots.’ Een mooi onderwerp van een “papieren” haalbaarheidsonderzoek zou de elektrische boiler kunnen zijn, stelt Van Woerden. ‘Om bijvoorbeeld industriële warmte in op te slaan. Kunnen we daarmee bijvoorbeeld pieken en dalen in het warmtegebruik balanceren?’

De technologie is geen rocket science, maar het vooral belangrijk om te weten hoe e-boilers in industriële processen zijn in te passen. Lukt dat grootschalig, dan kan heel veel warmte opnieuw worden gebruikt of opgewaardeerd.

Fornuizen

Waar liggen de mogelijkheden op de kortere termijn en waar kunnen we proof points creëren, stelt hij. ‘Over een half jaar moeten we de eerste resultaten laten zien. Voor proefinstallaties onderzoeken we de mogelijkheden bij één of twee centrale testlocaties, maar ook bij bedrijven zelf. Dat laatste levert meteen een spanningsveld op. Industriële bedrijven werken het liefst met proven technology. De dagelijkse praktijk van productiebedrijven is eigenlijk niet ingericht op ingrepen van buitenaf zoals innovatie in de processen. Er zijn geen lab-omstandigheden. Bovendien moeten veiligheid en betrouwbaarheid geborgd blijven. Tegelijkertijd zien de bedrijven de noodzaak van vergroening. Ze moeten dus wel in beweging komen. Maar hoe doe je dat, terwijl de winkel gewoon openblijft?’

fieldlabOok is het belangrijk om te weten hoe nieuwe grondstofstromen in de bestaande industrie kunnen worden ingepast. Binnen het fieldlab wil het bedrijf Duiker onderzoeken hoe industriële fornuizen andere brandstoffen kunnen verwerken. Waterstof lijkt hiervoor een goede kandidaat. De groene variant, geproduceerd met hernieuwbare elektriciteit, is echter nu nog niet in grote hoeveelheden beschikbaar. Daarom moeten er gedurende de energietransitie fase alternatieven zijn. En het liefst flexibel.

Duiker wil in het fieldlab daarom ook andere duurzame brandstoffen onderzoeken, zoals methanol, biogas of ammoniak. Zelfs aardgas is wellicht nog nodig tijdens de overgangsperiode naar een volledige CO2-reductie. Wereldwijd en in Nederland zijn talloze procesfornuizen in bedrijf. Deze zijn, in de huidige configuratie voor een groot gedeelte ongeschikt om met duurzame brandstoffen te worden bedreven. Er is daarom behoefte om de bestaande geïnstalleerde fornuizen geschikt te maken voor het gebruik van duurzame brandstoffen.

Uitwisselbaar

Van Woerden is blij dat het fieldlab wordt gesteund door een coalitie van verschillende partijen die zowel de dagelijkse praktijk van productiebedrijven als innovatieve bedrijven vertegenwoordigen. ‘Partner FME vertegenwoordigt technologische toeleveranciers, zoals Duiker in het voorbeeld, die gericht zijn op de mogelijkheden van technologieontwikkeling. Deltalinqs behartigt de belangen van de industrie, die de uitdaging heeft te duurzamer te worden met versterking van de concurrentiepositie. Bij TNO zijn onderzoekers gericht op innovatie en is veel toepasbare kennis aanwezig. Samen met het Rotterdamse Havenbedrijf en Innovation Quarter vormen ze een sterke coalitie om gezamenlijk een goed doel te bereiken om de regio Rotterdam duurzaam te versterken.’

De samenwerking houdt daar zeker niet op. Het fieldlab komt weliswaar in Rotterdam, maar samenwerking met andere clusters wordt nadrukkelijk gezocht. Zoals met de Eemsdelta, die een belangrijke rol gaat spelen in de energietransitie, en ook met Chemelot. Van Woerden: ‘Partner TNO is bijvoorbeeld nauw betrokken bij Brightsite dat veel onderzoek doet op de Chemelot Campus. En in het noorden hebben bedrijven bijvoorbeeld ervaring met e-boilers. We gaan juist voor uitwisseling en niet voor competitie met andere clusters. Door samen te werken zijn veel resultaten uitwisselbaar en opschaalbaar.’

‘De dagelijkse praktijk van productiebedrijven is niet ingericht op ingrepen van buitenaf, zoals innovatie in de processen.’

Jeroen van Woerden, kwartiermaker Fieldlab Industriële Elektrificatie

Versnelling

Van Woerden gelooft dan wel niet in een revolutie, maar de evolutie kan volgens hem ook in de energietransitie snel gaan. ‘Er heerst consensus over dat er wat moet gebeuren. De Europese Unie heeft bijvoorbeeld haar duurzame ambities niet bijgesteld tijdens de coronacrisis. Het gevoel van urgentie is er nog steeds. Daarbij kan het fieldlab de bedrijven helpen. En dan kan het snel gaan. Er is echt sprake van momentum. Het is aan ons om met inspirerende projecten de versnelling van de energietransitie vorm te geven.’

Eind 2021 of begin 2022 neemt Yara een definitieve investeringsbeslissing voor de bouw van een honderd megawatt elektrolyzer in Sluiskil. Het bedrijf ziet kansen om hiermee de CO2-footprint van de ammoniakproductie te verkleinen en wil tegelijkertijd een markt voor groene kunstmeststoffen opbouwen. Bij de beslissing of het project al dan niet doorgaat, zal co-funding een belangrijke rol spelen.

Een honderd megawatt elektrolyzer op de site van Yara in Sluiskil moet windenergie van Ørsted omzetten in groene waterstof. Daarmee kan Yara vervolgens zo’n 75.000 ton groene ammoniak per jaar produceren. Dat is ongeveer tien procent van de capaciteit van de grootste ammoniakfabriek in Sluiskil. ‘Er staan drie ammoniakfabrieken in Sluiskil, dus dan kom je uit op zo’n vier procent groene ammoniakproductie’, rekent Sammy Van Den Broeck, vice president Climate Neutrality bij Yara International, voor. ‘Dat kan klein lijken, maar groene ammoniak, afgeleid van groene waterstof, bestaat vandaag de dag niet. Er is nog geen bestaande markt voor.’

Als Yara alle groene ammoniak omzet in kunstmeststoffen, dan kan het bedrijf een half miljoen hectare in Europa voorzien van groene kunstmest, stelt Van Den Broeck. ‘En dat is dan weer niet zo klein voor een product dat vandaag nog niet bestaat. Het is voor Yara aan de marktkant een heel grote stap. Het is een eerste stap in een veel langer verhaal waarvoor nog meer puzzelstukjes op hun plaats moeten vallen.’

Aanpassingen

Ook Gijsbrecht Gunter, manager externe relaties en communicatie bij Yara, erkent dat een honderd megawatt elektrolyzer niet groot genoeg is om heel Sluiskil te vergroenen. ‘Als we verder kijken, zien we een regionaal waterstofnetwerk waar andere partijen om de hoek komen kijken. Het is met honderd megawatt niet gedaan. Je hebt uiteindelijk veel meer partijen nodig. Maar om het behapbaar te maken, zien wij het in fasen. Dit project kunnen we integreren in de bestaande site. Het is een praktisch en realistisch project, waarmee we bestaande productie kunnen vergroenen zonder dat we onze processen volledig moeten aanpassen.’

Om de site helemaal te vergroenen zou het project een factor 20 tot 25 keer groter moeten zijn. ‘Maar als je alleen al een factor tien groter zou gaan, zou je veel significantere aanpassingen nodig hebben’, legt Van Den Broeck uit. ‘De fabrieken in Sluiskil zijn gebouwd met aardgas als designparameter. De productie van waterstof uit aardgas op de site is volledig geïntegreerd met de ammoniakproductie. Energie en warmte zijn voor die twee processen operationeel in balans gebracht. Dus als je de waterstofproductie loskoppelt en vervangt door een ander proces – elektrolyse – dan breek je de energie- en warmtebalans. Het is dan niet evident om de ammoniakproductie weer één op één te gaan integreren.’

Sammy Van Den Broeck (Yara): ‘We hebben ook groene projecten in Australië en Noorwegen. Waar is de co-funding het meest forward leaning?’

Tot tien procent bijmenging van groene waterstof is dus nog relatief eenvoudig voor een bestaande ammoniakfabriek. Boven de tien procent zijn er heel grote aanpassingen nodig. ‘Wil je boven de tien procent gaan, dan heb je eerder een greenfield design nodig’, vult Gunter aan. ‘Dat is precies het unieke van dit project. Het gaat niet om een losstaande elektrolyzer in the middle of nowhere. We integreren hier een elektrolyzer met bestaande ammoniakproductie, waarbij we zowel het geproduceerde waterstof als zuurstof gebruiken in bestaande processen. Het is dus geen greenfield, maar we vergroenen de bestaande plant, die overigens de grootste in haar soort is in Europa.’

Businesscase

De technologie voor een honderd megawatt elektrolyzer zal geen probleem vormen, stelt Van Den Broeck. ‘In Glomfjord, in het noorden van Noorwegen, heeft Yara lange tijd – tussen 1953 en 1991 – groene waterstof via elektrolyse gemaakt, en daarmee groene ammoniak. Dat was met een capaciteit van rond de honderdvijftig megawatt. Tot dertig jaar geleden heeft Yara de technologie op deze schaal dus al toegepast. In die tijd was in Noorwegen zeer goedkope hydropower beschikbaar. In 1991 is de productie stopgezet omdat het economisch gunstiger was om waterstof uit aardgas te maken.’

Juist de economische kant vormt voor deze schaal van waterstofproductie een grote uitdaging. Van Den Broeck: ‘In eerste instantie is het kostenplaatje voor hernieuwbare energie een belangrijke factor, aangezien het grootste deel van de productiekosten wordt bepaald door de energiekosten. Ook moeten de kosten van elektrolyzers voldoende laag zijn om een businesscase te hebben. Kostenverbetering door schaalgrootte is dus absoluut nodig. Maar dat lukt alleen als er projecten op die schaal komen. Bovendien moeten die projecten er vervolgens voor zorgen dat zich een downstream-markt ontwikkelt, voor groene waterstof en in ons geval groene ammoniak. De drijfveer voor ons is ervoor te zorgen dat er voldoende vraag is aan de marktkant. Als we klein blijven bouwen, is er een risico dat we een veel langere aanloop gaan kennen voor zo’n markt zich opbouwt.’

Kip-ei-situatie

Bij eerdere experimenten met groene waterstof liep Yara steeds aan tegen het feit dat daarmee de prijs van eindproducten twee tot vier keer hoger werd dan bij productie met grijze waterstof. ‘En de markt kiest nog steeds vooral voor de laagste prijs’, weet Gunter. ‘Nu willen we 14,5 kiloton grijze waterstof vervangen door groene, maar daarvoor is dus vooralsnog wel overheidssteun nodig. Niet alleen de bouw van een elektrolyzer kost nog te veel, ook de productie met (groene) elektriciteit in plaats van aardgas als grondstof is duurder.’

In SDE++ heeft Planbureau voor de Leefomgeving echter geadviseerd om maximaal tweeduizend uur waterstofproductie te subsidiëren. De reden daarvoor is dat er anders zoveel elektriciteit nodig is, dat die niet groen voor handen zou zijn. In dat geval kun je beter waterstof maken uit aardgas, zoals Yara nu doet, in plaats van met grijze stroom.

Gijsbrecht Gunter (Yara): ‘Je hebt stroom nodig, of die nu grijs of groen is, om elektrolyzers verder te ontwikkelen.’

Dat klinkt logisch, maar het gevolg is dat de schaalvergroting met bijbehorende kostenverbetering voor elektrolyzers niet van de grond komt. ‘Je hebt stroom nodig, of die nu grijs of groen is, om elektrolyzers verder te ontwikkelen’, stelt Gunter. ‘Als het een op het ander gaat wachten, ontstaat er een kip-ei-situatie. Nu je niet meer dan tweeduizend uur gesubsidieerd krijgt met ook nog eens een beperkt maximum bedrag per vermeden ton CO2, wordt de ontwikkeling van een businesscase een stuk lastiger. Je krijgt dan dekking op nog geen kwart van het totale aantal bedrijfsuren van een elektrolyzer waarmee je het liefst 24/7 produceert. Daarom pleiten wij ervoor om de ontwikkeling van elektrolyzers los te zien van de ontwikkeling van de groene elektriciteitsmarkt. Laat het een niet op het ander wachten.’

Rechtstreeks linken

De Europese Commissie heeft Nederland op dit punt echter ook nog op de vingers getikt. Ze vindt dat zelfs die tweeduizend uur eigenlijk nog te hoog is. De insteek is, begin lager en loop mee met de ontwikkeling van groene energie in Nederland. De Europese Commissie kijkt dus kritisch naar de wijze waarop de Nederlandse overheid subsidie verstrekt aan projecten waarbij waterstof wordt gemaakt via elektrolyse. Van Den Broeck: ‘Het mooie van ons project is dat we twee partners bij elkaar hebben, die dit samen rechttrekken. Onze overeenkomst met Ørsted maakt dat we de elektrolyzer rechtstreeks kunnen linken aan windenergie. We kunnen dus garanderen dat deze volledig op groene winduren draait.’

tekst gaat verder onder de afbeelding
Yara

Yara Sluiskil

Nederland heeft grootse ambities op het gebied van offshore wind, stelt Van Den Broeck. ‘Die ambitie zorgt samen met de site in Sluiskil – de grootste van Europa – voor een unieke combinatie. Nederland is de ultieme kandidaat voor waterstofnetwerken. Maar publieke co-funding blijft een belangrijk element en zal zeker een rol spelen bij portfoliobeslissingen in een internationaal bedrijf als Yara. We hebben bijvoorbeeld ook groene projecten in Australië en Noorwegen. Waar is de co-funding het meest forward leaning? Co-funding speelt een belangrijke rol in waar het eerst actie wordt ondernomen.’

Zero emission

Yara heeft de afgelopen jaren overigens al fors geïnvesteerd in Sluiskil om de uitstoot van broeikasgassen te verlagen. De site realiseerde een reductie van zestig procent ten opzichte van 1990 en daarmee heeft het de doelen van het Nationale Klimaatakkoord al bereikt. De ambitie reikt echter verder. Via een roadmap tot 2030 met drie sporen wil het bedrijf een zogenoemde ‘zero emission plant’ worden.

Spoor één is vooral op de korte termijn gericht, waarbij verschillende CO2-reductieprojecten worden uitgevoerd. Denk hierbij aan het aanpassen van installaties en het opsporen van onnodig energieverlies tijdens het productieproces door data te analyseren. Gunter: ‘We hebben hiervoor een projectportfolio lopen van ongeveer 25 projecten. Het gaat dan bijvoorbeeld om elektrificatie, andere warmtewisselaars met een hoger rendement, vergroening van de elektriciteitsproductie en tweede generatie De-N2O catalyst (katalytische omzetting van lachgas (N2O) naar stikstof en water, red.). Deze projecten moeten samen voor 0,3 tot 0,4 megaton CO2-reductie zorgen voor 2025.’

Het tweede spoor focust op het opslaan van CO2 in lege gasvelden. Dit spoor kan op korte termijn 0,7 megaton CO2-reductie opleveren, maar heeft op dit moment nog een belangrijke bottleneck, stelt Gunter. ‘We vangen nu al zuiver CO2 af om vloeibaar te maken of in gasvormige fase te gebruiken voor eigen productie van bijvoorbeeld ureum-meststoffen of rechtstreekse levering aan de naastgelegen glastuinbouw. We kunnen dat prima uitbreiden. Vervolgens kunnen we het vloeibaar gemaakte CO2 per schip naar een injectiepunt vervoeren. Maar binnen het Europese systeem voor emissiehandel is dat niet toegestaan. Je mag CO2 alleen per pijpleiding naar een opslagpunt brengen. Overigens heeft de Europese Commissie inmiddels wel aangegeven dit te willen aanpassen.’

Het derde spoor, dat parallel aan het tweede loopt, is om in Sluiskil over te stappen op groen waterstof. Op dat spoor heeft het bedrijf nu een eerste stap gezet. Met dit project hoopt Yara 0,1 megaton CO2 te besparen. Het bedrijf neemt eind 2021 of uiterlijk begin 2022 een definitieve investeringsbeslissing over de bouw van de elektrolyzer. Het project kan dan in 2024/2025 operationeel zijn.

Yara Sluiskil

Yara Sluiskil produceert jaarlijks ruim 1,8 miljoen ton ammoniak in drie fabrieken, die de ruggengraat vormen van de site. Het zijn de grootste ammoniakfabrieken van Yara en in Europa. De fabrieken zetten waterstof – 340.000 kiloton per jaar, gemaakt uit aardgas en water – met stikstof uit de lucht om in ammoniak. De CO2 die daarbij ontstaat, wordt voor een deel gebruikt voor de productie van ureum. Ook gaat een deel naar industriële klanten, zoals de tuinbouw, bierbrouwers en frisdrankproducenten.Het bedrijf valoriseert verreweg het grootste deel van de ammoniak lokaal tot een breed scala eindproducten. Zo maakt Yara naast ureum ook salpeterzuur. Dit gaat deels naar de voedingsmiddelenindustrie, maar wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de productie van ammoniumnitraathoudende meststoffen voor akkerbouwers. De producten worden in Europa verkocht, maar ook een aanzienlijk deel wordt verscheept, hoofdzakelijk naar Noord- en Zuid-Amerika.